Op pad

Waar een pad heenleidt is soms een raadsel en dat schikt de nog altijd betwiste oorsprong van het woord pad, dat ontleend zou zijn aan een taal die tweeduizend jaar geleden in het verre oosten des Avondlands gesproken werd. Dat gaan we na…

Paden hier en daar

Op schrift verschijnt het woord bij ons voor het eerst in 1135, in de naam Ulrepath voor een pad dat ergens bij Tessenderlo in Belgisch-Limburg een erfgrens vormde. In de overlevering sindsdien blijkt het vooral in gebruik in de ons bekende betekenis ‘smalle weg’ maar kon het ook naar een ‘voetspoor’ verwijzen. Zo wordt in het 13e-eeuwse werk Van den vos Reynaerde getreden in het pat van de sluwe vos en zo maakte de woordenboekmaker Kiliaan in 1599 onderscheid tussen enerzijds pad dat hij vertaalde met Latijn callis en sēmita ‘smalle weg’ en anderzijds pad in de vertaling van Latijn vestīgium ‘voetspoor, voetafdruk’. Hij gaf daarnaast zelfs nog een pad, patte in de zin van Latijn palma pedis, planta pedis ‘voetzool’, al was dat mogelijk ontstaan door verhaspeling met Frans patte ‘poot’.

In het Oudhoogduits duikt het woord eeuwen eerder op, als pfad—ook phad gespeld—en in de Rijnlandse vorm pad zonder Hoogduitse klankverschuiving van p naar pf. Die vorm onderscheidt zich bovendien door de verbuigingen pedin (3e nv. mv.) en pedi (4e nv. mv.) in de werken van de bekende negende-eeuwse monnik Otfried von Weißenburg, dat is Wissembourg in de Elzas. De omluid van a tot e had zich voltrokken onder invloed van de i in de volgende lettergreep en wijst in dit geval op een zogenaamde i-stam. Het behelst dat de Nederlandse en Duitse vormen twee verschillende voorlopers hebben: Westgermaans *paþ en *paþi.

Beide voorlopers blijken ook uit de overlevering bewesten de onze, want we zien op dat eiland enerzijds Oudengels pæþ en vandaar Engels path, anderzijds Engels peth in noordelijke streektalen en oordnamen vanaf de dertiende eeuw, waaronder Redpeth en Colbrandspeth, nu Redpath en Cockburnspath, beide in de buurt van Edinburgh gelegen. Opmerkelijk is dat pæþ tevens in de betekenis ‘dal’ opgeschreven is, terwijl peth in het bijzonder verwijst naar een ‘steil pad in een kloof’ en een ‘holle weg in een bos’. Er was overigens nog een zeldzame derde, vrouwelijke vorm: Oudengels paþu in de zin van ‘pad’ als voortzetting van Westgermaans *paþu. Een vierde vorm is mogelijk aan het Nederlands of Nederduits ontleend: gewestelijk Engels pad.

Het woord is in het Oudnoords niet onmiskenbaar aan te wijzen maar wordt vermoed bestaan te hebben als bron van Fins pade ‘pad, weg; kade’ (verbogen ook pate-) en Karelisch pajeh ‘weg, richting’. Die zijn dan te herleiden tot een Noordse evenknie van de reeds genoemde i-stam. De bijbetekenis ‘kade’ is mogelijk ontstaan door verhaspeling met Fins pato ‘dam, visweer’ maar kan ook langs ‘oeverpad’ ontstaan zijn.

Weer een andere vorm meende de Zweedse onderzoeker O.F. Hultman in 1912 te herkennen in Medelpad, ouder Mædhalpadha, de naam van een streek iets benoorden het midden van Zweden. Het eerste lid beduidt ‘middel-, midden-’ en voor pad/padha in dezen dacht hij aan de betekenis ‘stroomdal’, waarvoor hij leunde op het voorkomen van het woord padha voor een gebied aan beide zijden van een stroom in een 17e-eeuwse landschapsbeschrijving in Zweeds-Finland. Het is echter ook aannemelijk dat Medelpad vernoemd is naar het beroemde bedevaartspad van St. Olav, die in 1030 van Selånger in Medelpad naar Stiklestad in Noorwegen liep, dwars over het schiereiland van kust naar kust, en nadien vooral in Medelpad vereerd werd.

Uit het oosten

De herkomst van *paþ e.d. is sinds lang omstreden. Sinds de eerste oppering door Friedrich Kluge in 1883 is het vergeleken met een woord in de Indo-Iraanse talen, verre verwanten van het Germaans, want allen van de Indo-Europese taalboom. Dat is opgedoken als onder meer Sanskriet pánthā- (verbogen ook path- en in samenstellingen pathi-), Avestisch paṇtā̊ (verbogen ook paθ-) en Oudperzisch paθi, alle met de betekenis ‘pad, weg’. De θ werd uitgesproken als de Germaanse , die voortleeft als de Engelse th maar in onze taal een d geworden is.

Tot de Iraanse tak behoorden ook de Scythische talen, die tweeduizend jaar geleden gesproken werden door ruitervolken op de Steppe ten noorden en oosten van de Zwarte Zee. Daarvan is uit die tijd maar weinig overgeleverd, in elk geval niet een vorm van dat woord, maar voortzettingen ervan leven nog in het Ossetisch, een nazaat van het Scythisch, in de afleidingen fændag ‘pad, weg’ en fætæg ‘leider’, van ouder *pantāka- en *paθaka-.

Reeds rond het begin van onze jaartelling kwamen er Scythen in aanraking met Germanen, vooral Oost-Germanen zoals de Goten. Zo schrijft Tacitus de Romeinse geschiedschrijver in de eerste eeuw n. Chr. zeer laatdunkend dat de Bastarnae in taal en zeden als Germānī voorkomen doch vuil zijn en verlaagd door gemengde huwelijken beginnen te lijken op de Sarmatae, een Scythisch volk. Het is aannemelijk dat hun naam verband houdt met bastaard, te meer omdat een langdurig naburige Germaanse stam de Scīrī heette, te begrijpen als ‘Zuiveren, Puren’ in het licht van onder meer Oudsaksisch skír ‘rein, onvermengd’ en Oudnoords skírr ‘helder, rein’, ook in skírborinn ‘binnenechtelijk’, letterlijk ‘reingeboren’.

Aldus gaat de gedachte dat de Oost-Germanen een voorloper van pad van de Scythen overnamen en aan de West-Germanen doorgaven, zoals denkelijk ook met hennep gebeurd is. Er ontbreekt evenwel een schakel, want er is geen vorm van pad te vinden in de—weliswaar beperkte—overlevering van het Oostgermaans. Dan valt als verspreiders van het woord eerder te denken aan de Alanī, een Scythisch volk dat samen met enkele Germaanse stammen in 406 n. Chr. de Rijn overstak om zich in Gallië te vestigen, maar dat is weer moeilijk te verzoenen met het voorkomen van het woord in het Fins en Karelisch, die het betrekkelijk vroeg ontvangen moeten hebben.

Te meer, ontlening indertijd behelsde vooral de aanduiding van waren en vernieuwingen, niet iets zo vertrouwd en eenvoudig als een pad. Volgens de Oostenrijkse taalkundige Manfred Mayrhofer laat ze zich in dit geval verklaren “aus der sachlichen Besonderheit des Nomadenpfades” en kan het woord oorspronkelijk verwezen hebben naar een weg door een woest gebied zonder mensen. Dat overtuigt niet meteen.

Wat ook stoort is dat het woord zoals gezegd tevens vroeg de betekenis ‘dal’ had, tenminste in het Engels en mogelijk ook het Zweeds. In een uitgebreid betoog in 1961 stelden de Engelse vorsers Harold Bailey en Alan Ross daarom dat de Germanen in dezen niet één maar twee Scythische woorden ontleend hadden: enerzijds *paθ- ‘pad, weg’, anderzijds een verondersteld *paθ- ‘uitgestrekt’ als evenknie van Sanskriet pā́thas- ‘uitgestrekte plek’, en dat de Germanen deze twee woorden verhaspeld hadden. Het is geen aantrekkelijke oplossing.

Een lastige klank

Dat deze duiding niettemin ingang blijft vinden is ook omdat de Germaanse talen van zichzelf betrekkelijk weinig woorden hebben die met p beginnen. Het zijn dan in de meeste gevallen klanknabootsende of klankschilderende woorden, zoals plas en pats. Deze schaarste is een oude erfenis: aan het begin van woorden zijn de Germaanse stemloze plofklanken *p, *t en *k door klankverschuiving de voortzettingen van de Indo-Europese stemhebbende plofklanken *b, *d en *g, maar in het Indo-Europees was de *b, waar dan ook in het woord, om een of andere reden zeer zeldzaam en evengoed vooral tot klanknabootsende en klankschilderende woorden beperkt. Denk bijvoorbeeld aan *bárbaros ‘onduidelijk pratend’ als voorloper van Grieks bárbaros ‘vreemd, niet Grieks’ en Sanskriet barbaraḥ ‘stamelend, niet Arisch’.

Sommige Germaanse woorden die met p beginnen en niet ontleend lijken zijn echter moeilijk te duiden als een klankwoord. Vandaar in 1986 het betoog van de Duitse taalkundigen Rosemarie Lühr en Klaus Matzel dat de p in sommige gevallen ontstaan is uit ouder sp, wanneer een voorgaand woord in de zin reeds op een s eindigde. Een schemerende s kennen we uit het Indo-Europees, zoals in het geval van de wortel *(s)teg- met enerzijds onder meer Grieks stegō ‘bedekken’ en Litouws stógas ‘dak’ en anderzijds onder meer Latijn tegō ‘bedekken’ en Germaans *þaką ‘dak’, ouder *togom. Het is voorstelbaar dat zulke schemering ook in het Germaans na de klankverschuivingen gebeurde. Aldus is bijvoorbeeld Nederlands plegen ‘begaan, gewoon zijn’ te verbinden met Middelhoogduits spulgen ‘gewoon zijn’.

Twee andere duidingen

Lühr en Matzel waren niet de eersten die hiermee kwamen. Zo had reeds in 1896 hun vakgenoot Ernst Zupitza dezelfde gedachte, uitgerekend over Westgermaans *paþ ‘pad’. Hij herleidde het tot een ouder, Germaans *spaþą bij dezelfde Indo-Europese wortel als Latijn spatium ‘ruimte, afstand’. Min of meer dezelfde duiding werd ruim een eeuw later in 2017 gegeven door het EWA (Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen) onder leiding van Lühr, zij het zonder verwijzing naar Zupitza.

Het naslagwerk verwerpt een Scythische herkomst en geeft nog een tweede mogelijkheid: dat *paþ voor de Germaanse klankverschuivingen ontleend is aan Keltisch *batos, een woord waarvan de oorspronkelijke betekenis ‘gang’ nog schuilt in Oudiers bath muir ‘gang der zee’ als naam voor de zee tussen Ierland en Brittannië maar anderszins verschoven is, getuige Oudiers bath ‘dood’ en Middelwels bad ‘pest’. Dat is zelf klankwettig te herleiden tot ouder *gh2tós als afleiding van de Indo-Europese wortel *geh2 ‘gaan, treden’. Deze duiding verklaart echter niet waarom naast Westgermaans *paþ zoals gezegd de vormen *paþi en *paþu bestonden. Net die veelvormigheid in uitgang of verbuiging heeft een woord dat beslist niet ontleend is: Westgermaans *sal ‘gebouw, vertrek’ met de nevenvormen *sali en *salu, waarvan de laatste zich ontwikkelde tot Nederlands zaal.

Op paden wordt getreden

Wat het EWA net als enkele andere werken geheel niet overweegt is dat *paþ van klanknabootsende of klankschilderende aard is. Deze kijk is reeds enkele keren verkend, bijvoorbeeld door Ferdinand Sommer in 1977. Zo is er een reeks werkwoorden die in vorm zeer na staan en uitgaan van een hoorbare aanraking, vaak van neerkomende voeten, waaronder Beiers pfadeln ‘waden’, Elzassisch pfattle ‘waden door water, modder of gras’, Rijnlands paddeln ‘waden door water of modder, plonzen,’ Mecklenburgs paddeln, paddern ‘klunzig voortgaan’, Oostfries patjen ‘waden, luid door water gaan’, Fries patsje ‘kussen’, gewestelijk Zweeds padra ‘tikken van regendruppels’, gewestelijk Noors patla ‘wegtrippelen’ en (gewestelijk) Engels pad, paddle, pat, pattle, patter met betekenissen die uiteenlopen van ‘tikken’ en ‘neerdrukken’ tot ‘stappen’ en ‘(hoorbaar) door water of modder lopen’.

Gezien de wijde verbreiding zijn deze tezamen op zijn minst een erfenis uit het Germaans en vermoedelijk ouder. Scherper gezegd zijn ze—los van achtervoegsels—te herleiden tot een enkel werkwoord met de verbuiging *pattōþi (3e ev.), *padunanþi (3e mv.), klankwettig uit ouder, gewestelijk Indo-Europees *batnéh2ti, *batn̥h2énti. Daarin is *bat- de wortel, is *-neh2-/*-n̥h2 een bekend achtervoegsel ter aanduiding van herhaling of versterking en zijn *-ti en *-enti de uitgangen. Het Germaans had tal van werkwoorden van dien aard, waarvan de kenmerkende wisseling van de middelste medeklinker, in dit geval *tt en *d, dus het gevolg was van het al dan niet versmelten met de *n van het oorspronkelijke achtervoegsel.

Deze wortel *bat- is ook te herkennen in woorden als Latijn bātuō, battuō (jonger battō) ‘slaan, bonzen, stampen’, gewestelijk Russisch bótatь ‘trappelen, stampen’ (zo niet ‘kloppen’), Servo-Kroatisch bȁt ‘hamer’ en Pools bat ‘zweep’. Van belang in het Germaans zijn verder vooral Westfaals patte ‘plas van water, melk of bloed’ en Twents pat, patte ‘gier, vloeibare mest; gierkuil, mestkuil, mestvaalt; grote plas; goot’, gewestelijk Engels pat ‘varkenstrog’ en Finland-Zweeds patt ‘klein dal’. Noemenswaardig zijn ook gewestelijk Engels poot ‘poel’ en Fries puot ‘(dikke) meelpap’, met een klinkerwisseling die we kennen van bijvoorbeeld groeve naast graf.

Ook sommige namen van draslanden en stromen zijn tot deze wortel te rekenen. Meest voor de hand ligt de Peel (1192 Pedele) voor het ooit uitgestrekte veengebied in Noord-Brabant en Limburg. Daaraan beantwoordt wel het eerste lid van de Pfedelbach (1037 Phadelbach) in Baden-Württemberg. Met een r hebben we de Pader (12e eeuw Pathere) in Noordrijn-Westfalen en de Pfatter en Pfettrach in Beieren. Een bijstroom van de Zenne is de Pede (1144 Pethe) in Vlaams-Brabant en in het noorden vinden we een dorp met de naam Pesse (1141 Petthe) in Drenthe, vermoedelijk ooit verwijzend naar het oud veen of moer daar.

Dieper in de tijd is de wortel te vereenzelvigen met die in woorden als Grieks battarízō en battologéō ‘stamelen’ en Bretons badaoui ‘onbezonnen praten’ en in het Germaans met klankverschuiving bijvoorbeeld IJslands pata ‘kletsen’, Finland-Zweeds pattra ‘kletteren; roddelen; stotteren’ en Middelnederduits pateren ‘luid, eentonig praten’. Voor het betekenisverband is te vergelijken hoe Nederlands kletsen en klappen beide verwijzen naar zowel een vorm van ‘slaan’ als een vorm van ‘praten’. Ook praten zelf is te beschouwen als oorspronkelijk een klankwoord.

De afleiding

Als pad dan inderdaad tot deze klanknabootsende of klankschilderende wortel behoort is voor de oorspronkelijke betekenis iets als ‘treding’ aan te nemen, aanvankelijk met de gedachte aan hoorbare voetstappen, al dan niet in de modder. Hieraan herinnert mogelijk dat het woord in onze taal ook ‘voetspoor’ naast ‘smalle weg’ betekende. En aangezien oude paden niet zelden enige verdieping kenden, hol waren, kon het woord ook de betekenis ‘dal’ krijgen. De oude nevenvormen van pad zijn tot slot te begrijpen indien de afleiding aanvankelijk een s-stam was (zie noot).

Noot
Germaans *paþaz (1e/4e nv. ev.) werd Westgermaans *paþ en vandaar Nederlands pad e.d. Vanuit de verbuiging *paþez- (ouder *padez-) ontstond de i-stam *paþiz, later Westgermaans *paþi en vandaar Oudhoogduits pad, gewestelijk Engels peth en door vroege ontlening Fins pade en Karelisch pajeh. Vergelijk hoe Germaans *salaz (1e/4e nv. ev.) ‘gebouw, vertrek’ en zijn verbuiging *salez- leidden tot o.a. Oudhoogduits sal en Oudsaksisch seli. Een vrouwelijke nevenvorm *paþō, later Westgermaans *paþu, als voorloper van Oudengels paþu, is evenredig aan *salō, later Westgermaans *salu, als voorloper van Middelnederlands sale en uiteindelijk Nederlands zaal.

Verwijzingen

Bailey, H. W. & A.S.C. Ross, “Path”, in Transactions of the Philological Society 60-1 (1961), blz. 107–42

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)

Blöndal Magnússon, Á., Íslensk orðsifjabók (Reykjavik, 1989)

Bruce, E., “Järnbäraland”, in Från stad och bygd i Medelpad 11 (1957), blz.

Bynon, Th., “Concerning the etymology of English path”, in Transactions of the Philological Society 61-1 (1966), blz. 67–87

Doornkaat Koolman, J. ten, Wörterbuch der ostfriesischen Sprache, 3 Bde. (Norden, 1879–84)

Gallée, J.H., Woordenboek van het Geldersch-Overijsselsch dialect (Deventer, 1895)

Green, D.H., Language and History in the Early Germanic World (Cambridge, 2002)

Greule, A., “Neues zur Etymologie von nhd. Pfad”, in Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 94 (1980), blz. 208–19

Greule, A., Deutsches Gewässernamenbuch (Berlijn, 2014)

Grimm, J. & W., Deutsches Wörterbuch, 16 Bde. in 32 Teilbänden (Leipzig 1854-1961)

Gysseling, M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (1960)

Hultman, O.F. “Medelpad”, in Xenia Lideniana: festskrift tillägnad professor Evald Lidén på hans femtioårsdag den 3 oktober 1912 (1912), blz. 176–9

Kluge, F., Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, 1. Auflage (Straatsburg, 1883)

Kluge, F. & E. Seebold, Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, 24., durchgesehene und erweiterte Auflage (2002)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Lühr, R. & K. Matzel, “Eine weitere Möglichkeit der Genese von anlautendem germ. *p-”, in Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 99 (1986), blz. 254–77

INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)

INL, Oudnederlands Woordenboek (webuitgave)

INL, Wurdboek fan de Fryske taal / Woordenboek der Friese taal (webuitgave)

Lühr, R. e.a., Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen. Band VI: mâda – pûzza (Göttingen, 2017)

Martin, E. & H. Lienhart, Wörterbuch der elsässischen Mundarten (webuitgave)

Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)

Mayrhofer, M., ‘Germano-Iranica’, in Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung 84-2 (1970), blz. 224–30

Müller, J. & H. Dittmaier, Rheinisches Wörterbuch (webuitgave)

Niebaum, H. e.a., Westfälisches Wörterbuch, 5 Bde. (Neumünster, 1969–2021)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Pokorny, J., Indogermanisches etymologisches Wörterbuch (Bern, 1959)

Rietz, J.E., Svenskt dialektlexikon: ordbok öfver svenska allmogespråket (1862–7)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Kotus, Suomen etymologinen sanakirja (webuitgave)

Schiller, K. & A. Lübben, Mittelniederdeutsches Wörterbuch, 6 Bde. (Bremen, 1875–81)

Schmeller, J.A., Bayerisches Wörterbuch (München, 1827–37)

Sommer, F., Schriften aus dem Nachlaß (München, 1977)

Tacitus, P.C., Germania, translated with introduction and commentary by J.B. Rives (Oxford, 2002)

Torp, A. Nynorsk etymologisk ordbok (Kristiania, 1919)
Vendell, H., Ordbok över de östsvenska dialekterna, vol. 3 (Helsingfors, 1906)

Vliet, G. van der, Dialexicon Twents (webuitgave)

Vries, J. de, Nederlands etymologisch woordenboek (Leiden, 1971)

Wossidlo, R. & H. Teuchert, Mecklenburgisches Wörterbuch (webuitgave)

Wright, J., The English Dialect Dictionary, 6 vol. (Londen, 1898-1905)

Zupitza, E., Die germanischen Gutturale (Berlijn, 1896)

Plaats een reactie