Een god der Saksen

Bewaard in enkele middeleeuwse handschriften is de herinnering aan een god die lang geleden door de Saksen vereerd werd, als Sahsnôt op het vasteland en Seaxnéat op het eiland west van ons. We zoeken uit wat zijn naam betekent en wie hij werkelijk is.

De baren tartend

In de vijfde eeuw van onze jaartelling varen er Germanen in groten getale—mannen, vrouwen, kinderen—weg vanuit de streken langs de Duitse Bocht om zich voorgoed te vestigen op het eiland Brittannië, dat tevoren door de Romeinen zo goed als verlaten is. Ze bestaan vooral uit Angliī, Saxōnēs en Iutī, zoals ze in Latijnse geschriften heten, en stichten hun koninkrijken op het land van de reeds aanwezige Kelten, die daarbij ten dele naar het westen verdreven worden, ten dele opgenomen.

Deze volksverhuizing komt niet uit het niets. Zeevaarders uit die hoek van Germanië hebben dan al ruim anderhalve eeuw de noordwestelijke kusten van het Rijk onveilig gemaakt en daarbij de nodige beruchtheid vergaard. Zo schetst in 480 de onderlegde Gallo-Romeinse schrijver en bisschop Sīdōnius Apollināris in een brief aan een vriend nogal een beeld van de Saxōnēs met hun ‘gebogen schepen’: hoe ze één voor één in de kunst van het zeeroven onderricht zijn, altijd bij verrassing aanvallen, immer weten in te halen en weg te komen en elke weerstand minachten; dat ze als de meest woesten aller vijanden even vertrouwd met de ruwe zeeën zijn als met zichzelf, schipbreuk slechts als oefening zien en op terugreis bij loting iedere tiende gevangene overboord duwen als een huiveringwekkend godsdienstig offer in grote ernst. Aan wie dat offer gemaakt wordt zegt hij niet.

Vijfde- of zesde-eeuws schegbeeld gevonden in de Schelde bij Appels, Oost-Vlaanderen
Hun naam

Saxōnēs is een verlatijnsing van Westgermaans *Sahsan, enkelvoud *Sahsō. Algemeen wordt aangenomen dat deze naam afgeleid is van het woord *sahs, voor een snij- en steekwerktuig in verschillende hoedanigheden, ook lang en nagenoeg een zwaard, dat behoorde tot hun vaste uitrusting, verwant aan de woorden *sagu ‘zaag’ en *sagisnu ‘zeis’. Voor *mati ‘eten’ was er het kleinere *matisahs, een samenstelling die zich ontwikkelde tot onder meer Oudengels meteseax en Nederlands mes. Voor het scheren was er het *skerasahs, vanwaar bijvoorbeeld Oudsaksisch skersahs en Westvlaams scheers. Van belang dan is dat Sīdōnius in een andere brief schrijft dat de ‘blauwoogde’ Saxō de gewoonte heeft om het haar rondom het hoofd weg te scheren.

Door het uiteengroeien van taal ontwikkelde hun naam zich in verschillende richtingen. Op het vasteland werd hij onder andere Oudsaksisch Sahson en Middelnederlands Sassen, later Zassen. De voor ons nu gangbare vorm Saksen is eigenlijk de Hoogduitse voortzetting. Op het eiland veranderde de naam in Oudengels Seaxan, met daarnaast de kortere vorm Seaxe, een meervoud dat ook gebruikt werd in de samenstellingen Éast-Seaxe, West-Seaxe, Súþ-Seaxe en Middel-Seaxe ter aanduiding van vroegere groepen, thans voortlevend als de streeknamen Essex, Wessex, Sussex en Middlesex. Later, lang na hun kerstening, waren de Germanen van Brittannië verenigd tot een enkel volk en koninkrijk: het Engelse.

Een goddelijke voorvader

De Éast-Seaxe hadden aanvankelijk hun eigen vorsten, die volgens een negende-eeuwse stamboom begon bij ene Seaxnéat, vader van Ġeseċġ, vader van Andseċġ, vader van Swæppa, enzovoort. Geen ander vostenhuis op het eiland boog op die eerste voorvader. Ter onderscheiding: rond het jaar 700 vertelt de zeergeleerde geschiedschrijver en monnik Béda dat de koningen van Kent afstammen van Wóden, overigens zonder die een god te noemen. Later werd Wóden ook in de stamboom der Éast-Seaxe ingevoegd als vader van Seaxnéat, getuige een bijlage van de vroeg twaalfde-eeuwse Chronicon ex chronicis van Jan van Worcester. Zulke opsmukking van afkomst was indertijd niet zeldzaam. Verder wordt in de Engelse overlevering niet van Seaxnéat gerept en hij zou ons niets meer dan een naam zijn als hij niet elders in een handschrift gevonden was.

Dat handschrift, onderdeel van de Cōdex Palātīnus Latīnus 577, is al enige eeuwen in het bezit van het Vaticaan doch moet oorspronkelijk in de buurt van het jaar 800 opgesteld zijn in Mainz, Fulda of Hersfeld—de meningen zijn verdeeld—alle in de buurt van Frankfurt am Main, een stad die zelf ooit gold als bolwerk van de christelijke Franken in hun langslepende strijd tegen de heidense, door hen te bekeren Saksen. In het handschrift bevindt zich een voorbeeld voor een doopgelofte, zoals een geestelijke had af te nemen bij een dopeling. Die is bovenaan afgebeeld en gaat met overzetting en vertaling als volgt:

Forsachistu diobolae? Et respondeat: ec forsacho diobolae. End allum diobolgeldę? Respondeat: end ec forsacho allum diobolgeldae. End allum dioboles wercum? Respondeat: end ec forsacho allum dioboles wercum and wordum, Thunaer ende Woden ende Saxnote ende allum them unholdum, the hira genotas sint.

Verzaak je de duivel? En hij/zij antwoorde: ik verzaak de duivel. En alle duivelsoffers? Hij/zij antwoorde: en ik verzaak alle duivelsoffers. En alle werken des duivels? Hij/zij antwoorde: en ik verzaak alle werken en woorden des duivels, Thunaer en Woden en Saxnot en al die boze geesten die hun genoten zijn.

Op de volgende bladzijde gaat het verder:

Gelobistu in got alamehtigan fadaer? Ec gelobo in got alamehtigan fadaer. Gelobistu in Crist, godes suno? Ec gelobo in Crist, gotes suno. Gelobistu in halogan gast? Ec gelobo in halogan gast.

Geloof je in God de almachtige Vader? Ik geloof in God de almachtige Vader. Geloof je in Christus, Gods zoon? Ik geloof in Christus, Gods zoon. Geloof je in de Heilige Geest? Ik geloof in de Heilige Geest.

Hierin zijn Thunaer en Woden—lees Wóden met lange, gesloten ó—gelijk te herkennen als de namen van twee bekende Germaanse goden, bij ons vooral voortlevend in de verbindingen donderdag en woensdag. Donder was de heer van het hemelgeweld en de strijd tegen reuzen, Woen kende men als de heer van de dichtkunst, zieners en vervoering, ook op het slagveld. De naam Saxnot—lees Saxnôt met lange, open ô—is een volle evenknie van Seaxnéat en verwijst hier klaarblijkelijk naar een heidense godheid.

Overdracht

Opvallend aan deze doopgelofte is dat ze de kenmerken van minstens drie Germaanse talen vertoont, een blijk dat ze een tweemalige bewerking van een eerder werk is. Zo zijn de woorden halogan gast—lees hálogan gást met lange á—gezien de klinkers duidelijk Oudengels van vorm en een aanwijzing dat de eerste uitvoering opgesteld was door een Engelsman, zoals de kerstening der Friezen en Saksen op het vasteland destijds goeddeels het werk van Engelsen was, waaronder Adelbert, Bonifātius, Willebrord en Willehad. Daarentegen is bijvoorbeeld forsacho een vorm van Oudhoogduits, vermoedelijk vanuit de taal van degene die dit handschrift wrocht als laatste bewerking of afschrijving.

Voor het overige zijn de meeste woorden in de gelofte, ook de godennamen, te herkennen als Oudsaksisch of Oudnederlands, twee talen die weinig van elkaar verschilden en dus moeilijk uit elkaar te houden zijn. Aangezien de Saksen hier de doelgroep waren en dit handschrift zoals gezegd in de buurt van Frankfurt geschreven was ligt Oudsaksisch meer voor de hand en spreekt men in dezen vaak van de Oudsaksische doopgelofte. Evenwel hebben geleerden als Maurits Gysseling en Marco Mostert betoogd dat de eerste bewerking gebeurde in de kloosterschool van Utrecht, een belangrijke schakel en tussenstop voor de Engelse zendelingen op het vasteland. Aldus staat ze ook bekend als de Utrechtse doopgelofte. Daarmee is echter niet bewezen dat die eerste bewerking in het Oudnederlands was, want de wereld der Saksen omvatte ook het noordoosten van wat nu Nederland is, met de Veluwe als grens, was daarmee geheel niet ver van Utrecht gelegen.

In het handschrift volgt meteen na de doopgelofte de indiculus superstitiōnum et pāgāniārum, een lijstje van gelaakte zeden en bijgeloven onder de heidenen, in het Latijn opgesteld door een Engelse zendeling doch met toevoeging van enkele woorden in het Oudsaksisch of Oudnederlands. Een daarvan is nôdfýr, de voorloper van noodvuur, voor het wijdverbreide en na de kerstening nog langlevende gebruik onder Germanen, Kelten en Slaven om met wrijving van hout een plechtig vuur aan te leggen ter afwering van ziekte en hekserij. Een ander woord ter lijst is nimidas ‘woudheiligdommen’, dat in derde naamval ook te herkennen is in de oude oordnaam Nimeden, Nemeden, nu Nemden in Nedersaksen. Dat is niet ver van Kalkriese, waar zich in 9 n.Chr. de Slag bij het Teutoburgerwoud voltrok en volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus in zijn Annālēs meer dan één lūcus ‘heilig bos’ in de buurt was. Het enkelvoud schuilt denkelijk in *Nimidlo, met lo ‘(gewijde) open plek in het bos; licht bos’ (een evenknie van lūcus), de veronderstelde voorloper van de oude oordnaam Nemele ten noordoosten van Zwolle. Daar op de Nemelerberg, nu de Agnietenberg geheten, stond lang een klooster.

Vereenzelvigingen

We keren weer terug naar Saxnôt. De spelling met x kan wijzen op Oudengelse invloed maar was in de Oudsaksische en Oudnederlandse overlevering niet onbekend, getuige het voorkomen op schrift van de vastelandse mansnamen Saxbald, Saxbern, Saxmund en Saxríc. Gebruikelijker was spelling met hs, zoals in Sahsa, Sahsdag, Sahshgêr en Sahsmár, want trouwer aan de uitspraak, die toen nog klonk zoals chs in goedlachs. Aldus kunnen we tevens—en zullen we nu—Sahsnôt schrijven.

Wie was hij? Hij was in elk geval belangrijk, zoals een vorstenhuis van hem zou afstammen en zoals men geacht werd hem te verzaken in één adem met twee gewichtige, wijdvereerde goden, terwijl de naam zo zeldzaam is. Dat heeft geleerden vroeg doen vermoeden dat het slechts een bijnaam was van een anderszins al bekende godheid. Zo heeft zich de vergelijking aangediend met andere mannelijke drietallen waartoe Woen en Donder behoren in het Germaanse volksgeloof.

Een daarvan heugt nog altijd in de namen der weekdagen. Toen de Germanen het gebruik van de zevendaagse week overnamen van de Romeinen zetten ze ook de bijbehorende godennamen om, zoals ze plachten elkaars goden te vereenzelvigen. Aldus zijn woensdag en donderdag van oorsprong vertalingen van diēs Mercuriī en diēs Iovis. De derde mannelijke god in de week is Dings, zoals verbasterd bewaard in dinsdag, ouder dinxendach, ter vertaling van diēs Mārtis. Zijn naam is vermoedelijk verwant aan ding in diens oudere betekenis ‘rechtsvergadering, volksvergadering’ en verschijnt in oude vorm ook in de verbinding Mārtī Thincsō op een wijsteen opgericht bij de Muur van Hadriānus door Germaanse strijders in dienst van Rome. Hij is bij andere naam dezelfde god als Tuw, de heer van recht en oorlog, geheugd in Engels Tuesday en Fries tiisdei, dus vanuit een andere vertaling van diēs Mārtis.

Een ander mannelijk drietal Germaans goden vinden we in het werk van de elfde-eeuwse Duitse geestelijke Adam van Bremen, wanneer die in zijn geschiedenis van de aartsbisschoppen van Hamburg ook een beschrijving geeft van de dan nog heidense Zweden, hoe die in Uppsala een gebouw met vergulde wanden hebben met daaromheen een grote gulden ketting en erbinnen de standbeelden van hun drie voornaamste goden: Thor in het midden en Wodan en Fricco aan weerszijden. Die laatste wordt door het volk geacht pācem voluptātemque ‘vrede en genot’ aan stervelingen te schenken, ontvangt plengoffers voor het huwelijk en is uitgebeeld cum ingentī priāpō ‘met reusachtig lid’. Naast dit gebouw staan uiterst heilige bomen waar mannen en mannelijke dieren op gezette tijden aan opgehangen worden, zegt Adam.

Heden wordt algemeen aangenomen dat Fricco dezelfde is als de god die Freyr heet in de Oudnoordse overlevering en sterk met vruchtbaarheid verbonden was. Zo meldt de IJslandse dichter en geschiedschrijver Snorri Sturluson rond 1200 dat Freyr een heiligdom bij Uppsala had laten bouwen en vertelt de Deense geschiedschrijver Saxo Grammaticus rond dezelfde tijd dat Freyr de koning was die in Uppsala met mensenoffers begon. Beide geleerden doen hier aan euhemerisme: het duiden van goden als verleden mensen.

Bronzen beeldje uit de wijkingtijd, denkelijk van Freyr, gevonden in Rällinge, Södermanland

Nochtans zijn Fricco en Freyr taalkundig geen evenknieën. Fricco bestond in de Duitse landen ook als gewone mansnaam en zou kunnen beantwoorden aan Oudengels friċċa ‘aankondiger’ of aan Oudengels friċ ‘vraatzuchtig’, voorheen wel ‘lustig, begerig’. Belangwekkend gezien het beschreven standbeeld is ook verouderd Nederlands frik ‘mannelijk lid’, al duikt dat woord niet eerder dan de zeventiende eeuw op en is het mogelijk slechts van een vorm van wrikken afgeleid. Hoe dan ook is het opmerkelijk dat Adam weliswaar zegt dat de Zweden Fricco vereren maar niet uitdrukkelijk dat ze hem zelf zo noemen. Het valt dus niet uit te sluiten dat de naam niet Oudnoords maar Oudsaksisch of Oudhoogduits was, net zoals Adam zijn lezers niet een vorm van Óðinn geeft maar Wóden.

Snorri heeft ondertussen tevens te melden dat Freyr de bijnaam Yngvi had en ook Yngvi-Freyr heette. Deze ligt ook ten grondslag aan Ingvaeōnēs/Ingaevōnēs, door de Romeinen opgeschreven als de naam van alle Germaanse stammen bij zee, waaronder uitdrukkelijk de Chaucī, die woonden in wat nu Groningen en aangrenzend Duitsland zijn en later denkelijk deel werden van de Saksen. Tacitus meldde rond het jaar 100 in zijn thans beroemde boek over Germānia dat de Ingvaeōnēs/Ingaevōnēs vernoemd waren naar hun stamvader, een van drie zonen van Mannus, zelf de zoon van Tvistō, een ‘god voorgekomen uit de aarde’. Naar dit volk zijn al in het begin van de overlevering verwijzingen in roepnamen: Ingviomērus heet in Noordwest-Duitsland een vorst der Cheruscī. Ook de Franken, Friezen en Saksen droegen vanouds niet zelden namen met Ingi-/Ingo-/Ing-. Het wil maar zeggen: deze Ing was ooit wijdvereerd en wel één en dezelfde als Freyr.

Zijn naam

De hier besproken god der Saksen is dus op het eerste gezicht mogelijk te vereenzelvigen met Tuw, de heer van recht en oorlog, dan wel met Ing, de voorvader en heer van vruchtbaarheid, doch zij niet met elkaar, daar ze duidelijk van elkaar onderscheiden werden, zoals naar elk afzonderlijk een ruinstaf of rune vernoemd was in het oude Germaanse schrift: ᛏ en ᛝ. Andere goden genoten niet die eer, aanvankelijk althans. Kan een doorgronding van de naam Seaxnéat/Sahsnôt ons dan verderhelpen?

Over diens genauwe betekenis is geen overeenstemming. Het valt niet af te lezen of het eerste lid verwijst naar de Saksen—zoals geldt voor namen als Sahsgêr en Sahsmár—of naar het werktuig waar de Saksen naar vernoemd zijn. Het tweede lid wordt meestal aan Oudengels ġenéat en Oudsaksisch ginôt gelijk geacht, evenknieën van Nederlands genoot. Zodoende wordt de naam ofwel als ‘genoot/metgezel der Saksen’ geduid, ofwel als ‘zwaardgenoot’. De Duitse geleerde Rudolf Simek in zijn doorwrochte Lexikon der germanischen Mythologie acht de eerste mogelijkheid waarschijnlijker, al geeft hij er geen reden voor.

Beide duidingen wringen echter in dat de naam niet Seaxġenéat/Sahsginôt maar Seaxnéat/Sahsnôt luidt. We zouden dan moeten aannemen dat de beide vormen onafhankelijk van elkaar al vroeg op dezelfde wijze samengetrokken zijn of dat reeds hun Westgermaanse voorloper samengetrokken was, een gang van zaken zonder weerga. En anders vergen we de aanname dat er van ġenéat/ginôt altijd al een nevenvorm zonder ġe-/gi- bestond met de betekenis ‘genoot, metgezel’, terwijl dat voorvoegsel in dezen juist de lading van ‘mede-’ draagt en dus niet zomaar weg te laten is. In het Middelnederduits, de opvolger van het Oudsaksisch, zien we weliswaar samenstellingen als buntnôt ‘bondgenoot’ en echtnôt ‘echtgenoot’, maar die tonen betrekkelijk late wegslijting van het voorvoegsel.

Nu, ġenéat/ginôt betekent eigenlijk en letterlijk ‘medegebruiker’ als afleiding van het werkwoord néotan/neotan ‘gebruiken, gebruikmaken’. Dat behelst dat een oude, oorspronkelijk voorvoegselloze afleiding *néat/*nôt als ‘gebruiker’ te begrijpen is en Seaxnéat/Sahsnôt als ‘zwaardgebruiker’. Dat het werkwoord inderdaad in verband met wapens gebruikt kon worden bewijst overigens een Oudengelse verbinding als wǽpna néotan in regel 308 van het bekende gedicht The Battle of Maldon.

Het zwaard hield verband met zowel Tuw als Ing, in tegenstelling tot de speer van Woen en de hamer van Donder. In het Oudnoordse gedicht Sigrdrífumál, deel van de Edda, lezen we dat de valkyrja genaamd Sigrdrífa onder meer de raad geeft om voor de zege ruinstaven in het heft en blad van het zwaard te kerven en twee keer Týr te noemen, oftewel de Oudnoordse tegenhanger van Tuw. Bij voorbaat lijkt een zwaard of ander snijwerktuig uitermate geschikt voor de heer van recht en oorlog, zoals het ook Vrouwe Justitia betaamt. Ondertussen wordt in Skírnismál, een ander Edda-gedicht, verhaald van het zwaard van Freyr, oftewel Ing, dat van zichzelf de zege op het reuzengeslacht bevechten kan en door de god aan zijn bode Skírnir gegeven wordt.

Negende-eeuws heftloos seax (met ruinstaven) gevonden in de Theems bij Battersea, Londen
Een krijger of vorst

Dat gezegd hebbende, neótan/neotan had een oude, Oostgermaanse evenknie met iets andere betekenissen: Gotisch (ga)niutan werd in de vierde-eeuwse bijbelvertaling door Wulfila ook gebruikt ter omzetting van Grieks tukheîn ‘bereiken, verwerven’ (Lukas 20:35) en sullambánein ‘verkrijgen, vangen’ (Lukas 5:19). Zulks toont ook een afleiding: Gotisch nuta stond voor Grieks zōgrṓn ‘vangend’ (Lukas 5:20). Voor J.R.R. Tolkien, die zich als taalkundige bijna honderd jaar geleden erover boog, was het duidelijk dat het Gotisch daarmee zelfs de oudere betekenissen van dit Germaanse werkwoord bewaarde.

Hij herkende dit werkwoord ook als een verwant van Nodons, de naam van een Britse godheid die tijdens de Romeinse bezetting van het eiland vereerd werd en in enkele inschriften vereenzelvigd werd met Mārs, net als Tuw. En hij zag de naam ook als hoogstwaarschijnlijk oorspronkelijk gelijk aan Nuadu, die volgens de oude Ierse overlevering gedragen werd door een koning van het bovenmenselijke volk der Tuatha Dé Danann. Hem was eens op het slagveld de hand afgehouwen en vervangen met een zeer vernuftige zilveren kunsthand, vanwaar hij de bijnaam Argetlám ‘Zilverhand’ had. Dit doet uiteraard denken aan hoe Týr, de Oudnoordse tegenhanger van Tuw, zijn hand als borg verloor in de muil van de monsterwolf Fenrir. Vanuit dat verhaal stond de pols ook bekend als de úlfliðr ‘wolfledemaat’.

Hieruit volgt niet dat onze Saksengod gelijk is aan Tuw, maar het valt nu wel te overwegen dat het tweede lid van Seaxnéat/Sahsnôt toch niet ‘gebruiker’ beduidt maar ‘verkrijger’ o.i.d. En dat ligt niet ver van ‘krijger’ of zelfs ‘heer, vorst’, als we het vergelijken met bijvoorbeeld Oudengels fenġel ‘heer, vorst’, eigenlijk ‘vanger, grijper’, in verband met zege, roem en buit. Een dergelijke duiding van Seaxnéat/Sahsnôt is veertig jaar geleden gegeven door de Zwitserse taalkundige Heinrich Wagner. Daaraan kunnen we toevoegen dat Middeliers nuada ook als algemeen woord voor helden gebruikt werd en dat daarnaast een Middeliers nuadat bestond in de kennelijke zin van ‘hand’ of ‘arm’, te vatten vanuit een ouder ‘vanger, grijper’.

Dieper gewroet

Doch bij nader inzien moet het onderhavige werkwoord een nog oudere betekenis gehad hebben. Daarop wijst het voorkomen van o.a. gewestelijk Duits Nüss/Nöss ‘stoot, slag’ (ouder *nut-) en nuschen ‘slaan, stoten’. De Germaanse *t is verschoven uit een Indo-Europese *d, zoals bewaard door Nodens en Nuada, dus buiten het Germaans beantwoorden bijvoorbeeld ook nog Sanskriet -nud- ‘stoot’ en nudáti ‘stoten, duwen’. Dat laatste komt voor in de Ṛgvedá, de reusachtige bundel met lofdichten op de goden, in krijgshaftige regels als nudásva yā́ḥ parispṛ́dhaḥ (9,53,1) ‘stoot de wedijveraar weg’, ápānudo jánam amitrayántam (10,180,3) ‘je verstootte de vijanden’ en ágne manyúm pratinudán páreṣām (10,128,6) ‘Agni, de kwade zin van anderen (tegenstanders) omstotend’.

De wortel van al deze woorden had dus aanvankelijk de betekenis ‘treffen, stoten’ en vandaar de reeds besproken betekenissen ‘bereiken’, ‘verkrijgen’, ‘vangen’ en ‘gebruiken’. Een vergelijkbare ontwikkeling had Grieks tukheîn, dat in de betekenis ‘bereiken, verwerven’ vertaald werd door Gotisch niutan, zoals we zagen, maar meer oorspronkelijk ook ‘treffen’ beduidde. Daaruit volgt dat het tweede lid van Seaxnéat/Sahsnôt tevens als ‘treffer, stoter’ te duiden is. Dat is allicht alsnog als ‘krijger’ te begrijpen, maar in verband met geslachtsgemeenschap valt ook ‘bevruchter’ te overwegen als we terugdenken aan de uitgebeelde eigenschappen van Yngvi-Freyr/Fricco, de voorvaderlijke god van vruchtbaarheid. Ter vergelijking: Óðinn was in het volksgeloof zowel krijger als verwekker en voorvader, had Gautr ‘hij die giet’ als een van vele bijnamen, maar ook Njótr, waarvan de genauwe betekenis onwis is maar die zonder twijfel behoort tot de onderhavige wortel.

Laatste overwegingen

Een ontleding van de naam van onze Saksengod kan dus geen uitsluitsel bieden, alleen tonen dat met het tweede lid geen ‘genoot, metgezel’ bedoeld werd, in tegenstelling tot gangbare opvattingen, maar iets als ‘krijger’ of ‘heer’ of heel misschien ‘bevruchter’. Daarmee hebben we geen antwoord op de vraag of hij eigenlijk Tuw of Ing was, als hij niet een volledig andere was, hoewel dat bij gebrek aan aanwijzingen geen aantrekkelijke mogelijkheid is. Het is onmiskenbaar dat het in het Germaanse volksgeloof zeer gewoon was om nieuwe namen te hebben voor godheden. En bij roeming op afstamming ervan, zoals de koningen der Éast-Seaxe deden, is het welgelegen om de eigen volksnaam in die bijnaam te verwerken of anderszins ertoe te betrekken.

Die beweerde afstamming spreekt voor vereenzelviging met Ing, die volgens Tacitus gezien werd als voorvader van de Germanen langs de zee, een tak waartoe merendeels de stammen behoord moeten hebben die later de Saksen vormden. Aan de andere kant, er zijn in hun gebieden en die van naburige volken geen oordnamen bekend die gewis of tenminste mogelijk naar Ing verwijzen. Dat geldt wel voor Tuw, met voorbeelden als Tíweslé, nu Tuesley (Surrey), Tysselt, nu Tisselt (Antwerpen), en Tuesveld, nu Tusveld (Overijssel). Zo ook oude geslachtsnamen die gevormd zijn met het achtervoegsel -ing, dat afstamming en toebehoren aanduidde, met name Tíwingum, nu Tewin (Hertfordshire), en Tuwinga (Groningen). Te meer, Tuws bijnaam Dings had een oude nevenvorm Dijs, getuige gewestelijk Middelnederlands dijssendach naast dinxendach, die ook te herkennen is in Thísingheim, nu Dieseghem (Antwerpen), en Dijseghem (Oost-Vlaanderen). In de eerste van die twee werd vanouds recht gesproken, in lijn met Tuws rol als heer van recht en oorlog.

Maar wat misschien wel het meest voor de gelijkstelling met Tuw spreekt is de hoedanigheid van een belangrijk heiligdom der heidense Saksen: de Irminsúl die in 772 door de Franken verwoest werd na de verovering van de belangrijke heuvelvesting Eresburg, nu Marsberg (Westfalen). Van deze súl ‘zuil’ wordt in meerdere bronnen gewag van gemaakt, al zijn ze niet eenduidig of er meer dan één was. Rudolf van Fulda heeft een kleine eeuw na de slag het volgende erover te zeggen:

Truncum quoque lignī nōn parvae magnitūdinis in altum ērēctum sub dīvō colēbant, patriā eum linguā Irminsūl appellantēs, quod Latīnē dīcitur ūniversālis columna, quasi sustinēns omnia.

En ze vereren een boomstam van niet geringe grootte, hoog onder hemel opgericht, die ze vanuit hun taal de Irminsúl noemen, wat in het Latijn ‘algemene zuil’ heet, alles ondersteunend als het ware.

Voorstellingen van dien aard zijn heinde en verre in het verleden te vinden, binnen en buiten het Indo-Europese bereik. In de Atharvavéda, drieduizend jaar geleden geschreven in India, wordt Bráhman, het Opperwezen of Wezen Zelve, ook de Skambháḥ ‘Zuil, Stut, Drager’ genoemd als de ondersteuning van hemel en aarde en alle schepselen daarin. John Batchelor meldt in 1901 in zijn beschrijving van de Ainu, het inheemse volk van noordelijk Japan, dat ze vele kamui ‘geesten’ kennen doch één Kamui boven alle, die ze ook zien als de Tuntu ‘Zuil’, in hun ogen de levende, denkende ondersteuner van het heelal. De Oudnoordse overlevering heeft Yggdrasill als de goddelijke boom te midden van het bestaan en de Grieken hadden in Delphoí de Omphalós ‘Navel’, een steen die Zeùs geplaatst had waar hij na zoeken met zijn twee arenden het middelpunt van de aarde gevonden had.

Zeùs en Tuw zijn twee van meerdere ‘voortzettingen’ van de oorspronkelijke Vader Hemel van het oudere, Indo-Europese volksgeloof. Zeùs stond bekend als de medéōn ‘heerser’ (eigenlijk ‘meter, ordenaar’) van de kósmos ‘ordening, wereld’ en had Kosmētḗs ‘Ordenaar’ als een van vele bijnamen. Zeùs zelf betekent ‘Hemel’, Tuw is daaraan verwant en betekent ‘Hemelse, God’. Dat maakt het aannemelijk dat de Irminsúl, het belangrijke heiligdom van de Saksen, die hoge zuil in de open lucht, aan Tuw gewijd was. En dat behelst dat de heidense Saksen in de tijd van de doopgelofte gewis ook Tuw hadden af te zweren. Dan is er enige reden om aan te nemen dat Seaxnéat/Sahsnôt naar hem verwees. De genauwe betekenis blijft nog wel onwis, maar ‘Saksenheer’ is een veilige keuze.

De rol van Tuw werd in het late heidendom grotendeels overgenomen door de zienergod Woen oftewel Óðinn, die in de Oudnoordse overlevering ook Alfǫðr ‘Alvader’ (zo niet ‘Alschikker’) heet, met zijn vrouw Frigg vanuit zijn zetel in Ásgarðr over de wereld uitkijkt, zijn twee raven uitstuurt ter kennisneming, gehuld is in een blauwe of gevlekte mantel (de hemel) onder een brede hoed (het uitspansel) en één oog heeft (de zon). Hij leidt ook het Wilde Heer door de lucht, dat in Zwitserland vanouds naar hem Wuetishēr heet, met nevenvormen als Muetishēr. Aldus is hij ook te herkennen in een oud Zwitsers raadsel van de sterrenhemel: der Muet mit dem breiten Huet het mēr Gäst wëder der Wald Tannäst, d.w.z. ‘M. met de brede hoed heeft meer gasten dan het woud dennentakken’. Nochtans is het zeer de vraag of Woen ook ingeslopen ware in de zeer oude voorstellingen en plechtigheden rond de Irminsúl.

Verwijzingen

Batchelor, J., The Ainu and their Folk-Lore (Londen, 1901)

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Cleasby, R. & G. Vigfússon, An Icelandic-English Dictionary (Oxford, 1874)

Dalton, O.M., The Letters of Sidonius (Oxford, 1915)

Forester, Th.A.M., The chronicle of Florence of Worcester With the Two Continuations (1854)

Förstemann, E., Altdeutsches Namenbuch, 1. Band: Personennamen, 2. völlig umgearbeitete Auflage (Bonn, 1900)

Gallée, J.H. & H. Tiefenbach, Altsächsische Grammatik, 3. Auflauge (Tübingen, 1993)

Hamer, R., A Choice of Anglo-Saxon Verse (Londen, 1970)

Heyne, M., Altniederdeutsche Eigennamen aus dem neunten bis dem elften Jahrhundert (Halle, 1867)

Homann, H. e.a., “Indiculus superstitionum et paganiarum”, in Reallexikon der Germanischen Altertumskunde 15 (Berlijn, 2000), blz. 369–84

Jamison, S.W. & J.P. Brereton, The Rigveda. The Earliest Religious Poetry of India, Vol. I-III (New York, 2014)

Jellinghaus, H., Die westfälischen Ortsnamen nach ihren Grundwörtern (Osnabrück, 1923)

Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn, 1969)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Kümmel, M. e.a., Addenda und Corrigenda zum Lexikon der indogermanische Verben (2025)

Lehmann, W.P., A Gothic Etymological Dictionary (Leiden, 1986)

Loon, J. Van, Lo, donk, horst: Taalkunde als sleutel tot de vroege middeleeuwen (Gent, 2017)

Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)

Mayrhofer, M., Etymologisches Wörterbuch des Altindoarischen, I-III (Heidelberg 1992–2001)

Mostert, M., “Communicating the Faith. The Circle of Boniface, Germanic Vernaculars, and Frisian and Saxon Converts”, in Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik 70 (Amsterdam, 2013), blz. 87–130

Neri, S. & S. Ziegler, »Horde Nöss«: Etymologische Studien zu den Thüringer Dialekten (Bremen, 2012)

Renswoude, O. van, “Heidense oordnamen in de Lage Landen”, op Taaldacht.nl (2022–heden)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Schröder, F.R., Quellenbuch zur germanischen Religionsgeschichte (Berlijn/Leipzig, 1933)

Sellar, A.M., Bede’s Ecclesiastical History of England (Londen, 1907)

Simek, R., Lexikon der germanischen Mythologie, 3. Auflage (Stuttgart, 2006)

Staub, F. e.a., Schweizerisches Idiotikon (Frauenfeld, 1881–heden)

Sturluson, S., Edda, translated by A. Faulkes (Londen, 1987)

Sturluson, S., Heimskringla, translated by A. Finlay and A. Faulkes (Londen, 2015)

Sweet, H., The Oldest English Texts (Londen, 1885)

Tacitus, P.C., Annales, vertaald door Ben Bijnsdorp (webuitgave)

Tacitus, P.C., Germania, translated with introduction and commentary by J.B. Rives (Oxford, 2002)

Tiefenbach, H., Altsächsisches Handwörterbuch / A Concise Old Saxon Dictionary (Berlijn/New York, 2010)

Tolkien, J.R.R., “The Name “Nodens””, in Report on the Excavation of the Prehistoric, Roman, and post-Roman Site in Lydney Park, Gloucestershire (1932), blz. 132–7

Toner, G. e.a., Dictionary of the Irish Language (DIL) (webuitgave)

Turville-Petre, G., Myth and Religion of the North: The Religion of Ancient Scandinavia (Londen, 1964)

Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, I-II, 3. unveränderte Auflage (Berlijn, 1970)

Vries, J. de (vert.), Edda. Goden- en heldenliederen uit de Germaanse oudheid, 10e druk (Deventer, 1999)

Wagner, H., “Zur Etymologie von keltisch Nodons, Ir. Nuadu, Kymr. Nudd/Lludd”, in Zeitschrift für celtische Philologie 41 (1) (1986), blz. 180–7

West, M.L., Indo-European Poetry and Myth (Oxford, 2007)

Plaats een reactie