De godin Viradecthis
De Tungri in de zuidelijke Lage Landen vereerden in de Romeinse tijd een godin met vormen van de raadselachtige naam Viradecthis. Deze blijkt bij nieuwe beschouwing te verbinden met oude Germaanse voorstellingen omtrent de dood.
De Tungri in de zuidelijke Lage Landen vereerden in de Romeinse tijd een godin met vormen van de raadselachtige naam Viradecthis. Deze blijkt bij nieuwe beschouwing te verbinden met oude Germaanse voorstellingen omtrent de dood.
In de bodem langs de Muur van Hadrianus zijn meer dan zestig wijstenen gevonden, lang geleden opgericht voor goden, met een naam die alleen vanuit het Germaans te begrijpen is en vermoedelijk meegebracht was door manschappen uit de Lage Landen.
In delen van het Avondland bestond vanouds de voorstelling van de zonnedochter—de bruid of zuster van de hemelse tweeling. Men kent haar in Letland nog steeds, als Saules meita, en ze is ook te vermoeden in de Griekse schoonheid Helénē.
De omvochten vorstin Helénē, om haar schoonheid vermaard, heette net als andere Griekse vrouwen en godinnen leukṓlenos ‘blankarmig, witarmig’ in de Iliás en de Odússeia. Het is een samenstelling van een bijzonder slag, met verwanten in onze eigen taal.
Bewaard in enkele middeleeuwse handschriften is de herinnering aan een god die lang geleden door de Saksen vereerd werd, als Sahsnôt op het vasteland en Seaxnéat op het eiland west van ons. We zoeken uit wat zijn naam betekent en wie hij werkelijk is. Lees verder “Een god der Saksen”
Ruim twintig oorden in de zuidelijke Lage Landen en het noorden van Frankrijk hebben een vorm van de naam Gennep—en bijna allemaal liggen ze bij een samenkomst van stromen. We hebben hier zeer oud woordgoed binnen de Germaanse talen. Lees verder “Gennep is waar de wateren samenstromen”
Zuid van het duistere woud dat lang hun wereld begrensde wisten de oude Germanen van de *Albijōniz met hun witte toppen. Die naam, verwant aan Alpen voor dezelfde bergen, is oorspronkelijk gelijk aan een Keltisch woord voor de wereld en Brittannië: Albiōn. Lees verder “De Alpen als toppen der bovenwereld”
Weinig namen in de Germaanse wereld klonken zo helder als die van Wieland, de meestersmid en uitvinder die menig roemrijk wapentuig wrocht. Hij was vooral thuis op het vasteland, goed mogelijk eerst waar Zuidoost-Limburg aan het Rijnland raakt. Lees verder “Waar Wieland de Smid zijn werkhuis had”
Smukwerk uit de vroege middeleeuwen des noordens toont soms een gestalte met duim in of bij de mond. Het vermoeden van een verband met de Germaanse zienergod wordt gesterkt door twee zeldzame, vergeten Nederlandse woorden: woedenspanne en woenlid. Lees verder “Woen de Wijze en de Duim der Waarheid”
Het zo vertrouwde kleefkruid heeft vele namen, waaronder Drents en Gronings tongel en Middelnederduits tûnride. De ene is licht te begrijpen, de andere lijkt gek genoeg op Middelhoogduits zûnrite en Oudnoords túnriða, waarmee een boze geest bedoeld werd. Lees verder “In de greep van het kruid”
De verre voorloper van onze taal had twee woorden voor vuur: het ene onzijdig, het andere mannelijk. Ze zouden een tegenstelling weergeven tussen vuur als lijdzame zaak en vuur als bezielde kracht, een voorstelling die in het aloude oostervuur voortleve. Lees verder “Vuur als levend wezen”