Hoe de kikvors doet

Rustig en roerloos toeven ze vaak, als waren ze het toonbeeld van geduld en bezinning, maar nooit zijn ze ernaar vernoemd—in de Lage Landen althans, waar ze om drie heel andere eigenschappen vanouds puit, kikker en vors heten.

Vooruitziendheid

De edelste eigenschap die sinds mensenheugenis aan kikkers toegeschreven wordt is het voorspellen van regen. Al in de derde eeuw voor Christus zong de Griekse dichter Áratos in zijn Phainómena (boek I) hoe bij aanstaande regen de vaders van kikkervisjes uit het water roepen en hoe de eenzame ololugṓn dan murmelt in de vroege ochtend. Dit woord betekent elders ‘kikkerkwaking’ en hier mogelijk ‘boomkikker’. Twee eeuwen later was de Romeinse redenaar Cicerō in Dē dīvīnātiōne (I,9) verwonderd dat rānunculōs ‘kikkertjes’ in staat zijn onweer te voorzien en dichtte zijn volksgenoot Vergilius in Geōrgica (I) dat de rānae ‘kikkers’ in de modder hun oude klaaglied zingen nog voordat er regen valt. Vlak voor zijn dood in 79 na Christus wist ook Plīnius de Oudere in de Nātūrālis historia (XVIII, 87) te vertellen dat rānae in hogere mate kwaken als er onweer op til is.

Het was een wijsheid die in onze streken in de dertiende eeuw herhaald werd door de Vlaamse dichter Jacob van Maerlant in Der naturen bloeme, dat een puut ‘kikker’ de regen kan voorzien en erom zingt. In latere tijden werd onder kikkers vooral de boomkikker als weervoorspeller aangewezen, waarbij de bijzondere gewoonte bestond, in Nederland sinds tenminste halverwege de achttiende eeuw, om een boomkikker in een glas te zetten, al dan niet met een klein laddertje. De gevangene zou bij lage luchtdruk op de bodem zitten en bij hoge luchtdruk opklimmen, als een levende barometer. Dit vermogen werd in de negentiende eeuw door sommigen in de wetenschap erkend, door anderen betwijfeld. Nog in 1906 werden daartoe vervaardigde kasjes als kikkerhuisjes aangeboden voor anderhalve gulden in het geachte vakblad De Levende Natuur. Dit alles is enige jaren geleden door de Nederlandse omgevingskundige Rob Lenders nagegaan.

Leed om leed

Minder gelukkig voor kikkers was de rol die ze lang in de volksgeneeskunde vervulden. In navolging van anderen noemde Plīnius in boek XXXII van de Nātūrālis historia het ene na het andere gebruik van de leden, ingewanden, vloeistoffen en as van kikkers tegen zere ogen, zere oogleden, bloeding enzovoort. Hij noemde ook de gewoonte om al dan niet levende kikkers of delen ervan te koken en verwerken in een zalf of drank, bijvoorbeeld tegen tandzeer, hoest, zweren of overdadig haar. Dergelijke geneesmiddelen waren ook in het noorden in trek, zoals is na te lezen in o.a. het grote Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens en Van Andels Volksgeneeskunst in Nederland. Zo kookte men levende kikkers tot een zalf of boter tegen borstontsteking en gezwellen en hield men tegen koorts een kikker in de hand tot die stierf, als ware de koorts erop overdragen.

Er waren ook tijden en streken waarin deze oeverdieren enige genegenheid genoten—of ontzag—en gevrijwaard bleven. Hetzelfde Handwörterbuch meldt dat net als de zogenaamde huisslang een kikker in de kelder geacht werd het huis te beschermen tegen ongeluk. Het was hier en daar ook gewoon dat men kikkers niet kwellen en doden mocht en anders een kikkervormig gezwel op de tong verwachten kon of blind zou raken. Een kikker mocht men evenmin verachten en gewis niet opzettelijk en uit verachting bespugen.

Hoe ze hier heten

Niets van dit alles heeft in de Lage Landen tot een benaming geleid. In het zuidwesten heet een kikker vanouds een puit, een voortzetting van ouder puut, de vorm die we hierboven bij Van Maerlant zagen. Dit is een verwijzing naar de bolligheid van het dier, gezien evenknieën als Gronings poet ‘puist, buil, zweer’, gewestelijk Zweeds put ‘dik gezwel’ (met lange u) en Noors pute ‘bolster, kussen’. Verder schuilt het woord in Nederlands puitaal en omgekeerd in Engels eelpout, beide voor een schubloze vis met een dikke kop en brede bek. Verwant zijn Zweeds puta ‘bollen, uitpuilen; pruilen’ en Engels pout ‘pruilen’.

Een andere eigenschap ligt vervat in kikker, een afleiding van kikken ‘een (zacht) geluid voortbrengen’, tevens in de uitdrukking kikken noch mikken ‘geen geluid geven en zich niet verroeren’ en in de verbinding geen kik geven. Het is ook verlengd tot rikkekikken en rikkikken ‘kwaken, van kikkers’ en beantwoordt aan onder meer Westfaals kikken ‘een zacht geluid geven’, Rijnlands kicken ‘een geluid geven’ en gewestelijk Engels kick ‘stamelen, stotteren’ (maar niet aan Engels kick ‘trappen’). Gelijke en vergelijkbare woorden voor hetzelfde dier zijn Westfaals kikkert en kikfoarsk en Rijnlands Kicker, Kickert, Kickel, Kickelter, Kickemick en Kickfrosch.

En zo komen we bij de derde en verreweg oudste benaming die we ervoor hebben in onze taal: vors, al enige tijd verlengd tot kikvors. Evenknieën zijn onder meer Fries froask, Duits Frosch, gewestelijk Engels frosh en frosk en IJslands froskur, allemaal voortzettingen van Germaans *fruskaz. Alleen in het Nederlands en enkele belendende streektalen is de r naar achteren over de klinker gesprongen, zoals bijvoorbeeld ook in dorsen en vorst ‘vrieskou’ uit Germaans *þreskaną en *frustaz.

Diepere herkomst

Het is zeer waarschijnlijk dat dit derde woord verwant is aan Engels frog, ouder frogge, met de vroegere nevenvormen frock en froke. Daarnaast zien we Oudnoords frauki en frauðr in dezelfde betekenis. Die laatste vorm is door de woordkundige Guus Kroonen herleid tot een ouder *fraugr, in de vaststelling dat er in die taal soms een schippering van g en ð was in de nabijheid van een u of w, zoals in omgekeerde richting fjǫgur ‘4’ stellig teruggaat op *fjǫður, als evenknie van onder meer Gotisch (Oostgermaans) fidwor ‘4’.

De verschillende vormen van deze kikkerbenaming moeten zich ontwikkeld hebben uit de verbuiging van één enkel Germaans woord, vermoedelijk *frauhô, 2e nv. *frukkas, 3e nv. *frugeni. Diens eigen veelvormigheid, het kenmerk van menig woord in het Germaans, was het gevolg van een vroeger wisselende klemtoon en uitgang in de onmiddellijke voorloper, in dit geval gewestelijk Indo-Europees *próu̯ḱōn, 2e nv. *pruḱnós, 7e nv. *pruḱéni. De *ḱ is te herkennen als een ooit veelvoorkomend achtervoegsel voor dierennamen.

Aldus is deze benaming te begrijpen als een afleiding van de wortel *preu̯-, *prou̯-, *pru- ‘springen’, zoals voortgezet in onder andere Sanskriet právate ‘springt, hopt’ en plavaṅgaḥ en plavagaḥ ‘aap; kikker’, met een schippering van r en l die in die taal vaker voorkwam. De wortel schuilt tevens in Germaans *frawaz ‘dartel’, de voorloper van Oudnoords frár, Duits froh en Nederlands vro in vrolijk. En dan is het voornoemde *fruskaz ‘kikker’ ofwel een samentrekking van ouder *fruhskaz als verlenging van het veelvormige woord hierboven, ofwel een afzonderlijke afleiding van de besproken wortel.

Besluit

Hoewel kikkers zich ook kenmerken door onbeweeglijkheid en wijdverbreide, langlevende roem als weervoorspellers en bovendien gretig gebruikt werden in de Avondlandse volksgeneeskunde zijn ze in onze streken vernoemd naar drie andere eigenschappen: hun bolligheid (puit), hun klinken (kikker) en hun springen (vors). Die laatste vernoeming is overigens nogmaals in onze buurt gebeurd, getuige gewestelijk Nederduits hopper en höpper als afleidingen van hoppen en höppen ‘springen’. Zo doet de kikvors.

Noot
Zoals Kroonen (2013) aangeeft kan Engels frog (Middelengels frogge, Oudengels frogga) geen volle evenknie zijn van het vaak genoemde Russisch prýgatь ‘springen’, dat een lange klinker heeft, ofwel door een laryngaal, ofwel door de wet van Winter, in welk geval een Indo-Europese *g aangenomen moet worden, vanwaar een Germaanse *k.

Verwijzingen

Andel, A. van, Volksgeneeskunst in Nederland (Utrecht, 1909)

Bächtold-Stäubli, H. & E. Hoffmann-Krayer, Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens, Band 3: Freen – Hexenschuß (Berlijn, 1987)

Bakker, C., Volksgeneeskunde in Waterland. Een vergelijkende studie met de geneeskunde der Grieken en Romeinen (Amsterdam, 1930)

Blöndal Magnússon, Á., Íslensk orðsifjabók (Reykjavik, 1989)

INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Kroonen, G., The Proto-Germanic n-stems (Leiden, 2011)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Laan, K. ter, Folkloristisch woordenboek van Nederland en Vlaams België (’s-Gravenhage, 1949)

Laan, K. ter, Nieuw Groninger woordenboek, tweede druk (Groningen, 1989)

Lenders, R., “Over boomkikkers en mensen. Deel 1: cultuurhistorische aspecten”, in RAVON 36 12(2) (2010), blz. 29–34

Lloyd, A.L. & R. Lühr, Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen, Band III: fadum – fûstslag (Göttingen, 2007)

Mayrhofer, M., Etymologisches Wörterbuch des Altindoarischen, I-III (Heidelberg 1992–2001)

Müller, J. & H. Dittmaier, Rheinisches Wörterbuch (webuitgave)

Niebaum, H. e.a., Westfälisches Wörterbuch, 5 Bde. (Neumünster, 1969–2021)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Poldermans, D.A., “Geneeskunde en volksgeloof”, in Eigen Volk 2 (1930), blz. 111–3

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Svenska Akademien, Ordbok över Svenska Språket (1893-heden)

Torp, A. Nynorsk etymologisk ordbok (Kristiania, 1919)

Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk (1 s Gravenhage, 2003)

Wright, J., The English Dialect Dictionary, 6 vol. (Londen, 1898-1905)

Plaats een reactie