De godin Viradecthis
De Tungri in de zuidelijke Lage Landen vereerden in de Romeinse tijd een godin met vormen van de raadselachtige naam Viradecthis. Deze blijkt bij nieuwe beschouwing te verbinden met oude Germaanse voorstellingen omtrent de dood.
De Tungri in de zuidelijke Lage Landen vereerden in de Romeinse tijd een godin met vormen van de raadselachtige naam Viradecthis. Deze blijkt bij nieuwe beschouwing te verbinden met oude Germaanse voorstellingen omtrent de dood.
Heden bekend onder de weinig gewortelde naam moerasspirea, dit inheemse kruid is in veelvoud gevonden in zeer oude graven in Nederland en elders in het Avondland, heeft meerdere gunstige eigenschappen en heette om een daarvan ooit medezoet.
Dit jaar blijkt de korenbloem het meest geliefde inheemse kruid in de gemeente Groningen. Dat geeft reden om eens goed te kijken naar een bijzondere, oude benaming in Nederduitse streken voor deze blauwe schoonheid: tremse.
Rustig en roerloos toeven ze vaak, als waren ze het toonbeeld van geduld en bezinning, maar nooit zijn ze ernaar vernoemd—in de Lage Landen althans, waar ze om drie heel andere eigenschappen vanouds puit, kikker en vors heten.
Ruim twintig oorden in de zuidelijke Lage Landen en het noorden van Frankrijk hebben een vorm van de naam Gennep—en bijna allemaal liggen ze bij een samenkomst van stromen. We hebben hier zeer oud woordgoed binnen de Germaanse talen. Lees verder “Gennep is waar de wateren samenstromen”
Talrijk wit bloeit het aan het einde van de oostermaand. Dit kruid met eetbaar blad heet al enige eeuwen daslook en beerlook, kennelijk omdat het graag groeit waar das en beer leven: het bos. Maar hoe zit het met zijn eerdere, veel oudere naam rams? Lees verder “Een bos vol rams”
Hoor de hoeven over de heide gaan, de kiezen kauwen op kruid en struik, en bij hamel de bel van hals bengelen. Hier treedt een kudde, of een herde, om te spreken met een oud woord dat nog in herder schuilt en verwant is aan scheren—maar niet hoe u denkt. Lees verder “De herde”
Rondom hun eenzame houten vaartuig doorklieft een stel vinnen de waterspiegel. De zeelui, niet allen vertrouwd met de aanblik, zijn op hun hoede. Bij de god van het diepe, wat gaat daar? De zo getoonde vinnen lijken op delen van hun eigen scheepsboord. Lees verder “Hoe de haai aan zijn naam kwam”
Tussen de brokstukken van de Romeinse vesting Vindolanda in Noord-Engeland vond men twaalf jaar geleden een wijsteen met de voordien onbekende godinnennaam Ahuardua. En daarin was onmiddellijk een Germaans woord voor ‘stromend water’ te herkennen. Lees verder “Eer aan de wellegodin”
Het zo vertrouwde kleefkruid heeft vele namen, waaronder Drents en Gronings tongel en Middelnederduits tûnride. De ene is licht te begrijpen, de andere lijkt gek genoeg op Middelhoogduits zûnrite en Oudnoords túnriða, waarmee een boze geest bedoeld werd. Lees verder “In de greep van het kruid”
Hoe dichterlijk dat juist van het woord boom de groei en oorsprong maar lastig na te gaan zijn. Helder echter is het lange verleden van het evenwoord trie, dat in zijn reine verschijning in ons taalgebied beperkt is tot een oord aan de zuiderzoom. Lees verder “Een verhaal van boom en trie“