Tekenend als zen voor het land van de rijzende zon in het verre oosten is, de oorsprong van woord en zaak ligt er ten westen van. Het woord is afkomstig van een Indo-Europese wortel, vermoedelijk een die ook in onze taal rijkelijk aanwezig is.
Stromingen
Onder zen—spreek uit dzen—verstaat men een vorm van boeddhisme die sinds de twaalfde eeuw in Japan bestaat en zich onderscheidt door een sterke nadruk op innerlijke verzinking als een tucht om in dit leven geestelijk te ontwaken, verlicht te raken. De grootste stroming is sōtō, waarvan monniken in een landelijk netwerk van tempels vanouds uitvaarten verzorgen. Kleiner is rinzai, waaraan vroeger samurai sterk verbonden waren en waarin ook een grote rol voor kōan weggelegd is, wisse raadselen die meesters aan leerlingen voorleggen. In de loop der tijd is zen van grote invloed geweest op wijsgeren, dichters, schilders en plechtige schenkers van thee.
Doch voor het overgrote deel wordt boeddhisme in Japan sinds lang in andere vormen dan zen beoefend. Meest gangbaar, vroeger vooral onder boeren en dorpelingen, is die van het Zuivere Land waarin men herboren hoopt te worden om gemakkelijker verlichting te bereiken en vandaar verlossing. Die hergeboorte bereike men door vertrouwen in en toewijding aan Amida, een boeddha die in een ver verleden geloften hiertoe deed. Weer andere, vaak oudere vormen van boeddhisme in Japan heersten eerst in het hof en onder stedelingen en zijn gericht op gebruiken, plechtigheden en doorgronding van oude werken, niet noodzakelijk verzinking zoals in zen. Overal was vroeger evenwel verweving met shintō, het inheemse volksgeloof van het eilandenrijk waarin men eer bewijst aan kami, een verzameling van goden, geesten en andere ontzagwekkendheden.
Oorsprong
Ondanks hun verdere ontwikkeling in Japan zijn de meeste vormen van boeddhisme overgekomen vanuit Korea en China, beginnend in de zesde eeuw van onze jaartelling. De benaming zen komt van Middelchinees dzyen na, dat nu tevens voortbestaat als Mandarijn chán. Anders dan zen behelst chán vaak ook acht op het Zuivere Land en het zingen van de naam van Amituofo, dat is Amida. Twee van de hoofdstromingen zijn cáodòng en línjì, waar de reeds genoemde sōtō en rinzai uiteindelijk op teruggaan. Op zijn beurt heeft China het boeddhisme ontvangen uit India vanaf de eerste eeuw, zo’n vierhonderd jaar na de dood van grondlegger Siddhartha Gautama.
Middelchinees dzyen na is een ontlening van Sanskriet (Oudindisch) dhyāna, dat zoveel als ‘beschouwing, bezinning’ betekende, vooral in godsdienstig verband, en vaak met meditatie vertaald wordt. Het woord heeft een evenknie aan Avestisch daēnā ‘droombeeld, verschijning; geloof, godsdienst’, zoals beide talen behoren tot de Indo-Iraanse tak van de Indo-Europese taalboom. Enkele verwante woorden zijn Sanskriet dhī ‘waarneming, beschouwing, gedachte, inzicht’ en dhyāyati ‘denken, beschouwen’ maar bijvoorbeeld ook Khotanees (Oost-Iraans) daiyä ‘zien’ en Albanees di ‘achten; weten; kunnen’.
Ze zijn herleid tot een Indo-Europese wortel met de veronderstelde betekenis ‘beschouwen, zien’. Pogingen om Grieks théa ‘aanzicht, opzicht, schouwspel’ en vandaar theōrós ‘toeschouwer’ en theōría ‘toeschouwing; beschouwing’ ermee te verbinden zijn verworpen door onder meer wijlen kenner Robert Beekes, die daarvoor—net als voor Grieks thaûma ‘wonder; verwondering’—uitging van een voor-Griekse, niet-Indo-Europese herkomst.
Heroverweging
Door onderzoek van de taalkundigen Edgerton, Schindler en Cantera is het zeer aannemelijk dat de wortel van Sanskriet dhyāna e.a. anders dan lang aangenomen niet de vorm *dhei̯H- maar *dheHi̯- had. Daarvan ontwikkelde de onbeklemtoonde vorm *dhHi- zich bij regelmatige klankomwisseling tot *dhiH-. In dezen staat de *H voor een nader te bepalen keelklank en is de *i oorspronkelijk een achtervoegsel ter vervoeging zoals we van menige andere wortel kennen. Dat deze wortel die vorm had is een belangrijke vaststelling, want vandaar heeft vakgenoot Alexander Lubotsky hem enkele jaren geleden kunnen vereenzelvigen met een andere, ons welbekende.
Het gaat om de wijdverbreide wortel *dheh1– ‘stellen, zetten, leggen’, waarvan een *i-vervoeging ook voortleeft in Hettitisch dai-i in dezelfde betekenis. Die betekenis kon zich volgens Lubotsky ontwikkelen tot ‘ingeven’ of ‘plaatsen (door de goden)’ en dan leiden tot Sanskriet dhyāna ‘bezinning, beschouwing’ en zijn onmiddellijke verwanten. Doch aangezien die verwanten ook duidelijk de smaak van ‘zien’ hadden is het wellicht beter om voor de tussenbetekenis uit te gaan van iets als ‘(zich) voorstellen’.
Hoe dat ook zij, dezelfde wortel is in onze streken te vinden in Germaans *dōną, *dēdiz en *dōmaz, de voorlopers van Nederlands doen, daad en doem, waarvan het laatste woord nu vooral ‘vervloeking’ betekent, vroeger ‘oordeel’ en oorspronkelijk ‘stelling, zetting, legging’. Vergelijkbaar van dezelfde wortel is Grieks anáthema ‘vervloeking’, voorheen ‘wijgeschenk’, als afleiding van anathítēmi ‘opstellen’. Met dat als voorbeeld ligt het voor de hand dat de wortel tevens schuilt in *dheh1-s-, dat in de zin van ‘stelling’, later ‘wijgeschenk’ of ‘rite’, te begrijpen is als de grondslag van Latijn fānum ‘heiligdom’, fēriae ‘hoogtijdagen’ en fēstus ‘hoogtijlijk’, alsook van Grieks theós ‘god’. Niet verwant is Latijn deus ‘god’.
Roerloosheid
En zo komen we tot slot uit bij enkele woorden die dichter bij de aard van zen liggen. Want *dheh1-s- is bovendien te begrijpen als grondslag van Germaans *dēsaz ‘(zich) stellend, stilhoudend’, vanwaar onder meer gewestelijk Zweeds dåsa ‘zich niet verroeren’, Oudnoords dæsinn ‘lui’ en Nederlands daas ‘suf’ en bedeesd ‘schuchter’, vroeger ook ‘verbijsterd’ en ‘bang’. Daarnaast, met de kennis dat de *s onder wisse omstandigheden een Germaanse *z werd en die een *r, hoort hierbij zonder twijfel ook Germaans *dazēną, de voorloper van Oudengels darian ‘stilzitten, stilliggen’ en Nederlands bedaren ‘stiller worden’.
Vanuit *dhh1snís is een Germaans *dazniz ‘(zich) stellend, stilhoudend’ aan te nemen als voorloper van o.a. Oudengels dierne, Oudsaksisch derni en Oudhoogduits tarni, alle ‘verborgen, heimelijk’. Daarvoor ontbreekt immers nog een bevredigende duiding.
Verwijzingen
Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)
Blöndal Magnússon, Á., Íslensk orðsifjabók (Reykjavik, 1989)
Cantera, A., On Avestan aiβiθiiō (V18.17 & 25), in Faventia 34–36 (2012–14), blz. 89–97
Edgerton, F., “The Indo-European Semivowels”, in Language 19(2) (1943), bl. 83–124
Heidermanns, F., Etymologisches Wörterbuch der germanischen Primäradjektive (Berlijn, 1993)
INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)
Kloekhorst, A., Etymological Dictionary of the Hittite Inherited Lexicon (Leiden, 2008)
Kümmel, M. e.a., Addenda und Corrigenda zum Lexikon der indogermanische Verben (2015–heden)
Lubotsky, A.M., “The origin of Sanskrit roots of the type sīv- ‘to sew’, dīv- ‘to play dice’, with an appendix on Vedic i-perfects”, in S.W. Jamison e.a. (red.), Proceedings of the 22nd Annual Indo-European Conference (Bremen, 2011), blz. 105–26
Mayrhofer, M., Etymologisches Wörterbuch des Altindoarischen, I–III (Heidelberg, 1992–2001)
Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)
Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)
Schindler, J., Das Wurzelnomen im Arischen und Griechischen (Würzburg, 1972)
Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)
Wat interessant! Zou het woord ‘deuzig’, wat eveneens suf betekent, ook tot deze familie behoren?