Een bord vol ruinstaven

Wie Nederlandse ruinstaven op het scherm wil toveren, en daar is goede reden toe, hoeft heden een stuk minder moeite te doen. De nijvere taalveredelaar C.J. Righart heeft voor ons allen een bijzonder toetsenbord beschikbaar gesteld.

C.J. Righart, die ons enkele jaren geleden uitleg over zijn daden en doelen gaf, heeft onlangs een volgende mooie stap gezet met de stichting van een nieuwe webstede genaamd Neêrlants Gemaect. We vinden er een overzicht van werken van hem en anderen die zich inzetten voor onze taal en haar erfgoed, ook in belang van de eigen woordenschat. Een hoeksteen in dezen is het gevestigde en inmiddels omvangrijke Zaakwoordenboek der Lage Landen.

Doch nieuwer nog in deze nijverheid is zijn toevoeging van een toetsenbord, rap te bereiken op Ruinstaven.nl. Met dit middel tikken we veel gemakkelijker de ruinstaven zoals ze voor onze taal en haar klankbestel op maat gemaakt zijn—zoals ze zich ontwikkeld konden hebben als ze in onze streken nooit uit de gunst geraakt waren, ingeruild voor boekstaven. Menig kent ze als runen, maar dat is uiteraard een onnodig leenwoord.

Tast dan toe daar en laat tekens zien!

9 gedachten over “Een bord vol ruinstaven

  1. ᚠᚨᚾᛏᚨᛋᛏᛁᛋ! ᚺᛉᛏ᛬ᛁᛋ᛬ᚹᛉᛚ᛬ᚹᚨᛏ᛬ᚹᛉᚾᚾᛉᚾ᛭

    1. Heel goed! Doch het is niet ᚠᚨᚾᛏᚨᛋᛏᛁᛋ maar ᚠᚨᚾᛏᚨᛋᛏᛋ.

      En ᚹᛉᚾᚾᛉᚾ moet ᚹᛉᚾᚳᚾ zijn, want tweemaal hetzelfde teken achter elkaar is alleen nodig in samenstellingen als ᚠᛟᛏᛏᚩᚷᛏ en de stomme e wordt met ᚳ weergegeven.

      1. Na het Latijnse, het Griekse en het Cyrillische alfabet, trek ik als tachtiger helaas hier mijn lijn. Misschien in een volgend leven?

  2. Dag Olivier,

    Een dag, ik weet niet wanneer, vond ik deze webstee die ik sedertdien, ongeveer, zintijn bekijk. Alles hier is geweldig, maar als iemand die ruinstaven wel mag en voorstander is voor hunne wederinvoering, vind ik deze reeks redelijk rekkelijk, deels.

    Naast de volgorde, die een Latijns-alfabetische stavenschikking heeft, niet geheel raak, staan ook enige staven in de oudste vorm, niet zoals zij zouden wezen in een onverstoorde overgang van die tijd naar ’t heden.
    Om zo een voorbeeld te geven neem ik Koon, hier als ᚲ weergegeven. In de Bergakker ruin staat deze staaf wel als een ᚲ bekerft, latere ruinen nemen echter meer een ᚳ-vorm aan, zie de Toornwerd kam in Groningen, ᚳᚩᛒᚢ, niet ᚲᚩᛒᚢ. Zelfs dan maken zowel ᚲ alsook ᚳ een k-klank.
    Om ᚳ als klinker aan te nemen is mis. Ook maakt ᚳ als [ʏ], zowel [ə] enige woorden zoals den en dun hetzelfde gespeld (alhoewel men vaak verkeerd den als [dɛn] zegt), ook is de vraag of melk of Urk dan als ᛗᛉᛚᚳᚲ en ᚳᚱᚳᚲ of ᛗᛉᛚᚲ en ᚳᚱᚲ geschreven moeten worden, maar dat staat los van dat de staaf ᚳ voor beide klanken niet schikt.

    Verder zou ik stellen dat ᚷ voor zowel g als ch niet voldoet, school als ᛋᚷᛠᛚ kan, maar ᛋᚲᛠᛚ, mooier ᛋᚳᛠᛚ zou beter aansluiten op streektalen (bij name ’t Westfries) en oudere spellingswijzen, zie Oud Engels; Latijns sc en ruins ᛋᚳ voor [ʃ] (en[sk], geen zorgen). Ook kan de ᚺ, tevens ᚻ na een klinker als ch dienen, aan het begin van een woord is ’t doch al een h-klank geworden.
    Daarnaast om nog maar wat te benoemen kan ᚦ (d-klank) staan waar in het Oud Nederlands een th stond, toch, ook doch (voorheen thoh, weer die h aan het einde) zou dan beide ᚦᚩᚺ of ᚦᚩᚻ geven.
    ᛁ voor im vind ik ook maar vreemd. Deze staaf hoort ijs te luiden, niet im. Waarom is ijs opeens ᚼ? ᛪ vind ik ook niet nodig, maar die hoeft niet, staat aangegeven.

    Ik hoor hier graag enige verduidelijking op.
    Vriendelijke groeten!

    1. Dag Tijn,

      Dank voor je welkome weerklank.

      Ik heb overwogen om ᚠᚢᚦᚨᚱᚲ als oorspronkelijke volgorde aan te houden maar het wringt dat onze taal geen /θ/ heeft om een ᚦ voor te gebruiken. Inderdaad kunnen we die ruinstaf gebruiken waar die klank ooit in een woord bestond, al legt dat de drempel een stuk hoger, want mensen zullen uit hun hoofd moeten leren of elke keer op moeten zoeken waar het een ᛞ of een ᚦ moet zijn. Ter vergelijking, ik heb eens voor een nieuwe boekstaving voorgesteld om te onderscheiden tussen e en ä en daar is uiteraard nooit wat van gekomen.

      Het is wellicht het beste om de vrijheid te laten om wel of niet ᚦ te gebruiken en om wel of niet een ingeslopen stomme e in woorden als melk te spellen.

      Een ruinstaf overschakelen van medeklinker naar klinker is voor mij in beginsel geen bezwaar. (Vergelijk hoe de H in het Grieks oorspronkelijk voor een /h/ gebruikt werd en later voor een lange /ɛː/.) Ik moest een ruinstaf voor /ʏ/ en /ə/ hebben en de ᚳ heeft een ingetogen vorm en lijkt nog aardig op de ᚢ. De voorgestelde naam uk is een knipoog naar zijn oude klankwaarde. Ja, de ᚳ zou voor /k/ te verwachten zijn bij onverstoorde ontwikkeling, maar in zijn eenvoud is de ᚲ me te waardevol om op te geven.

      We hebben in het Nederlands (buiten leenwoorden) hoofdzakelijk zes wrijfklanken, eigenlijk drie stellen van stemloze en stemhebbende wrijfklanken, geboekstaafd als ch/g, f/v en s/z. Uit spaarzaamheid heb ik aldus gekozen voor drie ruinstaven. Als we onderscheid in stem maken eindigen we daar met zes ruinstaven.

      Je ziet graag ᛋᚲᛠᛚ (of liever nog ᛋᚳᛠᛚ) in stede van ᛋᚷᛠᛚ voor /sxoːl/ oftewel school. Ik ben niet overtuigd maar zou zeggen: neem de vrijheid.

      Als we de ruinstaf ᛁ voor /ɛi/ hebben, in verband met ijs, welke moeten we dan voor de korte /ɪ/ gebruiken? Bezwaarlijk dezelfde. Dan liever de eenvoudige ᛁ voor de korte /ɪ/ van im en de ijskristalachtige ᛡ voor de /ɛi/ van ijs.

      Hoe dan ook, keuzes als deze lijken me onvermijdelijk bij aanmeting van de stavenschat voor onze taal.

      Met vriendelijke groet,
      Olivier

      1. Dag Olivier,

        De oorspronkelijke stavenschikking aanhouden lijkt mij nog wel ’t best. Ook al moet men dan het onderscheid tussen gelijkklankig ᛞ en ᚦ leren, dat is nu al met ei en ij, ou en au, ook met ene e en ä, zoals vermeld in uwe nieuwe boekstaving. Ik vind dit zo’n onderscheid mooi en belangrijk om te behouden, de klanken zijn nu hetzelfde maar waren voorheen anders. ’t Zorgt ervoor dat de woorden beter aansluiten op de oudere vormen, zowel ’s Nederlands zustertalen. Voor taalgevoel ook fijn om te behouden. Niet benoemd in de boekstaving, maar ik zag wel „met” als „med” geschreven. Daar hou ik van.
        Voor het mooie zou (hij/jij) acht dan ook ᚫᚺᛏᚦ kunnen zijn, niet nodig, gewoon niet, ook eerder West- of Oergermaans dan Nederlands, [θ] of [ð]/[d] werden [t] aan ’t eind eens woords richting ’t Oudnederlands.

        Dan nog over Η, de Griekse staaf, u had een Latijnse H gezet, die, wat uitspraak betreft, een e werd. Dat kwam doordat de eerste /h/ in de naam verviel. Zie ter vergelijking de ruinstaaf jaar, ᛃ, *jērą die in ’t noorden ár, ᛡ of ᛅ of ᛆ werd, hij kreeg dus niet zomaar een andere klank, des staafs naam veranderde, dus de uitspraak ging mee. Koon bleef als k.

        Om dan zelf iets voor te leggen, de in de Angelfriese ruinstaven kreeg ᚨ (a) drie nieuwe vormen, ᚫ, ᚪ en ᚩ, alle drie ook in het Nederlands bruikbaar. Gezien de stomme e in best wat gevallen uit een verzwakte a voorkomt. Zie Oudnederlands „hebban olla vogala” wat nu „hebben alle vogelen” is. Alle nevenvormen van ᚫ hebben er als het ware een stokje bij. Kan er dan ook een af? De onderste niet, dat wordt dan ᛚ, l. De bovenste kan wel, geeft ᚿ, mooi dat Unicode daar een teken voor heeft. Deze ruinstaaf kan in ’t Nederlands voor een stomme e dienen. Dan kan ᚳ weer als k dienen.

        Over de wrijfklanken, bij z en s, ook f en v, kwamen deze later in ’t Nederlands los van elkaar, terwijl ch en g er allebei van oudsher zijn. Ruinstaven zijn al sinds het Oudnederlands hier, aannemelijk dat ook daaruit de spellingswijzen zouden worden overgedragen. Vis was Oudnederlands fisc. En zon, sunna. Later kregen de twee (f en s) afhankelijk van waar, stemming. Voor ch en g, (hij) ligt was ligit en ’t licht was lieht, daar was al een onderscheid. Sch komt uit sk (ookwel sc), vandaar dat ik ᛋᚳ aanneem en niet ᛋᚷ of ᛋᚺ. Maar ik laat ’t open voor enige vrijheid, ruinstaven werden oudsher niet in een groen boekje vastgelegd, zolang maar duidelijk was wat je zei aan wie het bedoelt was.

        Verder begrijp ik het aannemen voor ᛡ wel, ᛁ wrijt je eenmaal sneller.

        Weder vriendelijke groet,
        ᛏᚼᚾ.
        Nee, ᛏᛁᚾ. Ja.

      2. Gewis, ch/g komt vanuit een oorspronkelijke tegenstelling in het Germaans, terwijl f/v en s/z zo gegroeid zijn in het Nederlands, maar de ruinstaving is eerstens voor onze taal in haar huidige toestand bedoeld en drie ruinstaven voor drie stellen wrijfklanken is dan evenwichtig. Dat gezegd hebbende, ik zie wel wat in ᚻ voor ch, zoals in ᚺᛉᚻᛏ.

        De ruinstaf ᚿ is op zich niet gek voor de stomme e maar lijkt me teveel op de ᚳ om beide te gebruiken, komt het geheelbeeld niet ten goede.

        In de Angelfriese ruinstaving is de naam soms ook overgegaan op een andere staf: *ansuz (ᚫ) werd ós (ᚩ), terwijl æsc als nieuwe naam voor de oude staf ingevoerd werd. Evenredig daaraan kan *īsą (ᛁ) tot ijs (ᚼ) worden, met im als nieuwe naam voor de oude staf. Het geval met koon en uk is inderdaad anders, want de klanken hebben niets met elkaar te maken, maar ik blijf geen bezwaar zien in zulk hergebruik waar nodig, heb het ook gedaan met es (ᛉ).

        Het stelselmatige gebruik van de ᚦ waar die vroeger bestond wordt wel wat lastig aan te leren. Je zult er een hele woordenlijst voor moeten bijleveren. In sommige gevallen weten we niet eens hoe het vroeger was.

        Tot slot over de volgorde: na ᚠᚢᚦᚨᚱᚲ valt er nog wat te twisten. Wat stel je voor als volle volgorde?

      3. Gedag, ben er weer!

        Ten eerste vind ik ᚿ en ᚳ verschillend genoeg, ᚳ raakt de bodem met de staaf en het uitsteksel, ᚿ met enkel de staaf, maar goed, kan beide. ᛉ als andere staaf aannemen kan wel, ’t is overbodig om die voor slechts enige woorden als oord te behouden voor ᛠᛉᛞ. Hij kan beter naar een klinker worden verzet. ᚦ kan verder naar eigen mening gaan of niet, hij hoeft niet vast te zijn.
        Dan zijn ᚻ, ᚿ en ᚦ vrij te gebruiken en vrij te negeren.

        Dat gezegd hebbende, de volgorde.
        Na ᚠᚢᚦᚨᚱᚲ, beter ᚠᚢᚦᚩᚱ(ᚳ-ᚲ) komen ᚷ en ᚹ. Later volgt algemeen ᚺᚾᛁᛃ en daarna of ᛈᛇ, zie Kylversteen, of ᛇᛈ, er zijn niet veel ruinen waarop alle staven staan, maar uit allen die in de Lage Landen en Engeland gevonden zijn is ᛇᛈ de volgorde, daarna volgen ᛉ en ᛋ. Aan ’t eind algemeen ᛏᛒᛖᛗᛚᛜ in ruinen met alle ruinstaven erin. En dan of ᛞᛟ of ᛟᛞ. Kylver, ᛞᛟ, Vadstena ᛟᛞ, Grumpan ᛟᛞ, Lány ᛞᛟ. Half om half, de oudste heeft ᛞᛟ dus ik neem die.
        Dan tot nu toe ᚠᚢᚦᚩᚱᚳᚷᚹᚺᚾᛁᛃᛇᛈᛉᛋᛏᛒᛖᛗᛚᛝᛞᛟ, maar van de ruinstavenliederen is er een in Engeland, dus doch ᛟᛞ. Daarin staan ook ᚪ, ᚫ, ᚥ, ᚼ en ᛠ, volgorde komt overeen met een zas van ene ᛒᛠᚷᚾᚩᚦ (naam), wiens volgorde ᚪᚫ[ᚼ]ᚥᛠ gaat, ook ᛞᛟ, eigenlijk ᛝᛞᛚᛗᛟ na ᛖ. Met ᛚ en ᛗ verwisselt en voor de rest, heb je ᛗᛚᛝᛞᛟ. Dan maar ᛞᛟ. En ᚪᚫᚥᚼᛠ.
        Naast ᚠᚢᚦᚩᚱᚳᚷᚹᚺᚾᛁᛃᛇᛈᛉᛋᛏᛒᛖᛗᛚᛝᛞᛟᚪᚫᚥᚼᛠ zijn er nog drie, ᛄ, ᚿ en ᛪ. ᛪ vind ik stom. Naar het eind ermee. ᚿ kan naast de andere ᚫ-vormigen en ᛄ kan naast ᛃ, gezien ᛃ ᛄ werd. Naast dat ᛃ ook soms ᚼ werd.
        Dan kom ik uit op ᚠᚢᚦᚩᚱᚳᚷᚹᚺᚾᛁᛃᛄᛇᛈᛉᛋᛏᛒᛖᛗᛚᛝᛞᛟᚪᚫᚿᚥᚼᛠᛪ, al is dit warrig geschreven, heb je gelijk. Ook word wel eens de reeks onderbroken, eindstand, ᚠᚢᚦᚩᚱᚳᚷᚹ᛫ᚺᚾᛁᛃᛄᛇᛈᛉᛋ᛫ᛏᛒᛖᛗᛚᛝᛞᛟ᛫ᚪᚫᚿᚥᚼᛠᛪ. Acht om negen om acht om zeven. Tsja. ᚠᚢᚦᚩᚱᚳᚷᚹ᛫ᚺᚾᛁᛃᛇᛈᛉᛋ᛫ᛏᛒᛖᛗᛚᛝᛞᛟ᛫ᚪᚫᚿᚥᚼᛠᛄᛪ, zo maar.

      4. Goedemorgen!

        Op de iPhone bijvoorbeeld is het verschil tussen ᚿ en ᚳ echt te klein, dus het maakt ook uit welk stavenslag (runetype) je voorgeschoteld krijgt.

        Na verdere overweging heb ik besloten ᚻ toe te voegen aan de stavenschat.

        Dank voor je voorstel tot volgorde. Voor de toegankelijkheid zal het overzicht van ruinstaven op Taaldacht voorlopig blijven zoals het is (links medeklinkers, rechts klinkers), maar zodra de tijd rijp is…

Geef een reactie