In het teken van de tremse

Dit jaar blijkt de korenbloem het meest geliefde inheemse kruid in de gemeente Groningen. Dat geeft reden om eens goed te kijken naar een bijzondere, oude benaming in Nederduitse streken voor deze blauwe schoonheid: tremse.

Het woord verschijnt eerst als Middernederduits tremese (15e eeuw) en tremisse (16e eeuw) en leeft vandaag voort in vormen als Drents, Twents en Sallands tremse, Westfaals triəmse, Holsteins trems en Mecklenburgs trääms. Het verwijst overal naar de korenbloem maar hier en daar ook naar de bolderik, die evengoed tussen het koren groeit. In het Westfaalse stadje Borken, niet ver van de Achterhoek, wordt het woord gebruikt voor de kroon van de meiboom, vermoedelijk bij vergelijking met kransen van korenbloemen. Zo dichtten Kosegarten en Voß over de trämsenkränze om de haren van vrouwen en kinderen in hun tijd, omtrent het jaar 1800.

Over de oorsprong is jammerlijk weinig geschreven, een lot beschoren aan menig woord dat alleen in de streektalen voorkomt. De grote Kluge, het herkomstkundig woordenboek van het Duits, biedt ons slechts bondig de mogelijkheid dat het verwant kan zijn aan Middelhoogduits tremen ‘lichten’ en trimz ‘glans’, maar weet die nergens anders mee te verbinden. Onvermeld is dat het werkwoord ook ‘wankelen’ en ‘weifelen’ betekende, zoals het in een oude woordenlijst vertaald werd met Latijn titubō, dubitō en vacillō. Aldus is de bloemnaam te begrijpen als ‘schone, mooie’ (vanuit ‘lichtende, glanzende’) of als ‘wuivende’ (vanuit ‘wankelende’ in de wind).

Daarmee is echter niet alles gezegd. Ten eerste liggen ‘lichten’ en ‘wankelen’ tamelijk uiteen en moet het werkwoord een tussenbetekenis gehad hebben, een die wellicht nog beter de korenbloem schikt. Ten tweede weten we dat het werkwoord sterk vervoegd werd, als tremen, tram, getromen, dus wel van hoge ouderdom was en verwanten moet hebben buiten het Germaans, elders in het Indo-Europees. Dat noopt tot een dieper wroeten.

Daar de Germaanse t aan het begin van woorden stelselmatig uit een Indo-Europese *d verschoven is, komen we bij twee wortels uit. Het gezaghebbende Lexikon der indogermanischen Verben geeft deze als 1. *drem- ‘(wohin) laufen’ en 2. *drem- ‘schlafen’. Tot de ene behoren onder meer Oudengels trem ‘voetstap’, Sanskriet drámati ‘rennen’ en Grieks édramon ‘rende’ en drómos ‘ren; baan’. Tot de andere behoren in elk geval Oudkerkslavisch drěmati ‘sluimeren, in slaap vallen’ en Latijn dormiō ‘slapen’.

Nu, het is aannemelijk dat beide wortels oorspronkelijk één en dezelfde waren, zoals beide betekenissen te herleiden zijn tot een ouder ‘zich (heen en weer) bewegen’. Dat doet men bij het lopen maar ook vaak wanneer men al voor het liggen in slaap begint te vallen. Steun voor deze oerbetekenis is het bestaan en vermoedelijke toebehoren van een groep Slavische woorden, waaronder Servo-Kroatisch dȑmati ‘schudden’ en Sloveens dŕmati ‘schudden’ en drámiti ‘wakker schudden’ naast Tsjechisch drmoliti ‘kleine stapjes doen’. En zo past ook Middelhoogduits tremen in de betekenis ‘wankelen’.

Te meer, naast *drem- ‘lopen’ bestonden ook de zinsgelijke en ongetwijfeld verwante wortels *dreh2 en *dreu̯-. De eerste van die twee schuilt met zogenaamde reduplicatie—herhaling van medeklinker(s)—tevens in Sanskriet dáridrāti ‘zwerven’ en Grieks didráskō ‘rennen’ maar ook in Germaans *titrōną, de voorloper van Oudnoords titra ‘twinkelen’, IJslands titra ‘beven, rillen, trillen’, Oudhoogduits zittaron ‘wankelen’ en Duits zittern ‘beven’. De betekenis van de Germaanse woorden kan zich niet gemakkelijk uit ‘rennen’ of ‘lopen’ ontwikkeld hebben, wel uit een ouder ‘zich (heen en weer) bewegen’.

Zulks kon zich bovendien ontwikkelen tot ‘schitteren’ e.d., zoals bijvoorbeeld Nederlands flitteren ‘zich snel heen en weer bewegen’ bij uitbreiding eveneens ‘schitteren’ kwam te beduiden, of hoe Nederlands flikkeren ‘zich onrustig heen en weer bewegen’ later ook werd gebruikt in de zin van ‘levendig vlammen, stralen, glanzen’. Vandaar wordt ook ‘lichten, glanzen’ begrijpelijk, een van de twee betekenissen waarin Middelhoogduits tremen overgeleverd is.

Uit dit alles volgt dat de bloembenaming tremse goed als ‘schitterende’ of ‘schone’ dan wel ‘wuivende’ te duiden is. Hoe dan ook, een kind kon minder boffen dan naar dit blauwe kruid vernoemd te zijn en Tremse te heten.

Verwijzingen

Benecke, G.F. e.a., Mittelhochdeutsches Wörterbuch (Leipzig, 1854–66)

Grimm, J. & W., Deutsches Wörterbuch, 16 Bde. in 32 Teilbänden (Leipzig 1854–1961)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Kluge, F. & E. Seebold, Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, 24., durchgesehene und erweiterte Auflage (2002)

Kocks, G.H., Woordenboek van de Drentse dialecten, 2 delen (Assen, 1996– 2000)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Mensing, O., Schleswig-Holsteinisches Wörterbuch (Neumünster, 1927)

Niebaum, H. e.a., Westfälisches Wörterbuch, 5 Bde. (Neumünster, 1969–2021)

Pokorny, J., Indogermanisches etymologisches Wörterbuch (Bern, 1959)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Schiller, K. & A. Lübben, Mittelniederdeutsches Wörterbuch, 6 Bde. (Bremen, 1875–81)

Vliet, G. van der, Dialexicon Twents (webuitgave)

Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk (’s-Gravenhage, 2003)

Geef een reactie