Een kruid gekoesterd in de klokbekertijd

Heden bekend onder de weinig gewortelde naam moerasspirea, dit inheemse kruid is in veelvoud gevonden in zeer oude graven in Nederland en elders in het Avondland, heeft meerdere gunstige eigenschappen en heette om een daarvan ooit medezoet.

Opgravingen

Toen twintig jaar geleden bij Hattemerbroek de schop in de grond ging voor bedrijvenbouw en de aanleg van de Hanzelijn, het spoor tussen Lelystad en Zwolle, ontdekte men er enkele graven uit de late steentijd. Twee van deze, beide bestaande uit een kuil met randplanken en de aftekening van een lijk in de bodem, onderscheidden zich door een rijke strooi stuifmeelkorrels van de moerasspirea. Daar dit kruid op vochtige plekken groeit, afhankelijk van bijen e.d. is voor zijn verspreiding en zelf weinig korrels in de grond achterlaat moeten de korrels ten kuile gekomen zijn bij opzettelijke bedekking van de bodem met bloemen. Hier, zo hebben de onderzoekers vastgesteld, tonen zich de sporen van een oude plechtigheid.

Beide graven behoren nader bepaald tot de zogenaamde klokbekercultuur, die van 2500 tot 2000 v.Chr. in het westelijke Avondland heerste en genoemd is naar haar klokvormige aardewerken bekers, zoals ook een bijna volledige in een van de twee graven zat. Doorgaans werden daarvan de mannen op hun linkerzijde begraven en de vrouwen op hun rechterzijde. Het lijk in beide graven hier lag op de rechterzijde en behoorde dus denkelijk tot een vrouw, doch verdere aanwijzingen tot uitsluitsel ontbreken.

Bij grote volksverhuizing werd dezelfde cultuur vanuit onze streken verbreid naar de Britse Eilanden, waar de eerdere bewoners, stichters van Stonehenge, spoedig een kleine minderheid werden en in het gedrang der nieuwkomers opgingen. Uit de tijd die volgde is men daar gestuit op meerdere graven die met bloemen van dit kruid verrijkt waren. Welbekend bijvoorbeeld is dat te Fan Foel in Wales, waar een kist met het gedeeltelijke verbrande overschot van een vrouw en twee kinderen ter aarde besteld was onder een dekheuvel. De meeste gevallen zijn evenwel in Schotland gevonden.

De oorspronkelijke opzet van een van de graven te Hattemerbroek
Een genot voor de neus

Waarom koos men voor dit kruid in graven? Voor de hand ligt uiteraard zijn aangename geur. Zo schreef de Engelse kruidkundige John Gerard in 1597 hoe diens bloemen en bladeren uitmunten als strooisels in vertrekken en hallen des zomers, hoe ze het hart verblijden en de zintuigen verrukken. Zijn genoot in vak, volk en voornaam John Parkinson weerklonk dat een kleine halve eeuw later, schreef ook dat koningin Elizabeth I dit kruid boven alle andere begeerd had voor de bestrooiing van haar chambers.

De geur verblijdde mensen en verbloemde minder aangename geuren. In het geval van Fan Foel gingen de bloemen echter met lijkverbranding gepaard en speelde de noodzaak wellicht een minder grote rol. Het is aannemelijk dat het kruid oorspronkelijk als verbloemer ingang vond en later vandaar hoe dan ook met uitvaart verbonden was. Het is ook mogelijk dat het van begin af aan om meerdere redenen in graven gelegd werd, want het heeft nog andere gunstige eigenschappen.

Verdere krachten

Daartoe behoren koortsverlaging en andere verlichting van klachten, zoals sinds lang onder kruidkundigen bekend is. Zulke heilzaamheid kon in de klokbekertijd beslissen tussen leven en dood en zo ook in verband komen te staan met de dood en de reis naar het hiernamaals. Werkzaam is onder meer een nuttig zuur dat onze oosterburen vroeger Spirsäure noemden, naar Spirea. Men wist dit in 1899 bij Bayer te verbinden met een acetyl-groep voor betere werking, schiep zo Acetylspirsäure en verkocht dit onder de merknaam Aspirin (zie noot). Inmiddels is Spirsäure beter bekend als Salicylsäure, bij ons salicylzuur, omdat het tevens schuilt in het blad van de wilg (Salix).

Dezelfde stof, tezamen met andere in dit kruid, helpt ook de houdbaarheid van levensmiddelen te verlengen, al vergt dat een gehalte dat ongunstige bijwerkingen kan hebben. Dat of de verrijking van smaak die het kruid biedt—of beide—kon de reden zijn dat men vroeger de bloemen en bladeren ook toevoegde in de bereiding van mede oftewel honingdrank. Sporen van een dergelijk mengsel zijn bijvoorbeeld gevonden in een berkenbasten emmer die omtrent 1380 v.Chr. begraven werd met het meisje van Egtved in Midden-Jutland, Denemarken, eeuwen na de graven in Hattemerbroek.

Het gebruik als bestanddeel ligt ook vervat in de eerdere naam van het kruid: medezoet. Deze overleeft nog in de zustertalen, als Westfaals meadesöte, Duits Mädesüß en Engels meadowsweet, waarvan de laatste onder invloed van meadow ‘weide’ verbasterd is. Een andere, mogelijk nog oudere naam voor hetzelfde kruid vinden we in vormen als Oudhoogduits metuwurz, Middelnederduits medewort, Oudengels meodowyrt en Deens en Noors mjødurt en zou in onze taal medewort luiden.

Tot slot

De klokbekergraven zijn niet de oudste waarin het kruid gevonden is. De sjamanin van Bad Dürrenberg in Saksen-Anhalt werd omtrent 7000 v.Chr. begraven met een reegewei op het hoofd, dierentanden als hangers en een kind van zes maanden in de armen. Haar graf had bovendien veren en vele korrels, van medezoet maar ook koningskaars, kruipende boterbloem en blauwe knoop. Dit was de tijd dat Doggerland nog in aanzienlijke vorm bestond tussen Nederland en Brittannië en de jagers en verzamelaars evengoed op kruiden te vertrouwen hadden.

Noot
Verkeerdelijk duidt het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands de beginletter van aspirine als Grieks a- ‘on-’ en zo de naam als ‘gemaakt zonder de hulp van Spiraea’. Niemand minder dan Heinrich Dreser, mede-ontwikkelaar van dit geneesmiddel, legde in 1899 uit in een voetnoot van zijn verslag dat de beginletter van Aspirin voor Acetyl(irte) staat.

Verwijzingen

Clarke, C., “Palynological investigations of a Bronze Age cist burial from Whitsome, Scottish Borders, Scotland”, in Journal of Archaeological Science 26 (1999), blz. 553–60

Dickson, J.H., “Bronze age mead”, in Antiquity 52-205 (1978), blz. 108–13

Dreser, H., “Pharmakologisches über Aspirin (Acetylsalicylsäure)”, in Archiv für die gesamte Physiologie des Menschen und der Tiere 76 (1899), blz. 306–18

Gerard, J., The Herball or Generall Historie of Plantes (Londen, 1597)

Hughes, G. & K. Murphy, “Fan Foel round barrow, Mynydd Du, South Wales: archaeological excavation and palaeoenvironmental analysis, 2002–04”, in Archaeologia Cambrensis 162 (2013), blz. 105–46

INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Kluge, F. & E. Seebold, Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, 24., durchgesehene und erweiterte Auflage (2002)

Lohof, E. e.a., Steentijd opgespoord. Archeologisch onderzoek in het tracé van de Hanzelijn-Oude Land (2011)

Lühr, R. e.a., Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen. Band VI: mâda – pûzza (Göttingen, 2017)

Parkinson, J., Theatrum Botanicum: The Theater of Plants (Londen, 1640)

Philippa, M. e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Tipping, R., ““Ritual” Floral Tributes in the Scottish Bronze Age—Palynological Evidence” in Journal of Archaeological Science 21-1 (1994), blz. 133–9

8 gedachten over “Een kruid gekoesterd in de klokbekertijd

  1. Waarde heer van Renswoude,

    Wat geniet ik toch elke keer van Uw prachtige verwoordingen van de altijd weer boeiende onderwerpen die U aanbiedt.

    Met hartelijke groet,

    Bauke ‘Freiherr’ van Halem

  2. Met genoegen gelezen. Mede en vooral ook als IVN-natuurgids zijnde. Dit verhaal zal vaker verteld gaan worden, lopend met een groep leergierigen in het moerassige van Tienhoven. Luisterend naar de herhalende roep van de Woudaap. Dank voor deze vertelling!

    1. Dat klinkt goed! Het is een kruid waar ik zelf nooit naar omkeek en nu op zoek naar ga.

  3. Achteraf en na enige bedenkingen is medezoet een vreemde benoeming. Mede is al zoet van zichzelf.

    1. Maar is mede dat wel? Werd het duizenden jaren geleden al gemaakt zoals het nu wordt gemaakt? Voegen we moerasspirea nog toe aan mede?

    2. Me dunkt dat medewort de oudere benaming is maar ook voor andere kruiden gebruikt werd, en dat daarom medezoet bedacht werd om in het bijzonder te verwijzen naar dit zoete kruid.

  4. Op de een of andere manier geven deze dingen mij vaak een gevoel van nostalgie (en misschien een beetje heimwee) naar een tijd die ik nooit heb meegemaakt.

Geef een reactie