Veel van de oudste oordnamen van Nederland zijn te vinden in de Betuwe, waar sinds lang de klei tot weiden dient en men woont en kweekt op de oeverwallen. Van deze namen is Hien te ontraadselen aan de hand van verre verwanten.
Een harde vloer
Hien ligt niet ver ten westen van Nijmegen aan een strang of voormalige arm van de Waal en maakt al geruime tijd deel uit van het dorp Dodewaard. Het is ambtelijk een buurtschap, hoewel het sinds de late middeleeuwen een eigen kerk heeft na de opwerping van de dijk daar. Die omsluit echter niet De Engel, naar verluidt een van de oudste herbergen des lands.
De vondst van een vloer van opus signīnum, een waterdicht beton toegepast door de Romeinen voor onder meer badhuizen en rijkere woonhuizen, is een van meerdere aanwijzingen dat Hien geen gat was tijdens de bezetting vanuit het zuiden. Hetzelfde geldt voor Dodewaard, waar een kalkstenen grafsteen uit ergens tussen 98 en 150 n.Chr. in de kerktoren gemetseld was, behorend tot een oudgediende met Romeinse burgerrechten genaamd Marcus Trāiānius Gumattius, zoon van Gaisio. In dezen zijn Gumattius en Gaisio te begrijpen als (verlatijnste) afleidingen van Germaans *gumô ‘man’ en *gaizaz ‘speer’, in stafrijm met elkaar.
Een tweede h
De oudste vermelding die we van Hien hebben is uit een twaalfde-eeuws afschrift van een negende-eeuws geschrift uit de Abdij van Fulda, waarin gesproken wordt van een villa Hehun in de Betuwe met vijftien akkers. Later verschijnt de naam onder meer als Hian in de elfde eeuw, Hin in 1134 en Hyen in 1294 of 1295. De klankontwikkeling is te vergelijken met die van tehun tot tien ‘10’. De h, tweevoudig in de oudste vermelding van de naam, wijst op een herkomst uit het Germaans, niet het Keltisch, een taal die indertijd die klank niet had en hoe dan ook bij lange na niet zo ver noordelijk inheems was.
In hun oordnamenboek geven Gerald van Berkel en Kees Samplonius hier de herkomst als onbekend, herhalen ze alleen afwijzend de duiding van wijlen Maurits Gysseling uit 1982, dat Hien met Germaanse klankverschuiving teruggaat op een verbogen vorm van ouder *Kewōs bij een Indo-Europese wortel *(a)kew ‘schitterend, uitbuigend’. Dan ware het oorspronkelijk een waternaam, wat Gysseling in de meeste gevallen—en weinig overtuigend—herleidde tot een wortel met een betekenis als ‘schitterend’ of ‘uitbuigend’. Zijn duiding is te verwerpen, ook omdat hij de tweede h in de oudste vorm Hehun er niet mee verklaarde.
Elders gezocht
Opmerkelijk is dat de naam niet te vereenzelvigen is—en niet gemakkelijk te verbinden is—met enig overgeleverd woord in de Germaanse talen. Dat zegt ons dat hij als woord reeds lang geleden uitgestorven is en als naam zeer oud moet zijn, misschien wel tweeduizend jaar. We moeten dus op zoek naar een woord dat alleen in andere Indo-Europese talen overgeleverd is.
Bij gebrek aan andere mogelijkheden en met de kennis dat de Germaanse *h de voortzetting van een Indo-Europese*ḱ, *k en *ku̯ is wordt het volgende aannemelijk: Hehun gaat terug op *ḱéku̯n̥ (of *ḱéku̯ni), de plekaanduidende zevende naamval van Indo-Europees *ḱóku̯r̥ ‘mest, drek’, dan wel op een andere, in vorm gelijkende naamval van dat woord. Het heeft anderszins voortzettingen als Grieks kópros en Sanskriet śákṛt, tweede naamval śaknáḥ, en verwanten als Lets šekšet ‘vuil maken, worden’ en Litouws šìkti ‘zich ontlasten’.
Tot slot
De betekenis van het woord kan evenwel verschoven zijn voordat het als naam kwam te dienen in de Betuwe, van ‘mest, drek’ naar iets als ‘slijk’ of ‘slik’ of welke vorm van drassige, modderige, vuile laagte dan ook naast het toenmalige Hien, eeuwen voor de tijd van dijken daar. De naam is in elk geval te vergelijken met Deest, ouder Deist, Dheste, voor het oord dat aan de overkant van de Waal ligt. Dat is te verbinden met Westvlaams dei ‘drek; moespap, brij’ en deister ‘drek’, Brabants deisteren ‘tot moes maken’ en Middelhoogduits deisch ‘mest’. Even stroomafwaarts verwijzen Druten en Ochten juist naar een hoogte.
Kaart uit 1830–1835 in het Regionaal Archief Zuid-Utrecht. Rechtenvrij.
Verwijzingen
Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)
Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)
Derksen, R., Etymological Dictionary of the Baltic Inherited Lexicon (Leiden, 2015)
Dronke, E.F.J., Traditiones et antiquitates Fuldenses (Fulda, 1844)
Gärtner, K. e.a., Mittelhochdeutsches Wörterbuch. Band 1: a – êvrouwe (2013)
Gysseling, M., “Prehistorische waternamen”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 56-1 (1982), blz. 35–58
Künzel, R.E. e.a., Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200 (Amsterdam, 1988)
Mayrhofer, M., Etymologisches Wörterbuch des Altindoarischen, I-III (Heidelberg 1992–2001)
Schindler, J., “L’apophonie des thèmes indo-européens en -r/n-”, in Bulletin de la Société de Linguistique de Paris 70 (1975), blz. 1–10
Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk (’s-Gravenhage, 2003)