De zonnedochter als zuiverste bruid

In delen van het Avondland bestond vanouds de voorstelling van de zonnedochter—de bruid of zuster van de hemelse tweeling. Men kent haar in Letland nog steeds, als Saules meita, en ze is ook te vermoeden in de Griekse schoonheid Helénē.

De zonen van God

Schier overal waar de veehoedende Indo-Europeanen duizenden jaren geleden neerstreken vanuit hun bakermat in de westelijke Steppe raakte hun spraak overheersend, om zich uiteindelijk te vertakken tot het IJslands, het Hindi en zowat alle talen daartussen. Onlosmakelijk hiermee verbonden waren hun zeden en wereldbeeld, waaronder het geloof in een schikkende Hoge God genaamd *Di̯ḗu̯s ‘Hemel, God’, waarvan de volledige aanduiding *Di̯ḗu̯s ph2tḗr ‘Vader Hemel’ zich later ontwikkelde tot onder meer Oudindisch Dyáuṣ Pitā́, Grieks Zeús patḗr en Latijn Iūpiter.

Ontsproten aan Vader Hemel of God zijn twee beroemde broeders, rijdend op rossen of in een wagen met rossen. In de Oudindische overlevering heten ze de Aśvínā ‘roslingen’ en Divó nápātā ‘telgen van God’, de oude Grieken kenden hen als de Dióskouroi ‘jongens van God’ en in Letland en Litouwen staan ze vanouds bekend als de Dìeva dêli en Diẽvo sūnẽliai ‘zonen van God’. Dichter bij huis heugen ze als de gebroeders Hengist en Horsa, leiders van de westwaartse Germaanse volksverhuizing naar Brittannië in de vijfde eeuw n.Chr., en ook wel als de twee roshoofden op Saksische gevels.

Zij van de zon

In verschillende overleveringen is deze hemelse tweeling in een of andere zin met de zon verbonden. Duidelijk blijkt dat in de Ṛgvedá, een ruim drieduizend jaar oude Indiase liederbundel ter loving van de goden. Daarin zijn de Aśvínā de volgers of vergezellers van hun zuster Uṣás ‘Dageraad’, de duhitā́ Diváḥ ‘dochter van Dyáuṣ (God)’, en worden ze ook als echtgenoten gekozen door Sūryā́, de Sū́re duhitā́ ‘dochter van Zon’, die in hun wagen meegaat en als het toonbeeld van een bruid geldt. In een van de liederen heeft ze echter Maan als man en zijn de broeders haar bruidsjonkers.

Bij de Balten bestaan vanouds zeer gelijkende voorstellingen. Zo vertellen ons de Letse dainas, oude volksliederen geworteld in heidense tijden, dat de Dìeva dêli ‘zonen van Dìevs (God)’ bij het zonnerijzen dingen naar de hand van Saules meita ‘dochter van Zon’. We leren dat ze haar op midzomerdag groeten en dat ze een bad voor hen verwarmt voor wanneer ze op hun bezwete rossen aankomen. Zulke liederen worden op bruiloften gezongen. In een ervan heeft Zon haar dochter weliswaar aan een zoon van God beloofd maar geeft ze haar aan Maan. Soms zijn er meerdere Saules meitas, zoals in 1912 geschilderd door Janis Rozentāls (zie boven). En ook in Litouwen kent men haar, als Saulės duktė en Saulės dukrytė, met uitdrukkingen als nė Saulės duktė jam negal įtikti ‘zelfs de dochter van Zon kan hem niet behagen’, gezegd van een man die nergens tevreden mee is.

Uit zijn onderzoek naar Letse Sonnenmythen besloot de zeer geleerde Wilhelm Mannhardt anderhalve eeuw geleden dat Saules meita onmiskenbaar gelijk is aan de dageraad of eigenlijk zowel de ochtend- als avondschemering. Volgens de liederen zinkt—of zelfs verdrinkt—ze westwaarts in zee en steekt alleen de top van haar kroon nog uit het water, een kroon die door de hemelse smid in het morgenrood gesmeed is. Men zingt dat ze ter zee haar kroon smukte bij het branden van twee lichtjes, kennelijk de morgenster en de avondster. Deze duiding, dat ze de eerste en laatste stralen der zon is, heeft op bijval kunnen rekenen, bijvoorbeeld van Cheryl Steets in 1993. Het is nochtans opvallend dat nergens in de Oudindische overlevering de zonnedochter gelijk wordt gesteld met Uṣás ‘Dageraad’.

Weer over Uṣás gesproken: die heeft meerdere malen de toenaam bṛhatī́, een voortzetting van Indo-Europees *bhr̥ghn̥tíh2 ‘rijzige’ (en verwant aan ons berg). Dat woord ontwikkelde zich anderszins tot Keltisch *brigantī, de voorloper van Iers Brigit/Brigid, enerzijds de naam van een voorname godin als dochter van de Dagda ‘Goede God’, de Hoge God, anderzijds als de naam van een heilige die volgens de overlevering bij dageraad op de drempel van haar moederlijke huis geboren was. Heden geldt ze nog als beschermheilige van onder meer de dichtkunst, smeedkunst en geneeskunst, net die zaken waarmee de godin verbonden was.

Dezelfde zonnedochter

Reeds Mannhardt herkende de dochter van de zon tevens in de Griekse vorstin Helénē, hoewel zij van zulke hoedanigheid op het eerste gezicht weinig verraadt in haar bekendste verschijning, in de Iliás en Odússeia van Hómēros. Daarin is ze de weergaloos mooie vrouw van Menélaos, koning van Lakedaímōn in Spártē, wie ze—gewillig of niet—achterliet toen Páris haar naar zijn Troíē meenam. Het verhaal wil dat dit de aanleiding was voor een tien jaar durende oorlog die eindigt in haar terugkeer naar het westen en de verwoesting van Troíē. Van stad en strijd is het bestaan bevestigd door opgravingen in Noordwest-Anatolië, maar Helénē zelf is een ander verhaal.

Hómēros noemt Helénē steevast ‘schoonlokkig’ en soms ook ‘blankarmig’, een aanduiding die hij vaak en alleen voor Griekse vrouwen en godinnen gebruikte en dus weinig onderscheidend is. Belangrijker voor haar ware aard: ze is hier en bij andere Griekse schrijvers de zuster van Kástōr en Poludeúkēs, tezamen de Dióskouroi, de hemelse tweeling. Hij noemt haar bovendien koúrē Diòs ‘meid van Zeús’ (Il. 3.426), Diòs ekgegauîa ‘door Zeús verwekt’ (Il. 3.199 e.v.) en Diòs thugátēr ‘dochter van Zeús’ (Od. 4.227), benamingen die hij alleen voor godinnen en dergelijke gebruikt. Die laatste is bovendien een evenknie van Litouws Diẽvo duktė ‘dochter van Diẽvas’ (voor Zon), alsook van Oudindisch duhitā́ Diváḥ ‘dochter van Dyáuṣ’ (voor Dageraad).

De stamboom van Helénē en haar broeders stond echter niet vast. Hómēros zegt dat Lḗdē hun moeder was doch geeft koning Tundáreos als vader van de broeders (Il. 3.228-244, Od. 11.298-304). Het in flarden bewaarde heldendicht Kúpria van Stasînos uit de 7e eeuw v.Chr., iets later dan de tijd van Hómēros, vertelt ons dat de godin Némesis lang en lustig door Zeús achtervolgd werd en dat beide zich in de gedaanten van verschillende dieren veranderden, tot ze ganzen waren en hij bij haar Helénē verwekte, die uit een ei geboren werd. In andere uitvoeringen van het verhaal had Zeús bij zijn daad de gedaante van een zwaan en werd het ei gegeven aan—of gevonden door—Lḗdē. En weer elders in de overlevering heten Helénē en Poludeúkēs de halfgoddelijke kinderen van Lḗdē en Zeús (als zwaan), terwijl Kástōr en Klutaimnḗstrē de sterfelijke kinderen van Lḗdē en Tundáreos zijn.

Evenredigheden

Het was buiten Hómēros ook bekend dat Helénē in haar jeugd ontvoerd was door de goddelijke held Thēseús, doder van de Mīnṓtauros, en diens makker Peiríthoos, en dat ze door haar hemelse broeders gered was. Dit is onder meer te vergelijken met een Letse daina waarin een zoon van God in zijn boot belet dat de dochter van Zon in zee verdrinkt, evenredig aan hoe de zon westelijk in het water ondergaat en toch iedere dag in het oosten weer opkomt. Hoe dan ook werden de hemelse broeders van oorsprong als redders gezien, ook bij de oude Indiërs.

Het zijn ook de broeders die volgens de Griekse overlevering het huwelijk van Helénē regelen, wanneer velen naar haar hand dingen. De hoogste bruidprijs biedt Agamémnōn, koning te Mukênai, namens diens broeder Menélaos, koning van Lakedaímōn, die inderdaad haar echtgenoot wordt. Later halen zij haar uit Troíē terug. Geleerden als Martin West hebben betoogd dat deze twee ooit aan de voorstelling rond Helénē toegevoegd waren en zo de plek van de hemelse tweeling ingenomen hadden, aangezien ze niet haar eigen broeders huwen kon (noch twee mannen tegelijk). Allicht hadden de Grieken er weinig moeite mee dat Zeús met zijn zus Hḗrē getrouwd was, maar dat waren goden en Helénē werd meer als stervelinge gezien. Overigens heeft Miriam Robbins Dexter bedacht dat de naam Menélaos kan wenken naar *méns, de voorloper van Grieks meís en mḗn ‘maan’, wat weer strookt met het huwelijk van de zonnedochter met Maan in de Baltische en Oudindische overlevering.

Ondertussen waren Helénē en Menélaos als stel vereerd—en naar verluidt begraven—in het oord Therápnai bij Spártē in hun koninkrijk Lakedaímōn. De schrijver Píndaros vertelt in de vijfde eeuw v.Chr. in zijn lofzangen (Puth. 10, Nem. 11) dat ook haar broeders daar in de diepten verblijven doch om de dag bij Zeús op de Ólumpos wonen. Zo vervullen die twee tezamen hun lot, want Poludeúkēs verkiest de hemel en Kástōr was in de strijd gedood. Doch anders dan haar broeders genoot Helénē buiten Lakedaímōn slechts hier en daar verering.


Aftekeningen van ruim tweeduizend jaar oude reliëfs met de Dióskouroi en vermoedelijk Helénē op muren in Spártē (Conze & Michaelis, 1861)

Ze werd wel net als haar broeders vereenzelvigd met het lichtverschijnsel dat we kennen als sint-elmsvuur, hoewel Sōsíbios in de derde eeuw v.Chr. schrijft dat zij de gevreesde uitvoering ervan was en haar broeders de welkome, een gedachte die Plīnius in 77 n.Chr. herhaalt in zijn Nātūrālis historia. Dit is in lijn met de minder goede naam die ze bij meerdere Griekse schrijvers had, iets dat we niet noodzakelijk aan haar weglopen met Páris hoeven toe te schrijven. Want ware ze inderdaad oorspronkelijk de zonnedochter, dan zou ze de helft van de tijd in de onderwereld of nachthemel verblijven en gemakkelijk met duistere krachten in verband gebracht worden, zoals opgemerkt door Linda Lee Clader in dier onderzoek naar Helénē. Haar broeders daarentegen waren zoals gezegd van oudsher het toonbeeld van redders, vooral op zee.

Hoe ze heet

De naam Helénē is zelf ook een aanwijzing voor haar oorspronkelijke rol. In Lakedaímōn is deze ook overgeleverd in de vroege vorm Weléna. Gezamenlijk wijst dit op een onmiddellijke voorloper *Swelenā. Voor de ontwikkeling van de beginklank kunnen we vergelijken hoe Grieks héx ‘6’ en zijn nevenvorm wéx teruggaan op *swéx, van Indo-Europees *su̯eḱs. Aldus is de naam heel goed te herleiden tot de Indo-Europese wortel *su̯el- ‘gloeien van hitte’, bekend van o.a. Litouws svelti ‘gloeien, smeulen’ en svìlti ‘verschroeien, verzengen’, Oudengels swelan ‘branden’ en swol (of swól) ‘hitte, ook van de zon’, Duits schwelen ‘smeulen’ en Nederlands zwoel ‘benauwd’ en zoel ‘aangenaam warm’. Tevens toebehoren onder meer Grieks hélē/wéla ‘warmte, hitte van de zon’, húlē ‘hout, brandhout’ en helénē/helánē ‘toorts; rietbundel; tenen mand’. Dat laatste woord kan oorspronkelijk zelfs gelijk aan de naam Helénē zijn. Een duiding als deze is reeds door Mannhardt en anderen geopperd en enkele jaren geleden door Stefan Höfler uitgewerkt (zie noot).

Toch valt er een andere, verleidelijke duiding te bedenken, want haar naam is zowel vormelijk als inhoudelijk ook goed te verbinden met Indo-Europees *su̯eli̯o(n)-, de voorloper van Grieks aéloioi/aílioi (mv.) en Oudnoords svilar (mv.), beide met de betekenis ‘mannen wier echtgenotes elkaars zusters zijn’. Het Griekse woord heeft het voorvoegsel a- ‘samen-, mede-’, het Oudnoordse had vermoedelijk ooit het Germaanse voorvoegsel *ga- in dezelfde hoedanigheid. Zo is haar naam omgekeerd te begrijpen als ‘zij wier echtgenoten elkaars broeders zijn’, verwijzend naar het huwelijk tussen de zonnedochter en de hemelse tweeling, geheugd in de Oudindische en Baltische overlevering. We mogen zelfs overwegen dat haar naam ooit in een knappe taalvondst bedacht is om beide te betekenen: ‘de brandende wier echtgenoten elkaars broeders zijn’.

De zuiverste bruid

Laat ons nog terugkeren naar Helénē als bruid, een rol die de zonnedochter te meer bij de oude Indiërs en Balten vertolkt. West en anderen hebben gewezen op Helénēs Epithalámios, een lied van Theókritos uit de derde eeuw v.Chr., waarin Helénē ‘van jaar tot jaar’ de bruid van Menélaos heet, haar schoonheid met dageraad en lente vergeleken wordt, en dansende en zingende meiden kransen om de heilige plataan van Helénē hangen en nog voor het eerste licht bloemen vergaren om bij dageraad terug te keren, wanneer het bruidspaar ontwaakt. Evenzo wordt in sommige van de Letse dainas gezongen hoe Zon of de zonen van God de bomen tooien wanneer het huwelijk van de dochter van Zon gevierd wordt, een voorstelling die haar weerklank vindt in vieringen in het noordelijke en oostelijke Avondland rond de meiboom, net in de tijd van haar huwelijk.

Voor sommige onderzoekers is dit alles (en meer) niet toereikend om aan te mogen nemen dat de oorspronkelijke Indo-Europeanen een verhaal over een zonnedochter hadden. Zo heeft Lowell Edmunds enige jaren geleden betoogd dat Helénē eerder te beschouwen is als een geval van de ontvoerde bruid, de uiting van een oerbeeld dat ook in andere oude, al dan niet Indo-Europese overleveringen opduikt, niet zozeer vanuit een oerverhaal als vanuit vroegere zeden rond bruidroof. Het is de vraag of dat recht doet aan de volle kracht van de gegevens of alleen al het duidelijk nauwe en anders moeilijk te begrijpen verband tussen Helénē en de hemelse tweeling.

Als Helénē oorspronkelijk dan toch de zonnedochter was, hoe werd ze dan de spil van de oorlog met Troíē? Een belangwekkend antwoord is onlangs in vier delen (1, 2, 3, 4) geopperd door Owen O’Neill. Zeer kort gezegd: hij wijst erop dat er in de late 15e eeuw v.Chr. een huwelijksverbond gesloten was tussen (een dochter van) een Griekse koning en de vorst van Aššuwa, een vereniging van staten in West-Anatolië waartoe ook Troíē behoorde, en dat er bovendien aanwijzingen zijn voor een ander huwelijk tussen enerzijds de Grieken en anderzijds Páris/Aléxandros van Troíē anderhalve eeuw later. Ware Troíē in gebreke, dan zouden de Grieken verhaal gaan halen en is het voorstelbaar dat een Griekse vorst die tevoren aan deze bruid verloofd was—of naar haar hand gedongen had—zijn kans greep om haar te halen. Deze bruid ware niet Helénē maar dier belichaming, zo weergaloos in schoonheid dat ze alleen met de zonnedochter vergeleken kon worden.

In onze streken

Om dichter bij huis te eindigen, er zijn ook aanwijzingen voor een Germaanse zonnedochter. In zijn De Frīsiōrum antīquitāte schreef de 16e-eeuwse Friese geleerde Suffridus Petrus dat Hengist en Horsa een zuster hadden genaamd Suana (lees Swana) ‘Zwaan’ en dat zij met een Friese edelman twee zonen kreeg die eveneens Hengist en Horsa heetten. Suffridus was geen betrouwbare geschiedkundige, maar haar naam is opmerkelijk, niet alleen omdat de Friezen vanouds zwanen op hun gevels hebben, in tegenstelling tot de rossen van de Saksen, en de Oudindische Aśvínā omschreven worden als ‘gevleugeld’ en ‘vliegend als zwanen’, zoals ook de Griekse Dióskouroi ‘gevleugeld’ heten. Belangrijker nog, Helénē was zoals gezegd volgens sommige oude Grieken geboren uit een zwanenei.

Donald Ward heeft deze Suana vergeleken met Svanhildr, dochter van Sigurðr in de Oudnoordse overlevering. Zij heet de fegrsta mey undir heimsólu ‘mooiste meid onder de wereldzon’ in de Vǫlsunga saga en trouwt met de Gotenkoning Jǫrmunrekkr. Wanneer diens zoon haar beschuldigt van ontrouw wordt ze ter dood veroordeeld en door rossen vertrapt. Op aangeven van haar moeder Guðrún wordt ze gewroken door haar halfbroeders Hamðir en Sǫrli, die Jǫrmunrekkr de handen en voeten afhouwen doch gedood worden eer ze het werk af kunnen maken. Een van de andere uitvoeringen van het verhaal vinden we in de zesde-eeuwse Getica van Iordánēs, waar de Gotenkoning Hermanaricus de echtgenote van een ontrouwe leenman, Sunilda (een verbastering van Suanhilda), laat vierendelen door rossen en door haar wrekende broeders gedood wordt.

En dan is er het Middelhoogduitse gedicht over Kudrûn (vermoedelijk een vernederlandsing van Oudnoords Guðrún), een koningsdochter van een rijk aan de Noordzee dat ook Nederland beslaat. Ze is met Herwîc verloofd doch wordt door Hartmuot ontvoerd naar Normandië, waar ze dertien jaar te vertoeven heeft onder het oog van Hartmuots moeder Gerlint. Op een winterse ochtend is ze op het strand kleren aan het wassen wanneer ze een boot met twee ridders ziet: haar verloofde Herwîc en haar broeder Ortwin. Ze beloven om de volgende dag tot haar redding met manschappen terug te keren en doen dat. De overeenkomsten zijn vooral groot met het verhaal van Helénē en Thēseús en diens moeder Aíthra. Van belang is ook dat Herwîc en Ortwin op de avond voor hun vertrek west over de zee uitkijken naar de gloed van de zon die verborgen achter de wolken ligt te verre Gustrâte. Ward ziet deze naam als een samentrekking van Guldstrâte en vergelijkt hem met hiraṇyavartanī ‘guldenpadig’, een bijnaam van de Aśvínā in de Ṛgvedá.

Besluit

Dat er reeds in de Indo-Europese voortijd een verhaal van de zonnedochter bestond is moeilijk te bewijzen. De overeenkomsten tussen de Baltische en Oudindische overlevering in dezen zijn bijzonder sterk, de vereenzelviging met Helénē vergt de nodige toelichting, zoals zij door Hómēros en andere oude Grieken niet uitdrukkelijk met de zon in verband gebracht werd. Zwaar wegen evenwel haar hechte band met de hemelse tweeling, waar anders moeilijk een verklaring voor te bedenken is, en haar naam, die te duiden is als ‘brandende’ of ‘zij wier echtgenoten elkaars broeders zijn’—of beide zelfs. Er zijn ondertussen aanwijzingen dat de zonnedochter ook in de Germaanse wereld bekend was, onder de naam Swana.

Noot
In weerwil van o.a. Rix e.a. (2001) betoogt Höfler (2019) dat de wortel niet *su̯el- maar *su̯elh1 was. Hij wijst hiervoor op de klankstand van Litouws svìlti ‘verschroeien’ en Oudengels swol ‘hitte’, die evenwel anders te verklaren is, terwijl het verwante Litouws svelti ‘gloeien, smeulen’—door hem niet genoemd—juist toont dat de wortel niet op *h1 eindigde. Zijn herleiding van Helénē tot *Su̯elh1neh2 is dus ongegrond, verklaart ook niet de klemtoon. Eerder is de naam oorspronkelijk een n-stam, evenredig aan ōlénē ‘onderarm’ met dezelfde verbuiging. De duiding van Pinault (2015), een herleiding tot *Suh1-l̥-h1eno- met de betekenis ‘jaren als draad hebbende’ i.v.m. Helénē als vermeende zieneres is zeer gezocht en niet overtuigend. Ook Jamison (2001) kan niet gelijk hebben in haar verbinding met *u̯elh1 ‘kiezen’ i.v.m. de keuze die de bruid heeft, want de omstandigheden waarin de Indo-Europese *u̯ zich ontwikkelde tot een harde ademtocht in het Grieks zijn hier niet van toepassing.
Beeld
Janis Rozentāls’ Saules meitas ‘Dochters van de Zon’ (1912), door Rémi de Valenciennes. Enige rechten voorbehouden.

Verwijzingen

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Brandenstein, W., Griechische Sprachwissenschaft. Band I: Einleitung, Lautsystem, Etymologie (Berlijn, 1954)

Clader, L.L, Helen: The Evolution from Divine to Heroic in Greek Epic Tradition (Leiden, 1976)

Conze, A. & A. Michaelis, “Rapporto d’un viaggio fatto nella grecia nel 1860”, in Annali dell’Instituto di corrispondenza archeologica / Annales de l’institut de correspondance archéologique 33 (1861), blz. 5-90

Edmunds, L., Stealing Helen: The Myth of the Abducted Wife in Comparative Perspective (Princeton, 2015)

Höfler, S., ““La belle Hélène”, a generic brothel, and the development of *CR̥HC sequences in Ancient Greek”, in Die Sprache 52 (2019), blz. 177–201

Homeros, Ilias, vertaald door B. Bijnsdorp (webuitgave)

Homeros, Odyssee, vertaald door B. Bijnsdorp (webuitgave)

Jamison, S.W., “The Rigvedic Svayaṃvara? Formulaic Evidence”, in Studio Orientalia 94 (2001), blz. 303–15

Jamison, S.W. & J.P. Brereton, The Rigveda. The Earliest Religious Poetry of India, Vol. I-III (New York, 2014)

Mannhardt, W. “Die lettischen Sonnenmythen”, in Zeitschrift für Ethnologie 7 (1875), blz. 73–104, 209–44, 281–329

Pinault, G.-J., “Hélène retrouvée : l’étymologie de grec Ἑλένη”, in Балканско езикознание/Linguistique balkanique 54 (2015), blz. 155–172.

Pokorny, J., Indogermanisches etymologisches Wörterbuch (Bern, 1959)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Robbins Dexter, M., “Proto-Indo-European Sun Maidens and Gods of the Moon”, in The Mankind Quarterly 25-1 (1984), blz. 137–44

Simone, C. de, “Nochmals zum Namen ‘Ελένη”, in Glotta 56-2 (1978), blz. 40–2

Skutsch, O., “Helen, her Name and Nature”, in The Journal of Hellenic Studies 107 (1987), blz. 188–93

Steets, C., The Sun Maiden’s Wedding: An Indo-European Sunrise/Sunset Myth (dissertation) (Los Angeles, 1993)

Sturm, J., “ἵστωρ and ἑορτή: The Rough-Breathing Reflex of Greek”, paper presented at the 28th Annual UCLA Indo-European Conference (2016)

Ward, D., The Divine Twins: An Indo-European Myth in Germanic Tradition (Berkeley/Los Angeles, 1968)

West, M.L., Greek Epic Fragments from the Seventh to the Fifth Centuries BC (Londen, 2003)

West, M.L., Indo-European Poetry and Myth (Oxford, 2007)

Een gedachte over “De zonnedochter als zuiverste bruid

Geef een reactie