Een Germaanse winter

Also available in English.

Van alle takken aan de Indo-Europese taalboom beschikt de Germaanse als enige over een geheel eigen woord voor het koude jaargetijde. Waar de anderen een vorm van het oude hei-m- hebben, zoals Grieks kheîma ‘winter, winterweer, storm’, Oudiers gaim ‘winter’ en Oudindisch himá- ‘vorst, sneeuw, winter’ (ook in Himālaya), gebruiken de Germaanse talen allemaal een vorm van winter. Wat is hier aan de hand? Waar komt het vandaan? Hier volgt een frisse, nieuwe blik op een eigenaardig woord. Lees verder “Een Germaanse winter”

Advertenties

Cruptorix

Het zijn spannende dagen in 28 na Christus, wanneer de Friezen enkele Romeinse belastinginners aan het kruis nagelen, naar verluidt om onredelijke eisen. Ze belegeren daarna het plaatselijke castellum en lokken uiteindelijk negenhonderd rijkstroepen, waaronder Germaanse dienstplichtigen, tot hun bloedige einde in het woud van Baduhenna. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus, van wie wij het verhaal hebben, voegt eraan toe dat nog eens vierhonderd rijkstroepen de hoeve van ene Cruptorix bereiken en daar uit angst voor verraad de hand aan elkaar slaan. Van Cruptorix zegt Tacitus verder alleen dat deze ooit soldaat voor de Romeinen was geweest. Een beschouwing van zijn naam onthult echter meer: niet zozeer over hemzelf als wel over de Friezen van toen, een verrassende bevestiging van iets dat we lang over hen hebben aangenomen. Lees verder “Cruptorix”

Het krieken van onze taal

De taalgoden zijn ons gunstig gezind, want het gloednieuwe boek The Dawn of Dutch van de vooraanstaande taalkundige Michiel de Vaan is door de uitgever kostenloos beschikbaar gemaakt voor uw harde schijf en leesgenoegen. De ontwikkeling van het Nederlands uit het Oudgermaans kent vele eigenaardigheden, mede door de Fries(achtig)e taal die oorspronkelijk aan de kust werd gesproken, naast de spraak van de Franken in de … Lees verder Het krieken van onze taal

Hoe Keltisch waren de Friezen?

In 58 na Christus reizen de twee Friese vorsten Verritus en Malorix af naar Rome om te praten over de rijksgronden die ze net bezuiden de Rijn hebben ingenomen. Al warend door de eeuwige stad belanden ze in het Theater van Pompeius en merken ze op dat er buitenlanders op voorname plekken zitten. Dat, zo wordt hun uitgelegd, zijn afgevaardigden van volkeren die hun moed en vriendschap aan Rome hebben bewezen. Daarop zeggen Verritus en Malorix dat er boven de Germanen geen sterveling uitmunt in wapens en trouw, en ze nemen ertussen plaats. Het wordt goed opgevat en de heren krijgen Romeins burgerrecht, maar keizer Nero laat evengoed de Friezen van de betwiste gronden vertrekken. Lees verder “Hoe Keltisch waren de Friezen?”

Namengalm

Wij zijn onze noemkunst verloren. Waar onze Germaanse voorouders tweeduizend jaar geleden een schat aan namen in de hoge taal van het heldendicht wrochten hebben wij het maar te doen met de nagalmen ervan, die we langzaam vervangen met allerlei oppiksels van elders. Er zit geen leven meer in onze namen, voor zover ze van ons zijn, en we moeten in werken naslaan wat hun betekenis is, voor zover die bekend of zeker is.

Lees verder “Namengalm”

Zonne

Ontzagwekkend als de verschijning mag zijn, de zon lijkt pas vrij laat als een goddelijke geest te zijn beschouwd in de menselijke geschiedenis, en dan vooral in Eurazië en Egypte. Vaak ging het om een bescheiden rol, maar in menig geval werd hiermee de oorspronkelijke oppergod, Vader Hemel, naar de achtergrond verdrongen. Bekende voorbeelden zijn Ra, die door sommige farao’s als hoogste god werd beschouwd, en Amaterasu, de Japanse zonnegodin die tot op de dag van vandaag als stammoeder van de keizerlijke familie wordt vereerd. Hoewel de zon ook bij Indo-Europese volkeren dikwijls als bezield werd gezien, moeten de oorspronkelijke Indo-Europeanen er anders naar hebben gekeken. Voor hun was de zon, hoewel van godsdienstig belang, eerder een ding dan een oergeest.

Lees verder “Zonne”

Appels vallen

Er is een hoop wetenschappelijke vooruitgang geboekt met de buitengewoon scherpe waarneming dat appels vallen. Of beter gezegd: met het besef dat ze altijd recht omlaag vallen. Eind zeventiende eeuw vroeg de Engelse geleerde Isaac Newton zich namelijk af waarom ze niet evengoed zus of zo vielen. Wat was nu eigenlijk de aard van deze regelmatige ‘zwaartekracht’? Hij werkte daarop de nodige wetten uit en werd daarmee de grondlegger van de klassieke mechanica. Een sappig aanhangsel van dit verhaal is evenwel dat het vallen der appels mogelijk besloten ligt in het woord appel zelf.

Lees verder “Appels vallen”