Maf

Geloof het of niet, maar het zo gemeenzame maf behoort tot die ongelukkige rij woorden waar wortelkundigen weinig over te zeggen hebben. Het komt pas vanaf de vroege zeventiende eeuw op schrift voor en eerst in de betekenis ‘slap, flauw, krachteloos, suf’. Het is vandaar dat maffen ‘slapen’ is afgeleid, net zoals slap en slapen bij elkaar horen. Het werd vroeger ook zelfstandig gebruikt, voor sullen en dwazen, zoals in de uitdrukking iemand voor een/de maf houden. Uit lichte wanhoop –of misschien juist met overgroot vertrouwen– is wel voorgelegd dat maf een nevenvorm ware van muf, en anders een vermenging van laf met moe of mat. Een blik op de streektalen, aan beide zijden van de Noordzee, maakt dat weinig aannemelijk. Eerder is het van een geheel eigen stamboom.

Lees verder “Maf”

Nersch

Hoe heerlijk is het op die hoge lentedagen, met al dat lichte groen, als nu eens Zonne straalt en dan eens regen valt, als druppels zachtjes trommelen op lover en heel de lucht verrukkelijk ruikt? Middenaarde verkwikt en is jong in haar ouderdom. Ik zocht een woord voor dat frisse, dauwige, vochtige en welige waar ik zo van houd –vooral van het groene voorjaar– en vond het in de werken van Westvlaamse dichters en schrijvers in de wende van de negentiende naar de twintigste eeuw. Want zij noemden zulks nersch. En mogelijk is dat een woord dat ooit een mythologische, paradijselijke lading had.

West-Vlaanderen
“Het land lag voor hem, onafzienbaar, met hoogten en vlakten, en dorpen en bosschen, alles nog in de nersche wazigheid van de vroegte,” schreef August Vermeylen. “En lijze [‘zachtjes’], onhoorbaar haast, doch zichtbaar aan den drijf der avonddoomen, blaast een doodenadem nog een looverke uit de boomen, rolt het, glazig-nat en nersch, al over ‘t streuvelende gers,” dichtte René de Clercq.

Lees verder “Nersch”