Skip to content

Maf

18 februari 2016

maf

Geloof het of niet, maar het zo gemeenzame maf behoort tot die ongelukkige rij woorden waar wortelkundigen weinig over te zeggen hebben. Het komt pas vanaf de vroege zeventiende eeuw op schrift voor en eerst in de betekenis ‘slap, flauw, krachteloos, suf’. Het is vandaar dat maffen ‘slapen’ is afgeleid, net zoals slap en slapen bij elkaar horen. Het werd vroeger ook zelfstandig gebruikt, voor sullen en dwazen, zoals in de uitdrukking iemand voor een/de maf houden. Uit lichte wanhoop –of misschien juist met overgroot vertrouwen– is wel voorgelegd dat maf een nevenvorm ware van muf, en anders een vermenging van laf met moe of mat. Een blik op de streektalen, aan beide zijden van de Noordzee, maakt dat weinig aannemelijk. Eerder is het van een geheel eigen stamboom.

Wat opvalt aan maf is dat het in de Lage Landen aanvankelijk tot de kustgebieden beperkt is, een gegeven dat wel eens een goede aanwijzing voor de herkomst zou kunnen zijn. Ook de verschillen in betekenis zijn van belang. Er is allereerst Westvlaams maf, dat naast ‘dwaas’ ook nog ‘slap en krachteloos’ betekent, en dan vooral in het geval van dronkelappen. Verder naar het noorden, in het Noordhollands, verstaat men maf vanouds als ‘muf, dof, vadsig, laf’, in het bijzonder met gedachte aan vochtigheid en schimmel, en wel gezegd van huizen, muren en meubelen. Voorts wordt maf in het Fries en Gronings vooral gebruikt met betrekking tot het weer: ‘vochtig, benauwd, broeierig enz.’ In het Gronings bestaat bovendien de merkwaardige nevenvorm mag (vanwege de gerekte uitspraak ook wel maag en zelfs maarg gespeld), en dat zou wel eens wat kunnen verraden over de herkomst van het woord. Hier kom ik straks op terug.

Dat maf niet alleen naar slapte verwijst maar ook naar vormen van vochtigheid hoeft niet te verbazen. Vochtige zaken zijn immers vaak slappe zaken. (Vergelijk bijvoorbeeld het verband tussen Oudhoogduits welk ‘slap, lauw, vochtig’ en Nederlands (ver)welken ‘slap worden’ en wolk ‘vochtkluit’.) Dat betekent overigens dat ‘vochtig’ (of ‘doordrenkt’) wel eens de oudere betekenis van maf zou kunnen zijn.

Gek genoeg worden de mogelijke verwanten van maf in de Engelse streektalen niet genoemd in de Nederlandse woordenboeken. Zo is maff in Cumbria een woord voor ‘dwaas mens’, terwijl het werkwoord to maffle in verscheidene streken (van Schotland tot Somerset) in gebruik was of is, met een betekenis die uiteenloopt van ‘stamelen’, ‘mompelen’, ‘blunderen, aanmodderen’ en ‘beuzelen’ tot ‘verwarren, verbijsteren’ en ‘verkwisten’ en in Yorkshire bovendien ‘verstikken, door warmte bevangen’. Tevens in Yorkshire heeft men het werkwoord to maft, met de betekenis‘verstikken, benauwd zijn door hitte of gebrek aan zuurstof, buiten adem zijn door grote inspanning’ (ah were that mafted, ah wer fit ti soond awaay ‘ik was zo benauwd, ik stond op het punt flauw te vallen’) en ook ‘opkomen, stuiven van stof, sneeuw enz.’ (sky was thick wi’ maftin fog ‘de lucht was dik van opkomende mist’). Al deze betekenissen zijn te herleiden tot ‘sullig, slap zijn’ en ‘benauwd, vochtig zijn (van lucht)’.

Het is opmerkelijk dat juist in die gebieden waar maf en mogelijke verwanten voorkomen, dus langs de Nederlandse en Vlaamse kust en in Engeland, er in sommige woorden een eigenaardige klankverschuiving is voorgevallen. De Oudgermaanse /g/ en /h/ zijn daar namelijk soms overgegaan in een /f/. Zo heeft het Engels, al dan niet met achtergebleven spelling, enough, to laugh, to cough, rough, draught/draft, dwarf en gewestelijk pluff, tegenover algemeen Nederlands genoeg, lachen, kuchen, ruig, dracht, dwerg en ploeg. En zo heeft het Westvlaams de vormen genoef, ploef en loef ‘lachte’ naast genoeg, ploeg en loeg, heeft het Zaans de vorm poffel ‘lichaam’ tegenover gewestelijk pochel en algemeen Nederlands bochel en kent het Gronings ook sloef ‘neerslachtig; slaperig’ naast sloeg en tegenover Fries slûch.

Met het oog op de anders zo merkwaardige Groningse vorm ma(a)g naast maf, ligt het dan voor de hand te denken dat de /f/ van maf en verwanten is ontstaan uit een Oudgermaanse /g/ of /h/. In Drenthe, Overijssel en Gelderland, dus streken waar deze klankverschuiving is uitgebleven, komt maf vanouds niet voor. Wel vinden we daar maggeln, nevenvorm moggeln, dat ‘knoeien, morsen’ betekent (zit niet zo te maggeln, het wordt iene rotzooi en gekken en dwazen, die maggelt op deuren en glazen) en bij uitbreiding ‘slordig schrijven’. Bovendien heet in Drenthe een schort voor vuil werk ook wel een magge. De betekenis ligt ook niet ver van die van maf, aangezien het bij morsen meestal om een wat vochtige blunder gaat.

In Holland en verder langs de kust vinden we vervolgens nog magge en magaal als benamingen voor een slijmerige, slangachtige vis die zich in het zand of de modder van de bodem nestelt en vandaar op zijn prooi wacht. Hij is ook wel bekend als kwabaal, doch vooral als puitaal, waarbij puit op zichzelf overigens ‘kikker’ betekent.

In Engeland ten slotte, bepaaldelijk in Worcestershire, Gloucestershire en Oxfordshire, is er het werkwoord to maggle, met de betekenissen ‘plagen’ en ‘uitputten’ (maggled to death ‘heet en moe’). De laatste doet sterk denken aan de hierboven genoemde Yorkshire-woorden to maffle ‘verstikken, door warmte bevangen’ en to maft ‘verstikken, benauwd zijn’.

Welnu, indien al deze woorden daadwerkelijk bij elkaar horen hebben we zoals gezegd enige reden om een grondbetekenis ‘vocht(ig)’ aan te nemen, en wel bij een Oudgermaanse wortel *mah-, *mag-. Het Oudgermaans is een vertakking van het Proto-Indo-Europees, en daarin zou deze wortel nog *mok- hebben geluid. Deze vinden we buiten het Germaans in onder andere Lets makņa ‘moeras’ en mãkuônis ‘wolk’ en Litouws makénti ‘in een drassige bodem rondwaden’, makõnė ‘moeras, modder’ en gewestelijk mokas ‘dikke modder’, alsook Kerkslavisch moča ‘poel’ en Russisch močá ‘urine’, močít’ ‘urineren, bevochtigen’ en mókryj ‘nat, vochtig’.

Ten slotte is het nog mogelijk dat Oudnoords mǫkkvi ‘wolk, mist’ en mǫkkr ‘dikke wolk’ en vandaar IJslands mökkur ‘rookwolk’ hierbij horen. In de Oudnoordse overlevering is Mǫkkurkálfi de naam van een reus die kennelijk zo groot is dat hij met zijn kálfar (‘kuiten’) in de wolken staat. Het zou hier dan gaan om afleidingen van een verloren werkwoord mǫkkva, dat langs Oudgermaans *makkwanan de voortzetting ware van Proto-Indo-Europees *mok-n(e)u- ‘vochtig zijn’. Hier is *-n(e)u- overigens een achtervoegsel ter vorming van de tegenwoordige tijd.

Zo kan een bescheiden woord als maf een veel aanzienlijkere geschiedenis hebben dan vooralsnog voor mogelijk werd geacht. Of misschien kunnen we maar beter een ‘beschaafde’ vorm als mag gebruiken. We zeggen immers ook geen genoef en ploef en zo.

Beeld
“Mönche in einem Weinkeller” (1873) door Joseph Haier.
Verwijzingen

Bo, L. De, Westvlaamsch Idioticon (Gent, 1892)

Bouman, J., De Volkstaal in Noordholland (Purmerend, 1871)

Derksen, R., Etymological Dictionary of the Baltic Inherited Lexicon (Leiden, 2015)

Derksen, R., Etymological Dictionary of the Slavic Inherited Lexicon (Leiden, 2008)

Gallée, J.H., Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect (Deventer, 1895)

INL, Vroegmiddelnederlands Woordenboek (webuitgave)

INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Kocks, G.H., Woordenboek van de Drentse dialecten, 2e deel M–Z (Assen, 2000)

Laan, K. ter, Nieuw Groninger Woordenboek, 2e druk (Groningen, 1989)

Loey, A. van, Schönfelds Historische Grammatica van het Nederlands, 8e druk (Zutphen, 1970)

Wright, J., The English Dialect Dictionary, 6 vol. (Londen, 1898-1905)

Advertisements
13 reacties leave one →
  1. 19 februari 2016 08:09

    Weer een zeer leerzaam artikel, Olivier, zelfs over de dialecten van de streek waarin ik geboren ben (de kustgouw, West-Vlaanderen). Ik kende namelijk noch “maf” in de streektaal, noch “genoef”, “ploef”, enzovoort. Wellicht werden/worden die woorden dus gebruikt in een ander deel van de provincie. Daarentegen kan ik je wél zeggen dat het woord maf in de streek waar ik nú woon (tussen Dendermonde en Sint-Niklaas in Oost-Vlaanderen) nog steeds zelfstandig wordt gebruikt, voor “gek” (in de negatieve zin), en wel met toevoeging van een t: maft.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      19 februari 2016 13:57

      Dank je, Björn, ook voor de toevoegingen. Ik zat me al af te vragen of vormen als genoef en ploef überhaupt nog in leven zijn in West-Vlaanderen. De Bo’s woordenboek is immers alweer meer dan een eeuw oud.

      Opmerkelijk is die vorm maft, gezien Yorkshire-Engels to maft. Een vergelijkbare t-uitbreiding van een bijvoeglijk naamwoord is wuft, ouder wift, uiteindelijk van wif.

      Overigens, nu je Dendermonde noemt: ik kwam erachter dat de inwoners van die stad ook wel Makkeleters werden (worden?) genoemd, waarin makkel (ook wel makker) de benaming is van een vis die vroeger in de Schelde werd gevangen. Ook dit woord zou verwant kunnen zijn aan de groep die ik in het stuk noem.

      • bjroose permalink
        19 februari 2016 14:48

        Graag gedaan, Olivier. “Genoeg” en “ploef” kunnen overigens nog best in leven zijn, de variëteit in klanken binnen West-Vlaanderen is nog steeds vrij groot. Bijvoorbeeld ook in de uitspraak van de “sch” in woorden als school, die in een groot deel van West-Vlaanderen “sk” is en niet het “platte” “sch” – mijn excuses, fonetisch schrijven behoort niet tot mijn sterktes – dat geacht wordt typisch “West-Vlaams” te zijn.

        Wat de oude bijnaam van de Dendermondenaren aangaat: ik kende ze niet, maar lees hier dat ze (ook?) geschreven werd als “makeleters”. En een makel of mackel schijnt dan weer, ook in het Duits, zoiets als een (schand)vlek te wezen, wat weer in de buurt zit van een aantal woorden waarnaar je in je artikel verwees. Misschien was de mak(k)el een moddervis, iets als een forel of een paling dat in de modder van de Dender leefde ?

      • Olivier van Renswoude permalink*
        19 februari 2016 15:25

        Nou, Duits Makel ‘vlek, smet’ en verouderd Nederlands makel ‘id.’ zijn (betrekkelijk laat) ontleend aan Latijn macula, dus daar zie ik niet zo gauw een verbinding mee.

        Overigens is ooit bedacht dat Noordoostnederlands maggeln op ditzelfde macula teruggaat, maar dat lijkt mij om meerdere redenen onwaarschijnlijk.

        Wat de visnamen betreft, ik vermoed dat ze al dan niet met verkleiningsachtervoegsel teruggaan op één enkel woord, inderdaad verwijzend naar modder, met een onregelmatig paradigma:

        nom. *magō (of *mahō)
        gen. *makkaz
        dat. *mageni

        Dit zou dan de voortzetting zijn van een gewestelijk Proto-Indo-Europees woord:

        nom. *mokōn
        gen. *moknós
        dat. *mokéni

        Het Oudgermaans heeft, zoals Guus Kroonen in navolging van o.a. Kluge heeft laten zien, een boel woorden met een dergelijk onregelmatig paradigma geërfd van zijn voorloper. Dergelijke paradigmata konden en werden uiteindelijk in meerdere richtingen gelijkgetrokken, waardoor in dit geval ook vormen met lange -gg- en korte -k- konden ontstaan.

        Ten slotte stuitte ik ook nog op de Middeleeuwse toenaam mackelvoet (Gent, 1281). Het Vroegmiddelnederlands Woordenboek oppert dat het eerste lid een nevenvorm (of misspelling) van wackel ‘wankel, waggelend’ is, maar dat lijkt me vrijmoedig. Mogelijk verwees het eerder naar iemand die om welke reden dan ook vaak natte of modderige voeten had. Je kunt je voorstellen dat zo iemand een spoor achterliet iedere keer dat hij de plaatselijke herberg of kroeg bezocht en daarvan bekend werd.

  2. 20 februari 2016 07:13

    Ik wil best weer genoef en ploef gaan gebruiken, het heeft wel wat!

    • Olivier van Renswoude permalink*
      20 februari 2016 14:51

      Hoewel de overgang van /g/ en /h/ naar /f/ in meerdere gebieden voorkwam, kon het per gebied verschillen welke woorden eraan meededen. Dus ik weet niet of genoef en ploef ook buiten Engeland en West-Vlaanderen ooit in gebruik waren.

      Maar wat niet is kan nog komen!

  3. Luc Vanbrabant permalink
    25 februari 2016 11:02

    Als andere West-Vlaming en van een generatie ouder, kan ik volgende zaken meedelen:
    ‘Genoeg’ spreek ik uit als ‘enoeft’. Ploef voor ‘ploeg’ ken ik niet. Vijftig en vijftien spreek ik uit als ‘fihtih’ en ‘vihtiene’. Kuf’n staat voor kuchen. Iets kan ook ‘vermuft’ ruiken, onaangenaam vochtig. Bloemen die zijn verwelkt, ruiken vermuft. Als iemand je voor ‘loeftie’ uitscheldt weet je dat je onbeholpen of lomp bent. Dit loeftie heeft waarschijnlijk wel iets met ‘lucht’ te maken. De Bo geeft voor ‘lachte’ nog ‘loeg’ of ‘loef’, maar dat hoor ik niet meer, waarschijnlijk voor ‘loeg’ omdat het te veel op ‘loog’ trekt. Kan ‘ smuk’n ‘ (motregenen-mistregenen) ook aan *mok zijn verwant?
    Ik voel mij hier een beetje als laatste der Mohikanen wat West-Vlaams betreft…

    • 25 februari 2016 11:21

      Dag Luc,

      Geen enkele reden om je de “laatste der Mohikanen” te voelen 🙂 Zoals ik al zei, en illustreerde met voorbeelden, worden/werden bepaalde woorden alleen in bepaalde delen van de provincie gebruikt. Hét “West-Vlaams” bestaat nu eenmaal niet en ik weet wel zeker dat er op dat vlak verschillen bestaan tussen Roeselare (jij woont in Oekene, als ik dat goed heb) en Handzame (al ben ik dan, zoals de halve streek, geboren in het “moederhuis” in Roeselare). Ik ging vroeger wel eens uit in Roeselare en kon toen ook al vaststellen dat daar andere klanken gehanteerd werden dan bij ons.

      Wat “vermuft” betreft: de stam daarvan, “muf”, is gewoon algemeen Nederlands, dacht ik, geen streektaal.

      Aangaande “smuk’n”: in de streek waar ik nu woon, heet dat “smokkelen” (en “smokkelregen”).

      Vriendelijke groeten,

      Björn

      • Luc Vanbrabant permalink
        25 februari 2016 11:47

        Dag Bjorn,
        Leuk bericht!
        Voor West-Vlaams heb ik de volgende mening: Iedere West-Vlaming begrijpt zonder veel verwarring een andere West-Vlaming. Het gaat nog altijd over dezelfde taal. Men hoort zeker accentverschillen en het moeilijkste ligt in de woordenschat. Men kent een bepaald woord wel of niet (meer). Maar dat is bij mensen die Nederlands spreken ook zo. Hét Nederlands bestaat eigenlijk ook niet. De mensen die het journaal presenteren in Nederland en België spreken een ander Nederlands, maar nog altijd Nederlands. Wij spreken Brugs, Kortrijks, Waregems… maar nog altijd West-Vlaams. Ik vind voor West-Vlaanderen twee richtingen: de Saksische aan de zee- en westkant en de Frankische in de rest van de provincie. Met een vader uit Ingelmunster en een moeder uit Avekapelle heb ik in mijn taalgebruik Frankische en Saksische wortels, vandaar mijn wat eclectisch taalgevoel.

  4. Luc Vanbrabant permalink
    25 februari 2016 11:50

    Nog eens een goeie dag Björn,
    Sorry voor het fout spellen van je naam.

    • bjroose permalink
      25 februari 2016 12:02

      Nah, maakt niet uit, Luc, gebeurt wel vaker, dat de mensen “de puntjes op de o” vergeten 🙂

      En nee, mij hoor je ook niet beweren dat er zoiets als hét gesproken Nederlands is (de geschreven taal is uiteraard wel gestandaardiseerd, toch wat de spelling betreft. Wat het verstaan van de diverse dialecten aangaat: ik haal altijd Flip Kowlier aan als voorbeeld van iemand die ik absoluut niet versta, maar volgens sommigen ligt dat aan zijn persoonlijke uitspraak, niet aan zijn dialect.

      Dat Saksische en dat Frankische, dat kan (ik ben geen taalkundige) – passeert de “grens” dan ergens tussen Roeselare en Handzame ? -, maar zelfs aan de Saksische kant zijn er dan nog serieuze klankverschillen, me dunkt. Dat “zeitje” (en dergelijke klanken) dat ze hebben in Oostende, klinkt nergens zoals aan de kustlijn.

      Soit, taal blijft een – leuk – onderwerp van discussie.

      • Luc Vanbrabant permalink
        26 februari 2016 08:57

        Grenzen zijn moeilijk te trekken zeker vanaf de 20ste eeuw waar men veel meer begon te verhuizen dan vroeger. Voor die taalgrens zou ik verwijzen naar wetenschappelijke litteratuur.
        Wat dat ‘zeitje’ betreft: Ik denk dat dit nog een oude klank herbergt die ook in ‘staart, paard, wereld…’ te vinden is. Volgens mij werden woorden als ‘waar, daar, gaan…’ vroeger ook zo uitgesproken. Kijk maar naar het Saksische Engels waar die klank wel is gebleven, net als bij de Friezen. Hoe dichter bij Engeland hoe ‘gelijker’ de taal eens is geweest. Maar met de komst van de Franken is één en ander veranderd en zullen er klankwissels zijn gekomen zoals hierboven vermeld.
        Ik werkte vijfendertig jaar in zijn thuisstad Izegem, maar als Flip Kowlier zingt, begrijp ik daar ook de helft niet van. Als ik de tekst bij me heb, lukt dat wel. Het zal dus aan de wat ‘binnensmondse’ uitspraak van hem liggen. Wat niet belet om van zijn muziek te genieten.

  5. Luc Vanbrabant permalink
    26 februari 2016 09:06

    Er schiet mij juist een woord te binnen: bemokkeld. Dat gebruiken we voor iets dat is beschimmeld door vochtigheid.
    ‘Iets bemokkelen’ betekent ook ‘iets vuil maken’.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s