Skip to content

Wat is een vent?

12 februari 2015

“Dat is wel een aardige vent.” “Nee, ik mag die vent niet.” Links en rechts gebruiken we het woord vent om mannen mee aan te duiden. Het is niet deftig, maar gemeenzaam en vertrouwelijk, voornamelijk bedoeld voor mannen die we niet zo goed kennen of die eenvoudig zijn of waar we geen hoge dunk van hebben. De meeste mensen zullen de koning bijvoorbeeld niet gauw een vent noemen. Maar hoe komt die lading zo? Wat is een vent oorspronkelijk?

In het verleden is vent geduid als een samentrekking van vennoot ‘zakengenoot, ambtgenoot’, dat zelf een verbasterde samenstelling lijkt te zijn van veem ‘soort verbond’ en genoot. De hinder hier is dat vennoot nooit in de betekenis ‘kerel’ o.i.d. is overgeleverd en vent nooit in de betekenis ‘zakengenoot’ o.i.d. Met andere woorden, er is geen echte overgangsvorm overgeleverd en dat maakt vereenzelviging van de twee woorden een hachelijke onderneming. Ook bestaan er buiten het Nederlands geen weergaden van vennoot, maar wel van vent, allen in een betekenis als ‘kerel, jongen’. Zo vinden we Fries feint ‘jongen’ en fint ‘kerel’, Middelnederduits vent ‘kerel, jongeman, gezel’, Middelhoogduits venzelīn ‘kleine deugniet’ en verouderd Duits Fenz ‘schelm, schalk’ naast Fanz.

Een vereenzelviging met vennoot lijkt dan ook voorgoed uitgesloten doordat vent moeilijk te scheiden is van (en waarschijnlijk oorspronkelijk een en hetzelfde woord is als) Nederlands fant, dat slechts tweemaal is opgeschreven, eenmaal in de betekenis ‘landloper, bedelaar’ (naast vrouwelijk fantin), andermaal voor enerhande rondgaande verkoper. “Fant noemt men hier hen, die den visch, op het zoogenoemde Bergsche veld gevangen, in manden op hunne ruggen torschen en langs de huizen te koop veilen,” schrijft een taalkundige uit Breda in 1836. Het schuilt wellicht ook in het nog steeds gebruikte lanterfant ‘luierik’. Dat laatste woord wordt anderszins geduid als een verbastering van land-trawant, wat minder overtuigend is.

Ook buiten het Nederlands bestaan er vormen met -a-. We vinden Middelnederduits vant ‘schelm, schalk’, Middelhoogduits vanz ‘schelm, schalk’, ook in de samenstellingen alevanz ‘vreemdeling, schalk die aan is komen lopen; schalksheid, bedrog’ (waarbij ale- beantwoordt aan het eerste deel van elders) en anevanz ‘bedrog’, en zoals gezegd Duits Fanz ‘schelm, schalk’ naast Fenz. Daarnaast is er Oudnoords fantr ‘schelm, schalk’, een tamelijk laat overgeleverd woord dat mogelijk zoals zo veel Scandinavische woorden aan het Middelnederduits is ontleend, en zich in ieder geval heeft ontwikkeld tot Noors en Zweeds fant ‘schelm; vreemde; landloper’, met daarbij de vrouwelijke vormen Noors fenta en Zweeds fänta. Al met al lijkt het ‘gaande, reizende’ opzicht van vent e.d. vrij oud, alsook het ‘ondeugende’.

We zouden met het oog op fant als rondgaande verkoper een verband kunnen leggen met venten ‘verkopen’. Dit werkwoord is afgeleid van Middelnederlands vente ‘verkoop’, hetwelk is ontleend aan Frans vente. Het grote bezwaar is dat fant en vent e.d. behalve die ene overlevering uit Breda nooit iets met verkoop te maken hebben. Bovendien gebeurt een overgang van vent- naar fant niet zomaar.

Minder onwaarschijnlijk is dat vent e.d. zijn oorsprong in het Latijn heeft. Van de eerste tot en met de vijfde eeuw na Christus dienden er in toenemende mate veel Germanen in het Romeinse leger. Zij spraken naast hun eigen vormen van Germaans ook Latijn – niet zozeer het Klassiek Latijn van brieven en boeken e.d., maar eenvoudiger, alledaags ‘Vulgair Latijn’ dat per streek kon verschillen. Van de vele Latijnse woorden die in de Germaanse talen terecht zijn gekomen zal een deel in zo’n vulgaire vorm zijn geweest.

Als dan een woord als Latijn īnfāns ‘kind’ (genitief īnfantis ‘kinds’) ontleend ware, dan ware dat in een vereenvoudigde vorm, aangepast naar Germaanse verbuigingen. In dit geval zouden we bijvoorbeeld gewestelijk/laat Oudgermaans *infantiz ‘kind’ (genitief *infantīz) kunnen verwachten, naar voorbeeld van *gastiz ‘gast’ (genitief *gastīz). Zoals de Germaanse uitgangen grotendeels afslijten zal ook het onbeklemtoonde en overbodige in- zijn afgesleten, zodat we eindigen met Westgermaans fant, fent, vanwaar dus Middelhoogduits vanz, Middelnederduits, Nederlands vent, enz. Vergelijk hoe Latijn īnfernus ‘onderwereld’ zich na ontlening ontwikkelde tot Westgermaans fern, opgeschreven als Oudsaksisch fern ‘hel’.

De vorm fent naast fant heeft dan zijn -e- onder invloed van de -i- die voordien in de volgende lettergreep stond, dezelfde reden waarom we naast lang niet langte maar lengte hebben (want lengte komt van *langidō). De betekenis van fant, fent kan vervolgens in meerdere richtingen zijn verschoven in de verschillende Germaanse talen: van ‘kind’ naar ‘deugniet, schelm, schalk’ (en vandaar ‘landloper’ en ‘vreemdeling’) en naar ‘jongen, kerel’ (en vandaar ‘makker, gezel’).

Binnen het Romaanse gebied ontwikkelde Latijn īnfāns zich overigens tot o.a. Italiaans infante, dat ook de betekenis ‘voetsoldaat’ kreeg, en later vereenvoudigde tot fante ‘voetsoldaat; jongeman; dienaar, persoon van lage komaf’, dus net als in het Germaanse verhaal met een -t- van de verbogen vormen en met afslijting van in-. Bij Italiaans infante bestond ook de afleiding infanteria ‘voetvolk’, dat wij langs het Frans ontleenden als infanterie. Wellicht stamt de betekenisontwikkeling naar ‘voetsoldaat’ al uit het Vulgair Latijn (dus nog vóór de mogelijke ontlening door het Germaans), hetgeen beter het ‘gaande, reizende’ opzicht van vent e.d. zou verklaren, al zou het dan vreemd zijn dat geen van de Germaanse vormen een betekenis als ‘voetsoldaat’ hebben.

Het is evenwel verleidelijk om een andere, inheemse herkomst van vent e.d. te overwegen. Daarvoor nemen we eerst voorbeeld aan een andere groep woorden. In het Oudgermaans bestond een werkwoord *rekanan ‘recht maken, oprichten’ (Gotisch rikan, Middelhoogduits rechen). Dit had een niet of nauwelijks overgeleverde nevenvorm met een invoegde -n-, te weten *renkanan, jonger *rinkanan ‘recht zijn, rechtop staan’. We weten van diens bestaan door de afleidingen *rinkaz ‘rechte man’ (Oudsaksisch rink ‘man, krijger’) en *rankaz ‘rechtop’ (Nederlands rank ‘lang en smal’).

Welnu, in het Oudgermaans bestond ook een werkwoord *fetanan ‘(te voet) gaan; vallen’ (Oudnoords feta, Oudhoogduits gefezzan), dat verwant is aan het veel bekendere woord *fōts (Nederlands voet, Engels foot). Als ook hier een nevenvorm met een ingevoegde -n- had bestaan, dan was dat *fentanan, jonger *fintanan, met een betekenis gelijk aan of in de buurt van ‘(te voet) gaan’. Hierbij zou *fantiz een gewone afleiding zijn, en dat zou zich vervolgens ontwikkelen tot Westgermaans fant, fent enzovoort. De grondbetekenis ware dan ‘voetganger, iemand die rondgaat te voet, reiziger’, die zich vervolgens in verschillende richtingen ontwikkelde, zoals ‘vreemdeling’ en ‘landloper, bedelaar’ en ‘reisgezel, gezel, makker’ en ‘loslopende jongen (die kattenkwaad uithaalt), schelm, schalk’ en uiteindelijk, zoals voor ons eigen vent, meer algemeen ‘jongeman, kerel’.

Verwijzingen

Bjorvand, H. & F.O. Lindeman, Våre Arveord, revidert og utvidet utgave (Oslo, 2007)

Grimm, J. & W., Deutsches Wörterbuch, 16 Bde. in 32 Teilbänden (Leipzig, 1854-1961)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Köbler, G., Mittelhochdeutsches Wörterbuch, 3. A. (webuitgave, 2014)

Köbler, G., Mittelniederdeutsches Wörterbuch, 3. A. (webuitgave, 2014)

Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn, 1969)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Vries, J. de, Altnordisches etymologisches Wörterbuch (Leiden, 1962)

Vries, J. de, Nederlands etymologisch woordenboek (Leiden, 1971)

Advertenties
One Comment leave one →
  1. Luc Vanbrabant permalink
    14 februari 2015 17:07

    Enkele sprokkelingen uit het zuiden.
    West-Vlaanderen had ‘veint’ voor ‘vent’, nu afgesleten tot ‘vint’ en betekent ‘kerel’. Ook hier kreeg het woord een pejoratieve bijklank.
    ‘Mo vint toh’ (maar man toch) is een algemeen gekende reactie van verbazing die men ook tegenover vrouwen, of onder vrouwen kan gebruiken (Zoals ‘hombre’ is het Spaans).
    Die ‘vent’ betekent o.a. ook een
    -echtgenoot: Die vrouw heeft een brave vent.
    -minnaar: Ze zit me’ ne vent.
    -schuld: Er zit een ventje op dat huis (Dat huis is met een lening belast.)
    -koopman: slunsevent, voddenkoopman. ‘Vente’ (uit het Frans) heeft met kopen en verkopen of vertier en nering te maken. Een ventvoerder was een vrachtvaarder. Een ‘vente’ te Brugge was een vrachtschip. De ‘vente reden’ betekende ‘iets klaar maken om te verkopen’. Ventelijk: verkoopbaar. Schenteventen (zn: schenteventer/schandeventer): zaken verkopen onder het afgesproken bedrag. Een baggeventer verkocht waren die hij meedroeg in een ruggenmand.
    -vis: oudevent, klein noordzeevisje (aspidophorus cataphractus)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s