Skip to content

De zin en onzin van het zinwoord

14 februari 2015

Er zijn wonderlijke vragen en zaken die een wakend mens plagen. Zoals: Waar verblijven slakken des winters? Hoe maakt men eigenlijk spiegels? Wat beweegt mensen tot snelwandelen? En waarom zeggen wij waaghals, dwingeland en brekebeen, en niet halswager, landdwinger en beenbreker? De eerste drie raadsels kunnen wij in Taaldacht (nog) niet oplossen. Maar die schaamteloos omgedraaide woorden, dat zijn zogenaamde zinwoorden, en daar valt misschien wat over te zeggen.

Zinwoorden zijn zelfstandige naamwoorden en samengesteld op verschillende wijzen. Het eerste lid is in elk geval een werkwoord, of wat lijkt op diens stam (al dan niet met verbindings-e), het tweede lid kan van alles zijn. Soms is het een zelfstandig naamwoord, zoals in de reeds genoemde woorden waaghals, dwingeland en brekebeen, alsook in verouderde woorden als stokebrand en brekespel en gewestelijk hebrecht, hebberecht ‘iemand die altijd gelijk wil hebben’. Soms is het een onbepaald voornaamwoord, zoals in durfal, bemoeial, weetal en bedilal. Soms is het een bijwoord, zoals in deugniet, weetniet en schreeuwlelijk en gewestelijk meugebet ‘iemand die men uitnodigt, aanneemt, aanzoekt, omdat men de gewenste persoon niet krijgen kan’. Soms is het een voorzetsel, zoals in slokop, klimop, hangop en flapuit. En soms is het een bijvoeglijk naamwoord, zoals in het verouderde sladood ‘vechtersbaas’, oftewel iemand die geneigd is anderen dood te slaan.

Zinwoorden verwijzen vaak naar personen en doen vanouds veel dienst als spotnaam of bijnaam. Zo zijn ze ook in versteende vorm onder achternamen te vinden. Wij noemen bijvoorbeeld Leeflang, Stavast, Schuddebeurs, Garegoed, Schimmelpenninck, Quistecorn, Smijtegelt, Weetniet, Kreukniet, Spring in ‘t Veld en Kijk in de Vecht.

Buiten het Nederlands bestaan ze uiteraard ook. Zustertaal Engels heeft er aardig wat, zoals pickpocket ‘zakkenroller’, ne’er-do-well ‘nietsnut’, blowhard ‘blaaskaak’, killjoy ‘spelbederver’, spoilsport ‘id.’, cutthroat ‘moordenaar’, scarecrow ‘vogelverschrikker’, dreadnought ‘dikke overjas; slagschip’ (eigenlijk ‘vreze-niets’), know-it-all ‘weetal, betweter’, know-nothing ‘weetniet’ en de welbekende achternaam Shakespeare. Jongere woorden als fallout ‘radioactieve neerslag’ en breakup ‘het uiteenvallen, het uit elkaar gaan’ zouden eveneens tot de zinwoorden gerekend kunnen worden.

Het Spaans is ook rijkelijk bedeeld. Is het tweede lid een zelfstandig naamwoord, dan is dat vaak in meervoud, al wordt het zinwoord zelf als enkelvoud gevoeld. Enkele voorbeelden zijn rascacielos ‘wolkenkrabber’ (eigenlijk ‘krabbe-hemels’), sacacorchos ‘kurkentrekker’ (‘trekke-kurken’), rompeolas ‘golfbreker’ (‘breke-golven’), matagigantes ‘reuzendoder’ (‘dode-reuzen’), vendemadres ‘huichelaar’ (‘verkope-moeders’ ), girasol ‘zonnebloem’ (‘kere-zon’) en het nog niet zo oude abrefácil ‘open-gemakkelijk’, als benaming voor de openingen van melkpakken e.d.

Binnen de Germaanse talen zijn ze pas betrekkelijk laat in de Middeleeuwen overgeleverd, maar dat is gezien hun wat gemeenzame aard niet verwonderlijk. De oudste geschriften zijn immers minder talrijk en hebben over het algemeen betrekking tot ernstige zaken. Buiten de Germaanse talen zijn er oudere voorbeelden te vinden. Reeds voor Christus vinden we bijvoorbeeld al Griekse woorden als archékakos ‘beginne-kwaad’ voor slechteriken en feréoikos ‘drage-huis’ voor zowel zwervende volken als slakken. (Echt, waar zijn ze toch in de winter?)

Hoe zinwoorden ooit zijn ontstaan is onwis. Ze komen ons vreemd voor als we hen overdenken, maar het is maar wat we gewend zijn. In elk geval houdt niets ons tegen om hen te blijven maken. Enkele die uw schrijver zojuist heeft bedacht: hebbegraag, denkeveel, dromevaak, drammedoor, likkebord, maakrommel, werkeruw, schaamniet, brengerust, willeroem, trappeteen, groeihard, buigeneer, valop, spoorniet, raffelaf, vulleglas, dommelweg, lievesneeuw, erezelf, nemetijd en ten slotte mijdeslak, voor de ziel die in de zomer altijd zijn of haar best doet om niet op die trage weekdieren te stappen.

Wat kunnen wij nog meer bedenken?

Verwijzingen

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn 1969)

Schönfeld, M., Historische Grammatica van het Nederlands, 8e druk (Zutphen, 1970)

Advertenties
2 reacties leave one →
  1. Luc Vanbrabant permalink
    17 februari 2015 14:46

    Hieronder staan, lukraak te binnen geschoten, geen gefantaseerde, maar plaatselijk of algemeen gebruikte woorden. Er valt alleen nog de betekenis te raden: hakmes – babbelgat – baggernet – boreling – brombeer – doemsdag – dwingstok – gabbermond – gietijzer – hebbeding – jeukebubbel – kapberd – kijkuit – krullebol – lachkuiltje – liegebeest – loopjongen – regenjas – schuifaf of sleeraf – stuifin – wandelgang – zitzak…

  2. 6 juli 2016 14:34

    Wat dacht je van “kruidjeroermeniet”? Engels “whodunnit”?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s