Spring naar inhoud

De kleur van verstilling

7 oktober 2016

deluw

In andere talen is het nooit aangetroffen, maar tot in de zeventiende eeuw bestemden dichters en schrijvers in de Lage Landen het geheimzinnige woord deluw voor een kleur die het midden houdt tussen vaal, flets, geelbleek, lijkbleek en loodkleurig. Het is in het bijzonder de onzalige tint van het verstillende gelaat en van ebbend leven uit mensen en bloemen.

Deluw is –naast kranck, en levens zat, en dootsch– hoe Joost van den Vondel de bij bliksem verlamde Anchises beschrijft, wanneer deze door zijn zoon Aeneas uit het verloren, brandende Troje wordt gered. Wel vaalachtige en deeluwe zijn volgens P.C. Hooft de parels van de wereldzee. En Gerbrand Adriaensz. Bredero vertelt hoe het schoon kouraal (de mooie blos) van de stervende maagd Aardighe deluw wordt en verlept en haar wangen vaal.

Voordien, in het Middelnederlands, is het woord toevallig niet opgeschreven, maar de afleiding deluwen wel en dan vaak met betrekking tot planten. In de vertaling van Le Reclus de Molliens bijvoorbeeld lezen we dat God niet alleen schept, maar loof, bloemen en koren ook doet deluwen. En evenzeer kunnen de harten van mensen deluwen. Overdrachtelijk is het bovendien opgeschreven in de betekenis ‘uitwissen, in vergetelheid brengen, tenietdoen’.

Geheel in de geest van zijn eigen betekenis is het uiteindelijk overal uit de taal verdwenen. Behalve in delen van het westen van Zeeland, want daar heeft het, in elk geval tot de verschijning van het Woordenboek der Zeeuwse dialecten in 1964, zich kunnen handhaven in de vormen del, delleg en dellerig.

“Verwanten van dit woord zijn niet bekend” leest het Woordenboek der Nederlandsche Taal. De gedachte dat het verband houdt met de iets minder zeldzame kleurnaam eluw wordt voor onwaarschijnlijk gehouden en een mogelijke herkomst wordt niet gegeven. Toch valt er wel degelijk wat te bedenken.

Eerst een kort woord over kleurnamen in het Oudgermaans, de voorloper van het Nederlands. Deze konden gevormd worden met het achtervoegsel *-wa-. Zo was er *gelwaz, dat in de ontwikkeling naar het Nederlands afsleet tot gelu en vandaar tot gele en uiteindelijk geel. Vanuit de verbogen naamvallen ontwikkelde een nevenvorm zich langs gelwe en geluwe uiteindelijk tot geluw. Op dezelfde wijze leidde bijvoorbeeld *falwaz tot zowel vaal als valuw. Van sommige kleurnamen heeft maar een van de twee het gered in onze algemene taal: *salwaz leeft voort als zaluw. Andere zijn alleen in de zustertalen overgeleverd: *haswaz ‘haaskleurig’ bestond nog in de vorm van Oudengels hasu en Oudnoords hǫss, maar een Nederlands haas of hazuw kennen we niet.

Nu, wetende dat de Nederlandse /d/ kan teruggaan op zowel een Germaanse /d/ als een /þ/ (spreek uit als in Engels thorn), begrijpen we dat er in het Oudgermaans een *delwaz of *þelwaz moet hebben bestaan als voorloper van ons deluw. Een *delwaz lijkt niet op een zinvolle wijze te verbinden met andere woorden, binnen de Germaanse of enige verwante talen, maar in het geval van *þelwaz blijkt er een mooie mogelijkheid te zijn.

Want op zijn beurt is de Germaanse /þ/ klankwettig verschoven uit de oudere, Indo-Europese /t/, en in die taal bestond de wortel *telH- met een betekenis als ‘verstillen’. Hieraan ontsproten zijn onder meer Litouws tįlù (tìlti) ‘verstommen’, Oudkerkslavisch tьlějǫ, tьlěti ‘verderven, vergaan’ en Oudiers -tuili ‘(hij/zij) slaapt’, en binnen het Germaans in ieder geval Oudengels geþyllan ‘verstillen’ en vermoedelijk ook –langs een tussenbetekenis als ‘verpieterd’– het anders zo moeilijk te duiden Middelnederlands dilde, dulde ‘gering, onaanzienlijk’.

Hoe een ongelukkig woord toch mooi kan zijn.

Beeld
Maria bezweken, in een uitvergroting van de Kruisafneming van Rogier van der Weyden (1400-1464).
Advertenties
15 reacties leave one →
  1. 14 oktober 2016 23:41

    Beste Olivier,

    wat een interessant stukje over een vergeten kleur! Ik ben nagegaan of er een tegenhanger van ‘deluw’ in het Fries overgeleverd is. Volgens mij is dat er inderdaad (geweest), en bevestigt het jouw hypothese dat ‘deluw’ teruggaat op *þelwaz.

    Er is namelijk het werkwoord ‘toalje’, ‘tuolje’, ‘tôlje’, dat tegenwoordig nu en dan nog gebruikt wordt in de betekenis “ondergaan (van zon of maan)”, maar dat in de 19e eeuw ook “tanen, vaal worden, zijn glans en helderheid verliezen (van hemellichamen)” betekende: http://www.wnt.inl.nl/iWDB/search?actie=article_content&wdb=WFT&id=104217

    In de afleiding ‘fertoalje’ zit nog wat van de oude betekenis. Het WFT vermeldt een voorbeeldzinnetje uit 1925: “De blommen binne fortoalle.” (De bloemen zijn verlept.) http://www.wnt.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=WFT&id=24373

    In het lemma ‘toalje’ van het WFT staat dat de etymologie onbekend is. Nu niet meer…

    Ik zou denken dat ‘toalje’ (als je-werkwoord) een afleiding is van een niet-overgeleverd bijvoeglijk naamwoord (vaal, bleek, slap), dat zich zo ontwikkeld kan hebben:

    Oudfries *tholw > Laat/West-Oudfries *tolw / *tol > Midfries *tôl > *toal

    • Olivier van Renswoude permalink*
      15 oktober 2016 09:26

      Beste André,

      Bedankt voor deze fraaie aanvulling en bevestiging van de /þ/. Prachtig gebruik ook, zo met betrekking tot hemellichamen.

      Ik zat wel even te dubben over de /oa/, maar inmiddels heb ik een een zelfde ronding van oorspronkelijke /e/ door opeenvolgende /w/ gevonden: Fries moal ‘meel’ uit *melwan. (Dit moet dan zijn gebeurd langs een niet overgeleverd Oudfries *molu naast mele.)

  2. Liuwe H. Westra permalink
    15 oktober 2016 09:12

    Volgens mij een plausibele aanvulling van André Looijenga. ‘Tuolje’ wordt trouwens nauwelijks meer gebruikt, helaas. Ik probeer het onder andere nieuw leven in te blazen in mijn Friese vertaling van The Lord of the Rings, waar zon en maan regelmatig ondergaan (en zo hoort het ook, natuurlijk). Als het hier toegestaan is reclame te maken, verwees ik graag naar de crowdfundingswebsite https://www.voordekunst.nl/projecten/4834-tolkien-lotr-ii-yn-it-moaiste-frysk-1

    • Olivier van Renswoude permalink*
      15 oktober 2016 09:54

      Dat is een prachtig initiatief, waar we ook op Taaldacht eens gauw aandacht aan zouden moeten besteden.

      Overigens heeft Kasper ooit eens geschreven over de nooit uitgebrachte Nederlandse vertaling van The Lord of the Rings door E.J. Mensink-van Warmelo, die vaak een mooiere, meer verheven stijl heeft dan de bekende, officiële van Max Schuchart.

      En zo moet ik denken aan de oude Friese vertaling van Béowulf die ik op de plank heb staan. Ik ben nu niet thuis, dus ik kan er niet in bladeren, maar het staat me bij dat het taalgebruik me te alledaags overkwam. Dat vraagt om een nieuwe poging.

  3. 15 oktober 2016 11:06

    Het woord ‘tuolje’/’toalje’ gaat mij ook na aan het hart. Als bewijs dat ‘tuolje’ niet alleen maar een woordenboeklemma is, een korte passage uit een natuurdagboek in de verhalenbundel “Sa wie ’t sawat” (1997), van Rink van der Velde:

    Moandei 11 july: de jûns om tsien oere hinne tuollet de sinne al. Tuolje, it wurd komt my sa mar yn ’t sin. Oerholden fan in kursus Frysk taaleigen oan ‘e hân fan in boekje fan dr. Douwe Kalma. Dy man hie it ek oer heilstiennen en waartynge as er hagel en waarberjocht bedoelde, dat dêr bin ‘k gau mei opholden. Mar it tuoljen fan de sinne fûn ‘k blykber moai, oars hie ‘k it net ûntholden.

    (zie verder: http://www.dbnl.org/tekst/veld024sawi01_01/veld024sawi01_01_0017.php)

    Dit fragmentje over ‘tuolje’ brengt overigens twee heel verschillende Friese literaire helden nader tot elkaar: Douwe Kalma (1896-1953) en Rink van der Velde (1932-2001). De woonboot in een natuurgebied bewesten Drachten die Van der Velde als vakantiehuisje gebruikte, is tegenwoordig een “residence” voor Friese schrijvers en vertalers. Toen ik daar twee jaar terug mocht verblijven, heb ik er o.a. dit gedicht geschreven (zie link): http://www.ensafh.nl/?p=37456

    De Kalma-vorm ‘tuolje’ zal overigens een nevenvorm zijn geweest van ‘toalje’ (/tṷaljə/) uit het oudere ‘tôlje’ (/tɔ:ljə/). Dat laatste zou je in de 17e eeuw bij Gysbert Japicx verwachten, maar hoewel er in zijn poëzie ook wel zonnen ondergaan (‘dol-duwckje’), heb ik bij hem geen ‘tôalje’ kunnen bespeuren. Het hypothetische adjectief ‘*tôal’ heb ik ook niet kunnen aantreffen, ondanks Gysberts barokke voorliefde voor bijvoeglijk naamwoorden.

    Een kanttekening bij de mogelijke verklaring voor de /o/ in ‘moal’: de /o/ in ‘toalje’ tegenover de /e/ in ‘deluw’ deed mij ook denken aan de ontwikkeling /e/ > /o/, die er in het oudere Zuidwestelijke Fries geweest is. Je had in het Fries van de Zuidwesthoek bijvoorbeeld: ‘dol’/’dôl’ voor ‘del’, ‘sotte’ voor ‘sette’, ‘hot’ voor ‘het’ (‘wat’).

    • Olivier van Renswoude permalink*
      16 oktober 2016 10:41

      Bedankt voor deze verdere toelichting (en kanttekening). Het is zeker een woord om te koesteren. Ik vraag me af of het zo gelijkluidende Frans étoile ‘ster’ enige rol heeft gespeeld in de betrekking tot hemellichamen van toalje.

      Dat gedicht bewijst dat mijn beheersing van het Fries een stuk minder is dan ik dacht of had gehoopt. En dat is maar beter ook, want dan valt er nog genoeg te ontdekken.

      Overigens moest ik gisteren opeens denken aan Latijn fulvus ‘bruin, zandkleurig, goudkleurig’. In zijn Etymological Dictionary of Latin and the Other Italic Languages reconstrueert De Vaan de vorm *dhelH-uo- (dan wel *dholH-uo-) als Proto-Indo-Europese voorloper. En daar zou deluw ook op terug kunnen gaan. Maar dat zou dan langs een Oudgermaanse /d/ gebeurd moeten zijn. De Friese /t/ van toalje e.d. bewijst zoals gezegd echter een Oudgermaanse /þ/. Tenzij het werkwoord toch niet bij deluw(en) hoort, al durf ik dat inmiddels te betwijfelen.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      16 oktober 2016 15:16

      Ik moet er nog bij zeggen dat er andere reconstructies mogelijk zijn van de voorloper van Latijn fulvus, zoals *bhelH-uo- (dan wel *bholH-uo-), als verwant van *bhleH-uo- (dan wel *bhlH-uo-), de voorloper van Latijn flāvus ‘geel, blond’.

  4. Anneke Meijer permalink
    1 november 2016 19:14

    Zou er ook nog een link kunnen zijn naar talg en tallow? Het heeft in elk geval de juiste kleur…

    • Olivier van Renswoude permalink*
      2 november 2016 14:56

      Ervan uitgaande dat deluw net als talg een inheems woord is, en daar lijkt het op, ben ik bang dat ze niet aan elkaar verwant kunnen zijn. De beginklank komt immers niet overeen.

  5. Michiel Driessen permalink
    11 juni 2018 21:41

    Ik denk dat ik hier ook een duit in het zakje doe. En wel omdat een koppeling van Fr. toalje aan Nl. deluw me onjuist lijkt te zijn.

    Je zou het niet verwachten omdat de overige Germaanse talen bij het woord voor meel op *melwa- wijzen, maar Fr. moal wijst veeleer op *mulwa- dan PGrm. *melwa-. Fr. oa kan eigenlijk geen Proto-Germaans (PGrm.) *e weergeven.

    Kijk ook naar reflexen van Germaanse kleuradjectieven op *-wa. Met a-vocalisme bijv. Fr. gear uit PGrm. *garwa- (Nl. gaar), Fr. feal uit PGrm. *falwa- (Nl. vaal), fear uit PGrm. *farwa- (Nl. vaar). Wat we nodig hebben is een vorm met PGrm. *e voor *-lw-. Valt niet mee zulke vormen te vinden. Het paradepaardje is natuurlijk PGrm. *gelwa- (Nl. geel) en dat treffen we in het Fries aan als Fr. giel. Met ie dus en Fr. oa en Fr. ie kunnen niet op eenzelfde grondvorm teruggaan.

    Waar moet men bij Fr. toalje dan wel aan denken. Fr. oa reflecteert meestal PGrm. *u/o. Fr. oa gaat dan ook vaak samen met Fr. uo, bijv. Fr. toarre / tuorre “tor”. Zo kan men in Fr. tuolje, indien bestaand, dus gerust een nevenvorm van toalje zien.

    Fr. toalje zet OFr. tholia voort. Men treft dat werkwoord ook aan als bijv. Oud-Engels tholian. Het werkwoord werd o.a. gebruikt in de betekenis “lijden, leed ondergaan”. Het ziet ernaar dat het werkwoord overdrachtelijk is gebruikt mbt o.a. de zon (“de zon heeft te lijden” [lees: de zon gaat onder]). Andere hemellichamen verdwijnen overdag zelfs geheel.

    Nl. ver- en Fr. fer- worden, zoals iedereen wel weet, gebruikt met pejoratieve betekenis. Het maakt iets kapot, zeg maar. Ik weet zo snel niet wat bruien betekent maar wel dat iets ver-bruien niet goed zal zijn. Bloemen die fer-toalje ver-lijden [lees: ze ver-welken]. Dat zouden wij in het Nl. zo niet zeggen maar dat is wat er staat. Ze overlijden als het ware. R.I.P. bloemen.

    Dat OFr. tholia op zijn beurt bij Nl. deluw zou horen is uitermate onwaarschijnlijk. Het gaat daar om een wortel die ooit iets als “dragen, tillen” betekende (bijv. in Lat. tollere) en door overdrachtelijk gebruik ook “lijden” ging beteken (X heeft veel te dragen = X lijdt). Nl. deluw daarentegen staat geheel geisoleerd. Men kan er eigenlijk niets anders van zeggen dan dat het een kleuradiectivum is. En naar naar mijn bescheiden mening hoort het bij Lat. fulvus.

    Hoop dat iemand hier wat aan had.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      11 juni 2018 23:21

      Een waardevolle duit!

      Een ontwikkeling van Fries moal uit Oudgermaans *melwan is inderdaad niet mals, al lijkt Fries giel ‘geel’ mij niet genoeg tegenbewijs, aangezien deze vorm langs *gele teruggaat op de Westgermaanse nom./acc.sg. *gelu, dus waar de oorspronkelijke halfklinker in een klinker is veranderd. Voor moal (en toalje) zouden we dan uit kunnen gaan van een ontwikkeling vanuit de verbogen vormen, waarbij de lang genoeg bewaarde /w/ voor ronding kon zorgen. (Enigszins te vergelijken is dan Fries dolle ‘delven’, mits diens /o/ niet is overgenomen van het bijbehorende voltooid deelwoord.)

      Dat lijkt mij vooralsnog te verkiezen boven de aanname dat Fries als enige tak aan de Germaanse taalboom de vorm *mulwan in stede van *melwan heeft, hoewel dat uiteraard mogelijk is.

      Komt toalje ‘tanen (van sterren), ondergaan (van de zon)’ van *þulēnan ‘verdragen, lijden’? Vormelijk is dat goed, en Oudfries tholia ‘verdragen’ is tenminste overgeleverd, maar ik vind de aan te nemen betekenisverschuiving niet voor de hand liggen, moet ik zeggen. De connotatie is toch eerder ‘volhouden’ dan ‘bezwijken’.

      Ik zou ook nog willen overwegen dat we te maken hebben met een gelijkluidend *þulēnan als evenknie van Oudkerkslavisch tьlějǫ ‘vergaan’, dat wil zeggen voortzetting van de fiëntief *tl̥H-éh1 (volgens LIV2) bij de in mijn stuk voorgestelde wortel *telH- ‘verstillen’.

      • Michiel Driessen permalink
        13 juni 2018 23:08

        Lijden had ik snel en ondoordacht vertaald. Men leest in woordenboeken bij de groep van OFr. tholia van E. to suffer. Ik bedoel echter meer een soort “kwijnen”. Zie verderop.

        Je kan wel eens gelijk hebben als je zegt dat de oa van Fr. moal in een gesloten syllabe voor lw ontstaan kan zijn. Maar ik kan niet genoeg materiaal vinden om dat te staven of te weerleggen. Of misschien toch? Zie wat nu volgt. Ik moet denken aan OFr. smere “smeer” <– PGrm. *smerwa-. In het Noord-Fries is smeer geattesteerd en in het West-Fries smoar. Dat kan wijzen op smeer <– *smero en smoar met ronding in *smerw-. Maar goed, ik weet niet hoe PGrm. *e zich in het Fries precies gedraagt voor *r en *rw. En *rw is nog geen *lw. Naast West-Fries giel is in het Saterlands jeel en in het Noord-Fries gööl, güül geattesteerd. Ook daar lijken me giel en jeel op *gelo te wijzen en gööl, güül op een vorm met vocaalronding in *gelw-. Dat zou uitstekend passen bij wat jij voorstelde. Maar goed, van het Noord-Fries weet ik al helemaal niets. Ik weet niet of öö en üü daar aan andere ontwikkelingen toe te schrijven zijn.

        Maar goed, ziet er op het eerste gezicht heel aardig uit, dus laten we ervan uitgaan dat *þelwa- een mogelijke reconstructie is. Dat kan zich dan tot *toal ontwikkeld hebben waarvan een denominatief werkwoord Fr. toalje afgeleid kan zijn. Mogelijk kan Fr. toalje dan ook nog veel ouder zijn en teruggaan op een heel oud denominatief werkwoord. Iets als *þelwōjan.

        Maar dan nog geloof ik er niet in.

        Gaat het hier werkelijk om kleur?

        Bij Nl. deluw gaat het duidelijk om kleur. Het is een kleuradiectivum. De oorsprong ervan even daargelaten.

        En bij Fr. toalje? Het ondergaan van de zon en het verwelken van bloemen hoeven met kleur niets te maken te hebben. Ik heb geen passages gezien m.b.t. de hemellichamen, maar ik heb het vermoeden dat het gaat om hemellichamen die domweg verduisteren (afnemende maan) en zelfs verdwijnen (bij de overgang van nacht naar dag) en niet zozeer van kleur veranderen. Knappe jongen die ’s nachts sterren ziet verflensen/vaal ziet worden. Dat doet me denken aan de tanende maan. Soms leest men dat daarmee bedoeld zou zijn dat de maan bruiner wordt. Het gaat echter om een afleiding van taan, een stof waarmee leer gelooid werd en die het leer donkerder kleurde. Het gaat ook daar niet om een kleur, dus niet om een bruine maan of zo, maar om verdonkering. De maan wordt donkerder oftewel hij neemt af.

        Ik denk bij Fr. toalje niet aan kleur maar aan een vorm van “vergaan”. Maar niet aan Slavische vormen die je noemt. De reflexen van PSlav. *tьlěti wijzen op een erg letterlijke vorm van vergaan en betekenen "rotten, schimmelen, smeulen, vergaan". Dat lijkt me nou echt helemaal niet passen bij het gebruik van Fr. toalje. Maar zie verderop. En ook niet bij Nl. deluw. Ja, zelfs niet bij de afleiding Nl. deluwen die m.b.t. vegetatie veeleer naar verdorring en verwelking lijkt te wijzen dan iets hards als verrotting.

        En m.b.t. de semantiek van Fr. toalje vind ik ook “verstillen” verre van passend. De Slavische vormen wijzen op "kalmeren, bedaren, geruststellen" en gaan terug op causatief PSlav. *toliti “doen zwijgen” < *tolH-ei-e/o-. OIers tuilid “slapen” gaat eveneens terug op dat causativum. Lit. tylėti “stil zijn” gaat terug op een statief werkwoord *tlH-eh1-ie/o-. Van Lit. tìlti “stil vallen” is het niet echt duidelijk op welke formatie het precies teruggaat (*telH-e/o-?). OE þyllan “kalmeren, geruststellen” wijst op PGrm. *þuljan- < *tlH-ie/o-. Al die vormen hebben nergens wat met ziekte of dood te maken (noch in het Balto-Slavisch, noch in het Germaans noch in het Keltisch). Het gaat om “stil vallen, stil maken, stil zijn” en van een wortel met een dergelijke betekenis leidt men geen vorm af voor een ziekelijke kleur. De door jou genoemde vorm OE gaþyllan "verstillen" kan ik overigens niet vinden. Wel kon ik þyllan “kalmeren, geruststellen” vinden. Of Nl. stil < PGrm. *stelja-? erbij hoort is maar zeer de vraag (moet er wel een s-mobile als deus ex machina gebruikt worden).
        Verder wordt het zelfs door Indo-Germanisten als zeer onzeker beschouwd of de Balto-Slavische vormen voor "rotten, schimmelen, smeulen, vergaan" ook maar iets met de Balto-Slavische vormen voor "zwijgen, kalmeren" te maken hebben. Logisch gezien de sterk afwijkende betekenissen. Veeleer niet dan wel. Joost mag weten waarom de versie van het LIV die ik heb die twee groepen tezamen onder één lemma *telH “still werden” presenteert. Helemaal mooi is de noot Nach VENDRYES T-170 gehört die gesamte Wurzel zu *telh2- „aufheben“, doch ist dies semantisch unsicher. Het lemma lemma *telH “still werden” is een zooitje. Een koppeling van de Slavische vormen voor vergaan aan *telh2- is daarentegen, zoals we zo zullen zien, zo gek nog niet.
        Ik denk dan toch liever aan de Germaanse groep van het daadwerkelijk geattesteerde OFr. tholia. Qua vorm kan de combinatie van een Fr. -je werkwoord en het gebrek aan Umlaut wijzen op OFr. tholia hetgeen kan stammen uit PGrm. *þulōjan- (OSaks. tholon) of *þulējan- (OHD dolēn). De wortel PIE *telh2- werd in het Proto-Indo-Europees al gebruikt in de betekenissen "(letterlijk) tillen, dragen; (overdrachtelijk) volharden uithouden; (overdrachtelijk) verdragen, geduldig zijn; (overdrachtelijk) kwijnen." Men denke voor het overdrachtelijke gebruik aan bijv. Gr. tlētos "volhardend" < *tlh2-to- / Gr. tlēmōn "geduldig" < *tlh2-men- / Gr. talās "lijdend, er slecht aan toe zijnde, kwijnend" < *tlh2-(e)nt. En voor specifiek het wegkwijnen denke men aan Miers tláith "zwak", MW tlawd "arm, in nood, miserabel" < *tlh2-ti-.

        Persoonlijk vermoed ik dat een statief werkwoord *tlh2-eh1-ie/o- zich via *tulāie/o- tot PGrm. *þulōjan- ontwikkelde. Het element eh1 van de statieve werkwoorden ontwikkelde zich in het leeuwendeel van de vormen tot *ē, maar hier niet vanwege de *h2. Omdat een statief werkwoord met ā-vocalisme nogal afweek van het meerendeel van de statieve werkwoorden werd er dialectaal vervolgens al heel vroeg weer een *tulēie/o- gevormd hetgeen in *þulējan- resulteerde.

        Bij *tlh2-eh1-ie/o- mag men denken aan iets als “volhardend zijn” en “in slechte toestand zijn, kwijnen”. Toegegeven, in het Germaans treffen we het "kwijnen" niet meer geattesteerd aan, maar dat het daar heel lang geleden aanwezig moet zijn geweest is duidelijk. Fr. toalje lijkt me een rete-archaische rest van dat overdrachtelijk gebruik te zijn. Dat dat ergens in het Germaans als een piepklein restje overleefd heeft in versteend gebruik mbt een ondergaande zon, verdwijnende hemellichamen en wat verwelkende bloemen kan ik me prima voorstellen.

        Vervolgens zou men nu kunnen overwegen ook PSlav. *tьlěti als een reflex van *tlh2-eh1-ie/o- te beschouwen. Dat zou kunnen. Het e-vocalisme van het statieve werkwoord kan hersteld zijn. En dat “er slecht aan toe zijn, kwijnen” zich ergens tot “vergaan" in de vorm "rotten, schimmelen” verder ontwikkelt lijkt me plausibeler dan een koppeling aan vormen voor “stil” zoals in het LIV. In het Germaans is er in Fr. toalje dan nog een lichte overdrachtelijke vorm van vergaan bewaard die in vervolgens in het veel jongere het Slavisch verder ontwikkeld heeft tot een letterlijk te nemen vorm van vergaan. Zo kan ik wel met een koppeling van Fr. toalje aan PSlav. *tьlěti leven.

        Men denke aan bijv. Zweeds moden “bedorven” < PGrm. *mudena-, het statieve werkwoord PSlav. *mъděti in dial. Rus. modet’ “iets geduldig uitzitten, zwak worden, vergaan, bederven” en Lets mudêt “schimmelen, vergaan, bederven”, PSlav. *mъdьlь hetgeen in vertaald heb gevonden als “weak, flat, dull, faint, sickening, thin”. Ik lees daar in dat semantische veld ook dingen als “geduldig” en “zwak”.

        En hoort *telh2- dan ook bij Nl. deluw? Ik denk het niet. Er is op geen enkele manier aantoonbaar dat del- iets met die wortel te maken heeft. Dan vind ik de één op één overeenstemming qua formatie van Nl. deluw en lat. fulvus aantrekkelijker. Nl. deluw “gelig, bleek, bruinig” past verder verrekte goed bij lat. fulvus “geelbruin, oranje” qua betekenis. De kleur verwijst niet alleen naar een vale loodkleur en naar heel lichtgeel maar ook naar wat donkerder tinten. KILIAEN vertaalt deluw bijv. o.a. ook met Lat. mustelinus “wezel-kleurig” en Lat. aquilus “bruin”. Verder verwijst de kleur naar verkleurend loof, dus naar geelbruin. Zo in bijv. Daar menig boom gewassen steet, die somer staet ende winter groene ende altoes in enen saysoene. Si ne deluwen no ne drogen (Limb. XI 218). Het gaat om bomen waarvan de bladeren niet afvallen, maar altijd groen blijven en niet verkleuren (en daar is dan absoluut geen loodkleur mee bedoeld maar geelbruin). Dan is er wel erger te vinden. Wat denken van de betekenissen van de absoluut verwante één op één overeenstemmingen Nl. blauw en Lat. flāvus “blond”. En heel belangrijk, de wortel van Nl. deluw treffen we ook elders aan, en wel in Armeens dalowkn “geelzucht” < *dhol(H)-u- of *dhlH-u-, Armeens dełin “bleek, geel, vaal” < *dhel(H)-eno-, Armeens dełb “blond, geel” < *dhel(H)-bho-.

      • Olivier van Renswoude permalink*
        15 juni 2018 12:01

        Zal het nog even allemaal op me in laten werken, doch een paar dingen die ik alvast gezegd wil hebben:

        Deluw is inderdaad een kleurwoord, maar bijna uitsluitend in verband met doodsheid en versterving van huidskleur en bloemen. De enige uitzondering die ik kan vinden is met betrekking tot parels bij P.C. Hooft. In de afleiding (ver)deluwen ligt nog meer de nadruk op versterving dan op kleur.

        We kunnen voor Fries toalje een soort ‘kwijnen’ aannemen, met inbegrip van Hollânz glânze tôll’, maar dat spreekt eerder voor vereenzelviging met Middelnederlands (ver)deluwen, ook in verband met zinnen als Besiet den hemel hoe out hi si, hi en verdeluut of verslit niet daer bi en Dat u de ogen (het gezicht) verdonkeren ende verdelven (d. i. verdeluën) mogen.

        Qua specifieke context is de overeenkomst tussen enerzijds Fries fertoalje ‘verleppen, verflensen’ (in de enige twee voorbeelden Al is syn libbensblom fortoalle en De blommen binne fortoalle) en anderzijds Middelnederlands (ver)deluwen (in o.a. Soe siet men weder die bloemen delewen naturlijc ende verghelewen en Die bloumen der gheveinstheit verdeluwen saen ende werden leit) uiterst treffend en de sterkste aanwijzing in dit alles.

        Tot slot, bij de verbinding van deluw met Latijn fulvus en de Armeense woorden is er nog het probleem van aanwijzing van de wortel. De enige die ik kan bedenken is *dhelh1 ‘bloeien’ (LIV2 addenda & corrigenda). Voor de Armeense woorden is dat te begrijpen, in het kader van gele bloemen, maar minder voor Latijn, terwijl voor deluw en (ver)deluwen al helemaal een aardige betekenisverschuiving aangenomen zou moeten worden.

        Daarom geef ik vooralsnog de voorkeur aan mijn reconstructie *þelwaz (> Nederlands deluw) met de afleiding *þelwōjanan (> Middelnederlands (ver)deluwen, Fries (fer)toalje) en de verbinding met in elk geval Oudkerkslavisch tьlějǫ ‘vergaan, bederven’.

        Maar ik zal zoals gezegd je overwegingen de komende tijd overwegen.

  6. Michiel Driessen permalink
    17 juni 2018 15:23

    Deluw is een denominatief van deluw en betekent in essentie niet meer dan deluw worden. Aangezien het o.a. een gelige en bruinige kleur betreft wordt het toegepast op o.a. verleppend loof. Soe siet men weder die bloemen delewen natuurlijk ende verghelewen (OVl ged. 3.125.145). Deluw staat voor een geelbruin hier. Het gaat hier bijv. gewoon om quasi-synomiemen. En men beschreef zo ook niet-ziekelijke mensen. Roggeveen beschrijft Indianen als “niet zwart maar bleek geel of delwachtig” (lichter dan zwart, laten we zeggen geelbruinig) en in Willem Litgouws reisbeschrijving worden mensen van het Arabisch schiereiland daeluw genoemd. Bruinig dus. Absoluut niet witbleek of loodkleurig.

    In essentie gaat het hier om een woord voor “geel” dat lang geleden in het Germaans qua kleurscala werd toegepast op hetgeen men licht- en donkergeel vond. Dus o.a iemand die bleek op bed lag en o.a. het geelbruine blad of de bruinige Arabier. Vroeger gaven de meeste kleur-adiectiva een een scala weer en niet één specifieke kleur en wel domweg omdat de meeste dingen niet uit één egale kleur bestonden. Een auto is tegenwoordig bijv, rood, alleen rood en overal even rood. Een mantel daarentegen, heel heel lang, geleden werd moeizaam geverfd waarbij een deel bijv. beter geverfd was dan een ander deel. Zo’n ding was ergens rood, ergens roder, ergens bijna bruin. Er kwam nooit de egaal rode auto uit die wij tegenwoordig zien rondrijden. Dat is de reden waarom de kleur van kleur-adiectiva in bijv. het Latijn lastig te definieren is. Ze verwijzen naar een kleurscala. Lat. albus, candidus, pallidus. Ach, het is allemaal wittig. Waneer iets gevoeld werd als van één egale kleur werd het vaak naar het betreffend ding genoemd. Lat. niveus is ook wit en dat wit is inderdaad gewoon harstikke door en door wit en men heeft het treffend genoemd naar “sneeuw”. Letterlijk: sneeuwig.

    Deluw is, wat mij betreft, een term voor geel. En de rest van zo’n kleur-scala, net als bijv. de vage kleuren saluw en vaal.

    En ik vind dat de gelige kleur prima past bij bloemen en bloeien. En dhelH- “ontspruiten van vegetatie” is, tenminste weer wat mij betreft, inderdaad de wortel die we in deluw aantreffen. De wortel is uitstekend geattesteerd, bijv. Gr. thallo “ontspruiten, bloeien”, Lat. folium “blad” en MW dail “gebladerte”. En Arm. dełb en dełin hoort dudielijk bij Arm. dałar “vers (van vegetatie)”.

    “Uitlopen van vegetatie, bloeien” en kleur gaan in het Indo-Europees goed samen. Ook als er geel in het spel is. Men denke aan de wortel PIE *g’helh3- die we aantreffen in o.a. Lit. žálti “groen worden”, maar ook in Lit. žélti “ontspruiten, uitlopen (van vegetatie)”. De wortel verwees niet naar één kleur zoals wij dat vandaag de dag doen maar verwees naar het kleurscala “groen” + “geel”. Voor ons niet echt na te volgen maar destijds heel normaal. Zo bijv. Gr. chlōros “groen (van vegetatie), geel (van honing), bleek (van angst), vers, sappig (van vegetatie)” < *g'hlh3-ro-. Of vergelijk bijv. PGrm. *gelwa- "geel" met Lit. želvas "groen", allebei uit *g'helh3-uo-.

    Nog leuker is dan de wortel *bhleh1- "bloeien". Die zit in o.a. Nl. bloeien en Lat. flōs "bloem". maar ook in diverse kleur-adiectiva, bijv. *bhloh1-ro "fel gekleurd". De oorspronkelijke betekenis treffen we nog aan in Lat. flōrus "fel gekleurd". In het Albanees treffen we dat aan aan als Alb. blerë "groen", in het Keltisch als W blawr "grijs, grijsachtig wit, grijsachtig blauw". Of men denke aan *bhloh1-uo- dat we in het Latijn aantreffen als Lat. flāvus "blond, geel", in het Keltisch als MIers blá "geel" en in het Germaans als bijv. Nl. blauw. rood is ook voorhanden in bijv. Nl. bloed. Sterk afwijkende kleuren dus.

    De betekenisverschuiving die jij te drastisch vindt, vind ik dus geen enkel probleem met het oog op wat we zoal aan verschillende kleuren aantreffen bij vormen die niet alleen verwant maar zelfs cognaten van elkaar zijn. Boven zijn al diverse kleurafwijkingen genoemd maar er zijn er zoveel. Gr. polios verwijst naar een "grijs (vooral van haar)". Gr. pelios daarentegen verwijst naar het donkerblauw van blauwe plekken op de huid. In het Slavisch verwijst PSl. *polvъ naar iets als "gelig, zandkleurig, de kleur van hooi", maar in het Zuid-Slavisch ook naar "lichtblauw".

    Nl deluw en Lat. fulvus gaan in essentie terug op een kleurscala geel waarbij men zowel aan heel licht geel als aan donkerder vormen van geel dacht. Daar is echt niets schokkends aan. ja, zelfs de as- en loodkleur past aardig. Dat gaat naar heeeeeel lichtblauw toe (KILIAEN: lividus "blauwig", sublividus "heel lichtblauw", cineraceus "askleurig"). Dat lijkt me de aanzet naar blauw die men aantreft bij bijv. PSl. *polvъ. Zou ook de afwijking tussen Lat. flavus en blauw kunnen verklaren.

    Dat de afleiding delewen wordt toegepast op huidskleur en versterving vind ik geen argument. Het is een afleiding van een term die staat voor een geel kleurscala. Een kleur die in het Armeens overigens al de bron vormde voor het woord Arm. dałowkn "geezucht". Grappig is in dit opzicht de pasage waardoor de oogen schijnen te wesen groenachtich of deluachtich (Battus, Ghebrek. d. Oog. 175) [het gaat om geelzucht]. De afleiding betekende dus domweg vergelen/verbruinen en die kun je dus uitstekend toepassen op loof, ook overdrachtelijk als in "verleppen, vergaan", en ook op een gelige huidskleur en laat dat nu toevallig de huidskleur zijn geweest van zieke mensen. Men zal destijds beduidend meer stervende en aan geelzucht lijdende mensen zijn tegengekomen dan gezonde Arabieren en Indianen. Verder was deluw echt één kleur-adiectivum te veel. Het moest concurreren met bleek, geel, saluw en vaal. Ja, dat waren op den duur echt wat te veel kleuradiectieven te veel die min of meer hetzelfde betekenden. Saluw bestaat inmiddels ook al niet meer (ook dat kwijnt dialectaal nog een beetje voort). Vraag de gemiddelde Nederlander naar saluw en hij zal het woord niet eens kennen. Vaal kwijnt inmiddels ook behoorlijk weg denk ik. We hebben nog bleek en geel. Als er te veel synoniemen rondwaren dan begint men er eerst mee het gebruik van de aparte woorden vast te leggen. Als in de gelige kleur van room is saluw, maar een bloem is geel, iemand die er ziekelijk uitziet is deluw, etc. Dat principe. En deluw heeft, wat mij betreft, ergens aan de rand van het Germaanse taalgebied overleefd in zijn eigen vastgelegde niche. En maar op het nippertje. Elders zag men zelfs daar geen heil meer in. Iemand met zo'n huidskleur noemden ze in Engeland bijv. sallow (= saluw) en in het Nederlands is zo iemand tegenwoordig gewoon erg bleek.

    Ik heb hier nu trouwens al wel erg veel geantwoord. Kan me voorstellen dat je mijn "gespam" misschien wat te veel vindt worden. Ik zal me dus van verdere posts onthouden tenzij een antwoord gewenst is.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      19 juni 2018 18:49

      Het is dat ik nu wat afgeleid ben door andere onderwerpen en zaken, anders zou ik noester zijn in mijn antwoorden. Je kritische commentaar wordt in elk geval zeer op prijs gesteld.

      De verbinding van deluw met Latijn fulvus en de Armeense woorden – en hoe dan ook die tussen woorden voor ‘geel(achtig)’ en ‘bloeien’ – vind ik op zich niet verkeerd. Het is alleen dat ik het verband met de Friese stof nog net iets aannemelijker vind, vooral vanwege Fries fertoalje m.b.t. bloemen, maar ook gezien de kleinere afstand in ruimte en tijd.

      Ik kom er zeker op terug. Het zou schelen als we binnen het Germaans nog wat andere woorden kunnen vergelijken en verbinden, dus dat zal ik ook op mijn lijstje zetten. Dan kan ik eventueel het stuk herschrijven met inbegrip van alle woorden en overwegingen die sindsdien aan bod zijn gekomen.

      Overigens had ik Oudengels geþyllan uit Köbler, die daarvoor naar Holthausen verwijst. Niet ideaal natuurlijk, maar helaas heb ik laatstgenoemde niet bij de hand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.