Skip to content

Gelijk een vuist

13 januari 2017

vuist

Vuist is een hard woord gebleken. Zoals de gebalde hand zelve is het krachtig samengepakt, moeilijk uit elkaar te halen en heeft het voor de nodige hoofdpijn gezorgd. Voor diens herkomst zijn er uiteindelijk twee duidingen die om-en-om de bovenhand hebben in een gevecht om winst en waarheid. Nu is het wachten op die ene zet die de doorslag zal geven.

Gezien oudere vormen en evenknieën als Oudhoogduits fūst (Duits Faust) en Oudengels fýst (Engels fist), lijkt het woord op het eerste gezicht terug te gaan op Oudgermaans *fūstiz. Zoiets is echter niet zo gemakkelijk in verband te brengen met andere Germaanse woorden. In de Slavische talen, die nauw verwant zijn aan de Germaanse talen, bestaat evenwel een woord dat er bijzonder op lijkt, met dezelfde betekenis. Want wetend dat de Germaanse /f/ zich stelselmatig heeft ontwikkeld uit een oudere /p/, worden we getroffen door onder meer Servisch Kerkslavisch pęstь, Tsjechisch pěst en Pools pięść.

Nu geeft de letter ę aan dat de /e/ nasaal wordt uitgesproken en dus dat het Slavische woord ooit een volle /n/ had. Daarom, als deze woorden met elkaar te vereenzelvigen zijn, oftewel op een gemeenschappelijke oervorm teruggaan, zou het betekenen dat het Germaanse woord ooit ook een /n/ had. Was het dan *fūnstiz of *funstiz? Nee, want de eerste vorm zou vanzelf in de tweede veranderen en die zou leiden tot Nederlands vunst en Duits Funst, net zoals *kunstiz tot kunst en Kunst.

Maar geen nood, met een vorm als *funhstiz komen we er wél, hoe onooglijk die ook lijkt. Zoals blijkt uit andere woorden kon de Oudgermaanse /n/ zich namelijk niet handhaven tussen een klinker en een /h/. Hij verdween daar stelselmatig en de klinker werd vervolgens gerekt. Ter vergelijking: het woord *þinhanan ontwikkelde zich al gauw tot *þīhanan en na onder meer het verlies van /h/ en toevoeging van voorvoegsel tot Nederlands gedijen. Op dezelfde wijze: *funhstiz werd *fūhstiz werd ons vuist.

Als we dan het Slavische woord en het Germaanse woord willen herleiden tot een gemeenschappelijke oervorm, zijn er meerdere mogelijkheden. Een daarvan is *pn̥kwstis. En dat lijkt verrekte veel op *penkwe, de voorloper van Oudgermaans *fimfe en dus Nederlands vijf. Een vuist is een vorm van de hand en die heeft vijf vingers. De weledelzeergeleerde heer Ferdinand de Saussure, een baanbrekende Zwitserse taalkundige, zag dit in 1892 als eerste.

Maar in het Germaans noch het Slavisch is het woord ooit zonder meer in de betekenis ‘hand’ overgeleverd. Bijna altijd ‘vuist’, soms ‘bovenhand’ of ‘handvol, knuist’ of iets dergelijks. En het ligt niet voor de hand om rechtstreeks een woord voor ‘vuist’ te smeden op grond van de vijf vingers.

Mede daarom wijst het Etymologische Wörterbuch der deutschen Sprache van Kluge en Seebold liever op een andere mogelijkheid. In het Indo-Europees bestond namelijk een wortel *peug- (of *peuǵ-), bekend van onder meer Latijn pūgnus ‘vuist’, pugil ‘vuistvechter, bokser’ en pūgio ‘dolk’, alsmede Grieks pýgmē ‘vuist(gevecht)’ en pýx ‘met de vuist’. Met nasalisering, een oude wijze om de tegenwoordige tijd van het werkwoord te maken, bestond bovendien Latijn pungo ‘steken, pijn doen’ en diens afleiding pūnctum, ontleend als Nederlands punt. Van deze wortel bestond bovendien een nevenvorm *peuḱ-, bekend van onder meer Grieks peúkē, Litouws pušìs en Duits Fichte, allen met de betekenis ‘spar’, een boom bekend om zijn scherpe naalden.

Was er dan ooit van een evenknie van pungo een afleiding die uiteindelijk ons woord vuist werd? Zeer goed mogelijk. Maar als we het hierbij zouden laten waren we veroordeeld tot een ongelukkige impasse tussen deze duiding en de duiding die een verband legt met vijf. Een genadeslag, graag!

Gek genoeg lijkt er tot nog toe geen melding te zijn gemaakt van een ander Germaans woord dat zeer terzake doet. Misschien is dat omdat het thans tot de streektalen beperkt is. In Groot-Brittannië, met name in het noorden, komen we het tegen als to funk, met een betekenis die uiteenloopt van ‘met de hielen trappen (door paarden)’ en ‘terugdeinzen’ tot ‘stinken’. Vergelijk hoe Nederlands stinken ooit eigenlijk ‘stoten’ betekende. In delen van het Duitstalige gebied hebben (of hadden?) we funken/fünken, voor ‘met een stompe punt stoten’ en ‘scheten’. En in België, vooral in Oost-Vlaanderen, bestaat het in de vorm vunken/veunken voor ‘slaan, stompen, een klap geven’. Ten slotte is er met afwijkende medeklinker in Schotland nog to fung, dat vooral ‘slaan, stompen, trappen’ betekent.

Dit woord moet in het Oudgermaans *funkanan hebben geluid. Aangezien de Germaanse /k/ zich doorgaans heeft ontwikkeld uit een oudere /g/ en zoals gezegd de /f/ uit een /p/, lijkt het exact te beantwoorden aan Latijn pungo ‘steken’. Te meer, bij pungo bestond het tegenwoordige deelwoord pungens ‘stekend’ (verbogen als pungent-), dat door het Engels is ontleend als pungent en ook voor onaangename luchten wordt gebruikt, een beetje zoals in het Nederlands een geur scherp kan zijn.

Dit Germaanse werkwoord spreekt zeer in het voordeel van de duiding dat vuist eigenlijk ‘stoter’ betekent. Maar gezien vunken, waarom luidt het woord dan niet vunkst? Dat komt doordat de /g/ van de oervorm *pungstis tussen de /n/ en /st/ vanzelf in een /k/ veranderde. Vergelijk hoe Nederlands hengst gemakkelijk als henkst wordt uitgesproken (en vroeger ook henxt werd gespeld). De zo ontstane vorm *punkstis ontwikkelde zich vervolgens tot Oudgermaans *funhstiz, dan *fūhstiz en uiteindelijk tot ons vuist.

Zo, die zit.

Verwijzingen

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Derksen, R., Etymological Dictionary of the Slavic Inherited Lexicon (Leiden, 2008)

Grimm, J. & W., Deutsches Wörterbuch, 16 Bde. in 32 Teilbänden (Leipzig 1854-1961)

Kluge, F. & E. Seebold, Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache, 24., durchgesehene und erweiterte Auflage (2002)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Teirlinck, I., Zuid-Oost-Vlaandersch Idioticon (Gent, 1986)

Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)

Wodtko, D. e.a., Nomina im Indogermanischen Lexikon (Heidelberg, 2008)

Wright, J., The English Dialect Dictionary, 6 vol. (Londen, 1898-1905)

Advertenties
6 reacties leave one →
  1. Ewald Vervaet permalink
    13 januari 2017 18:25

    Heel boeiend!

    Ewald Vervaet

  2. Walter permalink
    15 januari 2017 17:55

    beste Olivier,
    En wat is de woordherkomst van ‘neef’ ook nog een oud-germaans woord voor vuist ?

    • Olivier van Renswoude permalink*
      16 januari 2017 13:20

      Beste Walter,

      Het woord neef ‘vuist’ (naar o.a. Oudnoords hnefi ‘vuist’ en Middelhoogduits neve in neve-mez ‘vuistvol’) is mij een beetje een raadsel. De enige mogelijke aanknopingspunten die Guus Kroonen (2013) geeft zijn Elfdaals nåvå ‘graven, tasten, grijpen’, Middelhoogduits nef ‘gebedel’ en Schwabisch nāfen ‘bedelen’.

      Misschien dat de grondbetekenis in dit geval meer ‘gekomde hand’ is, in welk geval we er nog een oud woord voor ‘beker, kom’ mee kunnen verbinden, overgeleverd als onder meer Oudhoogduits hnapf, Oudengels hnæpp en Middelnederlands nap, nappe.

      • Jeroen H permalink
        16 januari 2017 17:17

        Mojn Olivier,

        In het Twents kennen we “knoffeln” dat resp. “knuisten” of “vuisten” betekend. hoe al wel, KNOFFELN in het gebruik meer op handen slaat.

        -“Wel in de knoffeln kriegn”.
        -“Iemand in de handen / knuisten krijgen”.

        Waar “knoffeln” vandaan komt weet ik niet precies maar ik vond het wel wat op het Elfdaals “nåvå” lijken. Je ziet wel vaker dat en startende “KN” veranderd naar een “N”.

        Maar ’t meest voorkomend zijn Knoest (Knuist) en Voest (Vuist).

        Verder kennen we ook nog “Knobn” wat “Knoest” (ANL.) en/of “Buil” betekenen kan, een gebold iets.

        hopende hier wat mee bijgedragen te hebben,
        Jeroen.

  3. Walter permalink
    17 januari 2017 00:43

    In het Vlaams dialect bestaat er een uitdrukking :’iemand een vonk op zijn oog geven’, wat betekent ‘iemand een vuistslag toebrengen.De betekenis van ‘vonk’ is mij nu duidelijker geworden.
    Walter

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s