Utrecht mag zich rijk rekenen met een zeer oude naam voor een zijner pleinen. Neude is net als de oordnamen Nude in Gelderland en Node in Brussel de verstening van een woord dat lang geleden verdwenen is uit de alledaagse taal. Maar wat betekent het?
Nattigheid
Het jaar was 1465 toen de stad Utrecht behalve een hoop mest en puin maar liefst 2866 karren zand en 1071 ton keien liet aanvoeren om eindelijk de Neude goed te verhogen en bestraten. De rekening bedroeg zevenhonderd gulden, zes kromstaarten en een witje en werd deels bekostigd met boeten voor overtredingen en een verplichte bijdrage van belendende huisbezitters. Marktbezoekers en anderen gingen er voortaan “droogvoets op eene gelijke, zindelijke straat, van welke het water door de aangelegde riolen wegzonk.” Dat schrijft in 1845 de geschiedkundige Nicolaas van der Monde, die ons ook wijst op de steekspelen van ridders die tot ver in de vijftiende eeuw op de Neude gehouden werden en waarvoor overigens eerder al ophogingen met zand verricht waren.
Hoe lang de Neude nattig was wordt betwist. Volgens onderzoek van onder meer Luit van der Tuuk ontstond de ellende toen eerst de omringende kavels vanaf het einde van de twaalfde eeuw opgehoogd werden en het plein als een vergaargrond met slechte afwatering overbleef. Voordien was de Neude juist droog, lag het blijkens bodemonderzoek op de toenmalige rechter oeverwal van de Rijn, met een hoogte tot wel 1,50m boven NAP aan de noordzijde van de Neude. Aan de zuidzijde zijn resten van schuiten en schoeiingen gevonden, aanwijzingen voor een aanmeerplek maar niet zozeer een haven, daar er van een inham of iets dergelijks geen sporen zijn. Kintgenhaven, de naam van een straat die op de Neude uitkomt en aan de vroegere oeverlijn ligt, lijkt alsnog een aanwijzing voor een haven maar verschijnt vrij laat in de overlevering en bevat mogelijk een verbuiging van have ‘bezit’.
Meer dan één
De pleinnaam heeft oudere vormen als Nuede, Noede, Noide en Node en is te vereenzelvigen met namen elders. De Hollandse taalkundige Jacob Muller wees in 1932 onder meer op een huis de Neude in Nijkerk en op de Neuweg, die vanouds als een van drie wegen vanuit Hilversum naar het zuid(west)en loopt en bij het volk daar bekend staat of stond als de Neui, kennelijk vanuit *Neude. Verder is er de (Oude) Nude als de naam van een streek, nu een dorp bij Wageningen in Gelderland, eveneens aan de rechteroever van de Rijn. Die is vroeger opgeschreven als Neude en Nuede, voordien Noda en bij zijn eerste verschijning in de negende eeuw nog als Hnodi. Er is hier dus vroeg een h weggesleten.
Onduidelijk is het toebehoren van een oude vermelding. In 1165 geeft keizer Frederik Barbarossa bij oorkonde opdracht om in het land genaamd Noda een aquaeductus te graven zodat het water van de Rijn die er uitmondt in de zee—“die in de buurt is”—zonder hinder onophoudelijk vloeit en afstroomt. Deze Noda wordt meestal vereenzelvigd met de Nude bij Wageningen, door enkele geschiedkundigen met de Neude in Utrecht, maar om de gestelde nabijheid van de zee kan er een heel ander oord bedoeld zijn. Wellicht dan in de buurt van Muiden bij de monding van de Vecht, die immers lang als arm van de Rijn gezien werd, al is het de vraag of het Almere tegen die tijd al in de Zuiderzee veranderd was.
Het grondwoord
Al deze vormen zijn alleen met elkaar te verzoenen als de eerste klinker in de namen oorspronkelijk een Germaanse *ō was. Die werd in de regel een oe in het algemeen Nederlands maar een eu of uu in de streektalen van Midden-Nederland indien de volgende lettergreep een *i had. Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van het kleurwoord *grōniz tot groen, gewestelijk greun en gruun. De Neude en de Neuweg liggen in een gebied waar men vroeger greun zei, de Nude daarentegen behoort tot de streken waarin het vanouds gruun is. Zo is dus vast te stellen dat het woord dat ten grondslag ligt aan de genoemde namen de vorm *hnōdiz had. Dat behelst ook dat we *noed en *Noede zouden zeggen in het algemeen Nederlands.
Nu zijn we in staat om ver naar het zuiden een ander geval te herkennen. In en om Brussel werd de Germaanse *ō uiteindelijk geen oe maar een oo, zoals in blood ‘bloed’, good ‘goed’, spood ‘spoed’ en spooie ‘spoeden’. In die reeks past ook Sint-Joost-ten-Node, ter plekke uitgesproken als Tenooi, als de naam van een oord en gemeente ten noordoosten van Brussel, met vroegere vormen als Noede en Nuode. Diens verbuiging is evenwel mannelijk en in deze streek zou een *i in de volgende lettergreep van invloed geweest zijn. Vandaar kunnen we in navolging van de Brusselse taalkundige Adolphe Van Loey besluiten dat deze oordnaam teruggaat op een nevenvorm *hnōduz, dus met een andere verbuigingsstam (zie noot).
Andere oordnamen die reeds Albert Carnoy in 1925 met Node in verband bracht zijn onder meer Nodebais en Noduwez in Waals-Brabant, met bais en wez als verwaalsingen van Germaans *bakiz ‘beek’ en *wadją ‘doorwaadbare plek’. Zijn vakgenoot Maurits Gysseling verbond die in 1960 ook met Nœux, Nœux-lès-Auxi en Nœux-les-Mines, alle drie in Pas-de-Calais in uiterst noordelijk Frankrijk, een gebied waarin Germanen in groten getale neerstreken bij het dagen van de middeleeuwen. Gysseling knoopte bovendien aan bij de oordnaam Noes Landrici iets zuidelijker in Ponthieu/Ponteland, met Latijnse verbuiging van de Germaanse naam Landrík. De -x en -s zijn overblijfsels van de aangevoegde Latijnse uitgang -us.
Carnoy herkende dit *hnōdiz als het woord dat elders opduikt in de vorm van Oudhoogduits nuot ‘reet, groef, voeg’ en tegenwoordig overleeft als Duits Nut ‘keep, sponning, groef’. In die taal was de *h aan het woordbegin voor een andere medeklinker al vroeg weggesleten maar waren er soms nog resten, zoals in het verwante, zinsgelijke Oudhoogduits nuoa met de oude nevenvorm hnoe. Overigens is de Germaanse *h bij klankverschuiving ontstaan uit een Indo-Europese *k of *ḱ, dus het gaat hier om dezelfde wortel als die van Attisch Grieks knên ‘schrapen, krassen’, Oudiers cnaid ‘knagen’ en Litouws knóti ‘schillen’.
Een waterloop of…
Het is denkbaar dat *hnōdiz vanuit ‘groef’ e.d. ook ‘geul, kreek’ kwam te betekenen dan wel ‘lang smal dal’, zoals Carnoy opperde, en als zodanig meermaals als naam eindigde. Te Neude zijn zoals gezegd geen duidelijke sporen van een inham of een uitmonding en is dus niet gauw aan een geul of kreek te denken. Beter schikt de laagte tussen de twee oeverwallen daar: enerzijds de rechter, noordelijke oeverwal van de Rijn, anderzijds de linker, zuidelijke oeverwal van de Vecht, die stroomopwaarts van de Rijn aftakte. Of wellicht was de Rijn zelf daar betrekkelijk nauw als een geul indertijd.
Ondertussen wordt de streek van de Nude aan de westelijke zijde doorsneden door de Grift of Grebbe, een gegraven waterloop. Muller opperde dat deze ooit een oudere geul of kreek ter plekke vervangen had, wellicht de stroom genaamd de Nood die vermeld wordt in de Historie ofte beschrijving van ’t Utrechtsche bisdom uit 1719. Anders hield hij het voor mogelijk dat de naam eerst verwees naar de betrekkelijke laagte die de ‘poort’ vormde tussen de Utrechtse Heuvelrug en de zuidwestelijkste heuvelrug van de Veluwe, al is die wel heel breed.
Enige twijfel
Van al deze namen is alleen Nude eens met een h aan het begin overgeleverd, als Hnodi in een afschrift uit 900 van een oorkonde uit 855. Hetzelfde stuk bevat meer van zulks: de mansnamen Hrodhing, Hrodlef, Hrodger, Hludowico en Walthrabhan en de oordnamen Hreni en Hrenhem (nu Rhenen in Utrecht), Hlara (nu Laareind in Utrecht), Hlegilo (ligging onbekend) en Hrineshem (ligging onbekend). Die laatste zou wel eens kunnen verwijzen naar de Rijn, waarvan de naam echter oorspronkelijk niet met een h begon. Dat geeft reden te denken dat de schrijver of afschrijver soms een h aan het begin schreef waar die niet hoorde en dat Hnodi een verschrijving van *Nodi was, al is verder de aan- en afwezigheid van h in het stuk geheel in lijn der verwachting.
En kennen we een *nōdiz? Nee, maar zulks zou bestaan kunnen hebben als Germaanse verwant van Grieks nôton ‘rug; heuvelrug; wijd oppervlak’ en Latijn natis ‘achterwerk’, meervoud natēs ‘billen’. Die zijn door Guus Kroonen reeds verbonden met een ander woord in het Germaans, namelijk Gotisch nōta ‘achterdek, achtersteven’. In geval van verwantschap beantwoorden de Griekse t en de Latijnse t in de regel aan een Germaanse *d of *þ doch soms aan een *t als er ooit onmiddellijk en *n op volgde en ermee versmolt als het ware. Vergelijking met het Griekse woord maakt het verleidelijk om het bestaan van een *nōdiz in de betekenis ‘heuvelrug’ of ‘oeverwal’ aan te nemen als voorloper van Neude en Nude, maar het vergt meer aannames en is dus zwakker dan de andere duiding.
Tot slot
In sommige naslagwerken worden Nude e.d. herleid tot een Oudnederlands noda ‘moerassige laagte’, maar dat klopt niet. Noda is weliswaar als oude vorm van Nude e.d. overgeleverd, maar niet als woord in die betekenis. De oorzaak van dit misverstand is te zoeken bij Gysseling, die niet uitging van Germaans *hnōdiz ‘groef e.d.’ maar van een Germaans *hnaudōn ‘moeras’. Daarbij gaf hij een verzameling aanduidende afleiding *hnaudiją als voorloper van Nude, al is dat klankwettig dus niet mogelijk. Hij had wel een reden om van *hnaudōn uit te gaan, want daartoe kon hij middeleeuws Latijn nauda ‘moeras’ en Frans noue ‘moeras’ herleiden. Ware het niet dat die twee woorden beter te begrijpen zijn als de voortzettingen van een Gallisch *naudā, de evenknie van Oudiers snuad ‘beek, stroom’ en mogelijk ook Middelwels nudd ‘mist, nevel’, alle vanuit een grondbetekenis ‘vochtigheid’.
Samenvattend kunnen we zeggen dat de Neude en de Nude, alsook de Node bij Brussel, vermoedelijk vernoemd zijn naar een groef of geul of een smal dal, waarbij we overigens niet een ingrijpende diepte hoeven aan te nemen, zoals het woord berg in de Lage Landen ook maar een bescheiden hoogte kan aanduiden. Minder waarschijnlijk is vernoeming naar een oeverwal of iets dergelijks en uit te sluiten is een oorspronkelijke betekenis als ‘moerassige laagte’. Ze hebben hoe dan ook alle drie een gewestelijke vorm, zouden in het algemeen Nederlands *Noede luiden, maar het is mooi dat midden in Utrecht nog een overblijfsel van de oude streektaal bewaard is gebleven.
Het is mogelijk dat mannelijk *hnōduz de oorspronkelijke vorm is en dat deze in de ontwikkeling van de dochtertalen werd omgebouwd tot een vrouwelijk *hnōdiz. Net zo’n verandering van u-stam naar i-stam onderging *flōduz ‘vloed’ volgens Kroonen (2013).
‘Gezicht op de Neude in Utrecht’ (1856) van Pieter Wilhelmus van de Weijer, beschikbaar gesteld door het Rijksmuseum.
Verwijzingen
Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)
Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)
Bruijn, M.W.J. de, “Tussen Rijn en Vecht. Beschouwingen over de rivierlopen in en rond Utrecht circa 1100”, op broerendebruijn.nl (2017–2022)
Carnoy, A. “De Plaatsnamen van de Brusselsche Omgeving”, in Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1925 (1925), blz. 364–92
Debrabandere, F. e.a., De Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek, tweede, grondig herziene en vermeerderde uitgave (Leuven, 2022)
Grimm, J. & W., Deutsches Wörterbuch, 16 Bde. in 32 Teilbänden (Leipzig 1854-1961)
Gysseling, M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (1960)
INL, Oudnederlands Woordenboek (webuitgave)
Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)
Monde, N. van der, Geschied- en oudheidkundige beschrijving van de pleinen, straten, stegen, waterleidingen, wedden, putten en pompen der stad Utrecht, 2e deel (1845)
Muller, J.W., “Neude”, in Nomina Geographica Neerlandica 8 (1932), blz. 147–58
Lühr, R. e.a., Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen. Band VI: mâda – pûzza (Göttingen, 2017)
Reinsma, R., “Geschiedenis op straat: Neude”, in Onze Taal 68 (1999), blz. 27
Tuuk, L. van der, “Neude en Kintgenshaven: mythe over kind en water”, in Oud-Utrecht 72 (1999), blz. 112–5
Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)
Wartburg, W. von e.a., Französisches Etymologisches Wörterbuch (1922-2002)
Winter, J.M. van, “Frederik Barbarossa en de Noda in 1165”, in Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 22 (2013), blz. 1–5