Over de Neude en dergelijke

Utrecht mag zich rijk rekenen met een zeer oude naam voor een zijner pleinen. Neude is net als de oordnamen Nude in Gelderland en Node in Brussel de verstening van een woord dat lang geleden verdwenen is uit de alledaagse taal. Maar wat betekent het?

Nattigheid

Het jaar was 1465 toen de stad Utrecht behalve een hoop mest en puin maar liefst 2866 karren zand en 1071 ton keien liet aanvoeren om eindelijk de Neude goed te verhogen en bestraten. De rekening bedroeg zevenhonderd gulden, zes kromstaarten en een witje en werd deels bekostigd met boeten voor overtredingen en een verplichte bijdrage van belendende huisbezitters. Marktbezoekers en anderen gingen er voortaan “droogvoets op eene gelijke, zindelijke straat, van welke het water door de aangelegde riolen wegzonk.” Dat schrijft in 1845 de geschiedkundige Nicolaas van der Monde, die ons ook wijst op de steekspelen van ridders die tot ver in de vijftiende eeuw op de Neude gehouden werden en waarvoor overigens eerder al ophogingen met zand verricht waren.

Hoe lang de Neude nattig was wordt betwist. Volgens onderzoek van onder meer Luit van der Tuuk ontstond de ellende toen eerst de omringende kavels vanaf het einde van de twaalfde eeuw opgehoogd werden en het plein als een vergaargrond met slechte afwatering overbleef. Voordien was de Neude juist droog, lag het blijkens bodemonderzoek op de toenmalige rechter oeverwal van de Rijn, met een hoogte tot wel 1,50m boven NAP aan de noordzijde van de Neude. Aan de zuidzijde zijn resten van schuiten en schoeiingen gevonden, aanwijzingen voor een aanmeerplek maar niet zozeer een haven, daar er van een inham of iets dergelijks geen sporen zijn. Kintgenhaven, de naam van een straat die op de Neude uitkomt en aan de vroegere oeverlijn ligt, lijkt alsnog een aanwijzing voor een haven maar verschijnt vrij laat in de overlevering en bevat mogelijk een verbuiging van have ‘bezit’.

Meer dan één

De pleinnaam heeft oudere vormen als Nuede, Noede, Noide en Node en is te vereenzelvigen met namen elders. De Hollandse taalkundige Jacob Muller wees in 1932 onder meer op een huis de Neude in Nijkerk en op de Neuweg, die vanouds als een van drie wegen vanuit Hilversum naar het zuid(west)en loopt en bij het volk daar bekend staat of stond als de Neui, kennelijk vanuit *Neude. Verder is er de (Oude) Nude als de naam van een streek, nu een dorp bij Wageningen in Gelderland, eveneens aan de rechteroever van de Rijn. Die is vroeger opgeschreven als Neude en Nuede, voordien Noda en bij zijn eerste verschijning in de negende eeuw nog als Hnodi. Er is hier dus vroeg een h weggesleten.

Onduidelijk is het toebehoren van een oude vermelding. In 1165 geeft keizer Frederik Barbarossa bij oorkonde opdracht om in het land genaamd Noda een aquaeductus te graven zodat het water van de Rijn die er uitmondt in de zee—“die in de buurt is”—zonder hinder onophoudelijk vloeit en afstroomt. Deze Noda wordt meestal vereenzelvigd met de Nude bij Wageningen, door enkele geschiedkundigen met de Neude in Utrecht, maar om de gestelde nabijheid van de zee kan er een heel ander oord bedoeld zijn. Wellicht dan in de buurt van Muiden bij de monding van de Vecht, die immers lang als arm van de Rijn gezien werd, al is het de vraag of het Almere tegen die tijd al in de Zuiderzee veranderd was.

Het grondwoord

Al deze vormen zijn alleen met elkaar te verzoenen als de eerste klinker in de namen oorspronkelijk een Germaanse *ō was. Die werd in de regel een oe in het algemeen Nederlands maar een eu of uu in de streektalen van Midden-Nederland indien de volgende lettergreep een *i had. Een voorbeeld hiervan is de ontwikkeling van het kleurwoord *grōniz tot groen, gewestelijk greun en gruun. De Neude en de Neuweg liggen in een gebied waar men vroeger greun zei, de Nude daarentegen behoort tot de streken waarin het vanouds gruun is. Zo is dus vast te stellen dat het woord dat ten grondslag ligt aan de genoemde namen de vorm *hnōdiz had. Dat behelst ook dat we *noed en *Noede zouden zeggen in het algemeen Nederlands.

Nu zijn we in staat om ver naar het zuiden een ander geval te herkennen. In en om Brussel werd de Germaanse *ō uiteindelijk geen oe maar een oo, zoals in blood ‘bloed’, good ‘goed’, spood ‘spoed’ en spooie ‘spoeden’. In die reeks past ook Sint-Joost-ten-Node, ter plekke uitgesproken als Tenooi, als de naam van een oord en gemeente ten noordoosten van Brussel, met vroegere vormen als Noede en Nuode. Diens verbuiging is evenwel mannelijk en in deze streek zou een *i in de volgende lettergreep van invloed geweest zijn. Vandaar kunnen we in navolging van de Brusselse taalkundige Adolphe Van Loey besluiten dat deze oordnaam teruggaat op een nevenvorm *hnōduz, dus met een andere verbuigingsstam (zie noot).

Andere oordnamen die reeds Albert Carnoy in 1925 met Node in verband bracht zijn onder meer Nodebais en Noduwez in Waals-Brabant, met bais en wez als verwaalsingen van Germaans *bakiz ‘beek’ en *wadją ‘doorwaadbare plek’. Zijn vakgenoot Maurits Gysseling verbond die in 1960 ook met Nœux, Nœux-lès-Auxi en Nœux-les-Mines, alle drie in Pas-de-Calais in uiterst noordelijk Frankrijk, een gebied waarin Germanen in groten getale neerstreken bij het dagen van de middeleeuwen. Gysseling knoopte bovendien aan bij de oordnaam Noes Landrici iets zuidelijker in Ponthieu/Ponteland, met Latijnse verbuiging van de Germaanse naam Landrík. De -x en -s zijn overblijfsels van de aangevoegde Latijnse uitgang -us.

Carnoy herkende dit *hnōdiz als het woord dat elders opduikt in de vorm van Oudhoogduits nuot ‘reet, groef, voeg’ en tegenwoordig overleeft als Duits Nut ‘keep, sponning, groef’. In die taal was de *h aan het woordbegin voor een andere medeklinker al vroeg weggesleten maar waren er soms nog resten, zoals in het verwante, zinsgelijke Oudhoogduits nuoa met de oude nevenvorm hnoe. Overigens is de Germaanse *h bij klankverschuiving ontstaan uit een Indo-Europese *k of *ḱ, dus het gaat hier om dezelfde wortel als die van Attisch Grieks knên ‘schrapen, krassen’, Oudiers cnaid ‘knagen’ en Litouws knóti ‘schillen’.

Een waterloop of…

Het is denkbaar dat *hnōdiz vanuit ‘groef’ e.d. ook ‘geul, kreek’ kwam te betekenen dan wel ‘lang smal dal’, zoals Carnoy opperde, en als zodanig meermaals als naam eindigde. Te Neude zijn zoals gezegd geen duidelijke sporen van een inham of een uitmonding en is dus niet gauw aan een geul of kreek te denken. Beter schikt de laagte tussen de twee oeverwallen daar: enerzijds de rechter, noordelijke oeverwal van de Rijn, anderzijds de linker, zuidelijke oeverwal van de Vecht, die stroomopwaarts van de Rijn aftakte. Of wellicht was de Rijn zelf daar betrekkelijk nauw als een geul indertijd.

Ondertussen wordt de streek van de Nude aan de westelijke zijde doorsneden door de Grift of Grebbe, een gegraven waterloop. Muller opperde dat deze ooit een oudere geul of kreek ter plekke vervangen had, wellicht de stroom genaamd de Nood die vermeld wordt in de Historie ofte beschrijving van ’t Utrechtsche bisdom uit 1719. Anders hield hij het voor mogelijk dat de naam eerst verwees naar de betrekkelijke laagte die de ‘poort’ vormde tussen de Utrechtse Heuvelrug en de zuidwestelijkste heuvelrug van de Veluwe, al is die wel heel breed.

Enige twijfel

Van al deze namen is alleen Nude eens met een h aan het begin overgeleverd, als Hnodi in een afschrift uit 900 van een oorkonde uit 855. Hetzelfde stuk bevat meer van zulks: de mansnamen Hrodhing, Hrodlef, Hrodger, Hludowico en Walthrabhan en de oordnamen Hreni en Hrenhem (nu Rhenen in Utrecht), Hlara (nu Laareind in Utrecht), Hlegilo (ligging onbekend) en Hrineshem (ligging onbekend). Die laatste zou wel eens kunnen verwijzen naar de Rijn, waarvan de naam echter oorspronkelijk niet met een h begon. Dat geeft reden te denken dat de schrijver of afschrijver soms een h aan het begin schreef waar die niet hoorde en dat Hnodi een verschrijving van *Nodi was, al is verder de aan- en afwezigheid van h in het stuk geheel in lijn der verwachting.

En kennen we een *nōdiz? Nee, maar zulks zou bestaan kunnen hebben als Germaanse verwant van Grieks nôton ‘rug; heuvelrug; wijd oppervlak’ en Latijn natis ‘achterwerk’, meervoud natēs ‘billen’. Die zijn door Guus Kroonen reeds verbonden met een ander woord in het Germaans, namelijk Gotisch nōta ‘achterdek, achtersteven’. In geval van verwantschap beantwoorden de Griekse t en de Latijnse t in de regel aan een Germaanse *d of *þ doch soms aan een *t als er ooit onmiddellijk en *n op volgde en ermee versmolt als het ware. Vergelijking met het Griekse woord maakt het verleidelijk om het bestaan van een *nōdiz in de betekenis ‘heuvelrug’ of ‘oeverwal’ aan te nemen als voorloper van Neude en Nude, maar het vergt meer aannames en is dus zwakker dan de andere duiding.

Tot slot

In sommige naslagwerken worden Nude e.d. herleid tot een Oudnederlands noda ‘moerassige laagte’, maar dat klopt niet. Noda is weliswaar als oude vorm van Nude e.d. overgeleverd, maar niet als woord in die betekenis. De oorzaak van dit misverstand is te zoeken bij Gysseling, die niet uitging van Germaans *hnōdiz ‘groef e.d.’ maar van een Germaans *hnaudōn ‘moeras’. Daarbij gaf hij een verzameling aanduidende afleiding *hnaudiją als voorloper van Nude, al is dat klankwettig dus niet mogelijk. Hij had wel een reden om van *hnaudōn uit te gaan, want daartoe kon hij middeleeuws Latijn nauda ‘moeras’ en Frans noue ‘moeras’ herleiden. Ware het niet dat die twee woorden beter te begrijpen zijn als de voortzettingen van een Gallisch *naudā, de evenknie van Oudiers snuad ‘beek, stroom’ en mogelijk ook Middelwels nudd ‘mist, nevel’, alle vanuit een grondbetekenis ‘vochtigheid’.

Samenvattend kunnen we zeggen dat de Neude en de Nude, alsook de Node bij Brussel, vermoedelijk vernoemd zijn naar een groef of geul of een smal dal, waarbij we overigens niet een ingrijpende diepte hoeven aan te nemen, zoals het woord berg in de Lage Landen ook maar een bescheiden hoogte kan aanduiden. Minder waarschijnlijk is vernoeming naar een oeverwal of iets dergelijks en uit te sluiten is een oorspronkelijke betekenis als ‘moerassige laagte’. Ze hebben hoe dan ook alle drie een gewestelijke vorm, zouden in het algemeen Nederlands *Noede luiden, maar het is mooi dat midden in Utrecht nog een overblijfsel van de oude streektaal bewaard is gebleven.

Noot
Het is mogelijk dat mannelijk *hnōduz de oorspronkelijke vorm is en dat deze in de ontwikkeling van de dochtertalen werd omgebouwd tot een vrouwelijk *hnōdiz. Net zo’n verandering van u-stam naar i-stam onderging *flōduz ‘vloed’ volgens Kroonen (2013).
Beeld
‘Gezicht op de Neude in Utrecht’ (1856) van Pieter Wilhelmus van de Weijer, beschikbaar gesteld door het Rijksmuseum.

Verwijzingen

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)

Bruijn, M.W.J. de, “Tussen Rijn en Vecht. Beschouwingen over de rivierlopen in en rond Utrecht circa 1100”, op broerendebruijn.nl (2017–2022)

Carnoy, A. “De Plaatsnamen van de Brusselsche Omgeving”, in Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1925 (1925), blz. 364–92

Debrabandere, F. e.a., De Vlaamse gemeentenamen. Verklarend woordenboek, tweede, grondig herziene en vermeerderde uitgave (Leuven, 2022)

Grimm, J. & W., Deutsches Wörterbuch, 16 Bde. in 32 Teilbänden (Leipzig 1854-1961)

Gysseling, M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (1960)

INL, Oudnederlands Woordenboek (webuitgave)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Monde, N. van der, Geschied- en oudheidkundige beschrijving van de pleinen, straten, stegen, waterleidingen, wedden, putten en pompen der stad Utrecht, 2e deel (1845)

Muller, J.W., “Neude”, in Nomina Geographica Neerlandica 8 (1932), blz. 147–58

Lühr, R. e.a., Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen. Band VI: mâda – pûzza (Göttingen, 2017)

Reinsma, R., “Geschiedenis op straat: Neude”, in Onze Taal 68 (1999), blz. 27

Tuuk, L. van der, “Neude en Kintgenshaven: mythe over kind en water”, in Oud-Utrecht 72 (1999), blz. 112–5

Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)

Wartburg, W. von e.a., Französisches Etymologisches Wörterbuch (1922-2002)

Winter, J.M. van, “Frederik Barbarossa en de Noda in 1165”, in Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 22 (2013), blz. 1–5

9 gedachten over “Over de Neude en dergelijke”

  1. Hallo Olivier,
    In Tilburg had je in de vijftiende eeuw een straat genaamd die nustraet. Dit werd verklaard als een straat lopende door of langs een laaggelegen kale heide. Langs of bij dit gebied lag ook een ge- of vergraven waterloop. Iets noordelijker in Tilburg had je in de zestiende eeuw ook nog een plek genaamd die nu en Heijnenacker in die heijdsijde, wat verklaard werd als land, weide en heide. Deze informatie komt uit het werk van Trommelen en Trommelen, Tilburgse toponiemen in de zestiende eeuw.
    Is dit een andere soort nu of hetzelfde?
    Gegroet,
    Jeroen

    1. Goedendag!

      Trommelen & Trommelen hebben zo te zien niet twee maar drie namen van belang:

      1. (dat) Nu, voor een heideveld
      2. (die) Nu en Heijnenacker, voor een land, weide en heide
      3. (die) Nustraet

      Op blz. 60 verklaren ze Nu als een ‘laaggelegen kale heide’ en verbinden ze het met Engels nude ‘kaal, naakt’, een ontlening van Latijn nudus, maar bij mijn weten heeft er in de Lage Landen nooit een vorm van dat woord bestaan. Op blz. 364 daarentegen willen ze Nu herleiden tot Germaans *hnaudiją, de boven besproken vorm die Gysseling verkeerdelijk aannam. Let wel dat de Germaanse tweeklank *au onder invloed van een *i in de volgende lettergreep een Tilburgse eu werd (niet een uu), zoals bijvoorbeeld blijkt uit de ontwikkeling van *naudijaną ‘noden’ tot Tilburgs neuje.

      Wel is Nu klankwettig te herleiden tot de boven genoemde vorm *hnōdiz, of beter gezegd een onzijdige, verzameling aanduidende afleiding *hnōdiją, aangezien men dat Nu zei. Voor de klank, vergelijk de ontwikkeling van *hōdijaną ‘hoeden’ tot Tilburgs huuje. Maar we zouden dan wellicht eerder een vorm als Nuuje in stede van Nu verwachten.

      Verband met Tilburgs nuu(t) ‘nieuw’ blijft ondertussen evengoed aannemelijk. Trommelen & Trommelen geven immers op blz. 470 de volgende zin uit 1429: land den Voertacker bi dat Voertveken aan die Nustraet of Nuwestraet.

  2. Hoi Olivier en dank! Ik begin te neigen naar de gedachte dat het inderdaad met nieuw samenhangt. Die nustraet is denk ik de voorloper van de huidige Nieuwstraat en de andere voorbeelden zouden evengoed nieuwe ontginningen kunnen betreffen in heidegebied.

  3. De Nederlandstalige benamingen voor Nodebais en Noduwez in Waals-Brabant zijn achtereenvolgens Nodebeek en Nodevoort.

    De Nederlandstalige naam Nodebeek verscheen reeds in 1440 als “Nodenbeke” 1) en werd omstreeks 1952 door de oudere inwoners van het buurdorp Sint-Joris-Weert (bij Leuven) nog steeds gebruikt 2).

    Alhoewel de Nederlandstalige naam Nodevoort tijdens de middeleeuwen meermaals ter boek werd gesteld (1340 Nodevort, 1374 Nodenvoert, 1397/1453 Nodevoert 3), later in 1668 versleten tot: “Noewaert” 4), wordt deze vandaag in de volkstaal niet gebruikt. De Waalse naam wordt in de tongval van de Hoegaardse buren als “Noduwàj” uitgesproken. Deze uitspraak kan al eeuwenlang bestaan, uitgaande van een oude vermelding voor de Goetsenhoofse 6) wegenaam Noduwezstraat: 1568 Nodewyschen wech 5) (*Nodewijseweg). Men heeft gepoogd om Noduwezstraat in Nodevoortsestraat 7) te wijzigen 8). Wegennamen worden immers beschouwd als mededelingen aan het volk en dienen in het Nederlands taalgebied (Vlaams Gewest) volgens de grondwet uitsluitend in het Nederlands opgesteld te worden. Dit is echter mislukt want de naam op het wegenbord is nog steeds: “Noduwezstraat”.
    De spelling “Nodevoorde” die men bv. in Google Maps en het “vlug woordenboek” (Wikipedia) aantreft is verkeerd.

    Volgens Gysseling is het Waals -wez inderdaad een Romaans leenwoord. Toch zien anderen bij de Vrankrijkse (Franse) 9) tegenhanger gué een samensmelting van het Germaans woord *wadja en het Latijnse vadum. In het diets wordt het evenwoord voorde (-voort, door-waad-bare plek) gebruikt. Bekkevoort, ongeveer 30 km noordwaarts, werd ook in verschillende Romaanse oorkonden als “Baconwez” (Baccunuuez, Baccunguez, Bacunweiz, Baconweiz,…10) ) vertaald. Noduwez is echter vanuit het diets vertaald (en niet omgekeerd) wegens het behoud van de tussen -d- in de Waalse naam. Een dergelijke tussen -d- verdween tijdens de vroege middeleeuwen in het Romaans.

    U gebruikt naast Ponthieu ook de benaming “Ponteland”. Dit is hoogstwaarschijnlijk maatwerk van J.-M. Gantois, stichter van het “Vlaamsch Verbond van Frankrijk”, want er bestaan geen geschiedkundige bewijsstukken voor deze naam noch vermeldingen in de Vlaamse tongvallen. Het achterwege blijven van het wel geschiedkundige “Nauw van Kales” voor “Pas-de-Calais” in uw opstel is daarom tegenstrijdig.

    Het Gallisch woord *nauda komt vaak voor als veldnaam in de Elzaatse (Elzassische) 11) Sundgau, verdietst: “Zuidgouw”.

    Enkele voorbeelden aan de “Duitstalige” zijde van de afbakening tussen Germaanse (Elzaatse) en Romaanse (Franc-comtois = “Vrijgraafschaps”) tongvallen.

    le Noden, Liebsdorf (Romaanse naam: Lebeucourt 12), Elbeûcouét)
    Noten, Obersulzbach/Soppe-le-Haut (Soultzbach)
    Nodenweiher, Strüt/Strueth (Romaanse naam: Essert, Eschie)
    Rue de la Notten (Auf der Notten), Niederburbach/Bourbach-le-Bas
    Bergnoden, Gauglisnoden, Grosse Noden, Koeningsnoden, Lange Noden, Mechisnoden, Schumachers Noden,… Pfetterhausen/Pfetterhouse (Romaanse naam: Pérouse, Prouse)

    Enkele voorbeelden aan de “Waalse” zijde:

    Franoue = Noden, Bellemagny/Baronsweiler (Baretzwiller)
    Nouves, Bretten (Brette)

    1) J. Tarlier, A. Wauters: La Belgique ancienne et moderne. Geographie et histoire des communes belges – Province de Brabant arrondissement de Nivelles, Canton de Jodoigne Tome II · Volume 2, 1872, blz. 136
    2) S. J. Frankenthal: Nog tweetalige plaatsnamen rondom Waver, Eigen Schoon en de Brabander, 1952, blz. 131
    3) J. Tarlier, A. Wauters: La Belgique ancienne et moderne. Geographie et histoire des communes belges – Province de Brabant arrondissement de Nivelles, Canton de Jodoigne Tome II · Volume 2, 1872, blz. 261
    4) P. Kempeneers: Zijsprokkel 171: Nederlandse plaatsnamen in Heilissem, 2022
    5) A. Wauters: La Belgique ancienne et moderne. Geographie et histoire des communes belges – Province de Brabant arrondissement de Louvain, Canton de Tirlemont Tome II · Volume 4, 1875, blz. 125
    6) ander Vlaams buurdorp bij Tienen
    7) Nodevoort-se-straat met het achtervoegsel -se. In Brabantse straatnamen die een richting aanduiden worden de nederzettingsnamen van een achtervoegsel -se, in Limburg (Maasgouw) vaak met een achtervoegsel -er voorzien, dit laatste alleszins in het Hoogduits. In West -en Oost-Vlaanderen geldt gewoonlijk een nevenschikking van de nederzettingsnaam met het woord -straat.
    8) H. Olaerts : Voorstel tot decreet – houdende wijziging van het decreet van 28 januari 1977 tot bescherming van de namen van de openbare wegen en pleinen, 1992
    9) vgl. Oostenrijks. Het bijvoeglijk naamwoord Frans is een ontlening van “françois” met uitstoting van het achtervoegsel (zonder uitstoting: “fransoos”). De begin F- werd tijdens de elfde eeuw in het Middelnederlands tot een V- verzacht.
    10) M. Gysseling: Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226), 1960, blz. 116
    11) Elzate(n) was de Middelnederlandse, tevens niet verschoven naam voor de Elzas/Alsace (in ouder Waals: Aussois of Auxois)
    12) De Vrankrijkse overheid heeft voor een hele rij dorpsnamen ten westen van Altkirch (Altechiquelle, Auteclique) en Pfirt/Ferette bij Mülhausen/Mulhouse (Mulhuizen, Molenlhuizen) afgezien om de Romaanse naam ambtelijk in voege te laten treden.

    1. Dank voor deze uitgebreide aanvullingen. Pas-de-Calais is in dit geval de ambtelijke naam van het département, liet ik daarom onvertaald. De stemloosheid van Frans en Frankrijk zie ik niet noodzakelijk als bewijs van ontlening, aangezien we ook namen als Frederik hebben. De vorm Elzaten staat reeds in de lijst met vergeten woorden. De vorm Sund met behoud van n tegenover Süd en Zuid is een heerlijk overblijfsel, beantwoordt wellicht aan het eerste lid van de oordnaam Zondveld (Noord-Brabant).

  4. Bedankt voor dit stuk. Ik reis wekelijks ongeveer vier keer per week over de Neude. Met mijn slechte gevoel voor humor en visuele instelling, zal ik dus ook elke keer met het beeld blijven dat de naam iets te maken kan hebben met de “groef” of spleet tussen iemands billen.

    Ook alvast excuses dat ik dit wetenschappelijk zeer goed onderbouwde stuk, lijk te destilleren tot een slechte beeldgrap. Dat is niet zo.

  5. Nabij St Nicolaasga in Friesland ligt een straat/streek genaamd Noed. De met een bocht lopende weg ligt wat hoger dan het omringende gebied. Zou deze streeknaam ook verwant zijn? Lokaal zegt men dat men woont “op ‘e Noed”.

    1. Gildemacher in Friese Plaatsnamen (2007) stelt dat daar Fries noed ‘risicovol’ als naam in gebruik is. Dat moet dan Fries noed m./v. ‘zorg, bezorgdheid’ wezen, want de woordenboeken hebben zo te zien geen bijvoeglijk naamwoord van dien aard.

      Schönfeld geeft in Veldnamen in Nederland (1950) vergelijkbare gevallen als Zorgven, Lange Jammer, De Smacht, De Lasten, De Honger enz. Van belang is ook dat naast de Noed in Sint Nicolaasga een streek genaamd (het) Hongerskar ligt.

      Winkler in zijn Friesche Naamlijst (1898) vertelt ons dat (de) Noed afwisselde met (it) Noedfjild. En fjild ‘veld’ betekent volgens hem ‘in het bijzonder eene uitgestrekte, weinig vruchtbare, hier en daar nog geheel of ten deele woest liggende vlakte’.

      Dus ik denk dat Gildemacher hier wel gelijk heeft. De verdere herkomst van noed is echter wel onduidelijk. Het zou een nevenvorm kunnen zijn van nju ‘verlangen; genoegen’, vroeger ook in de vorm/spelling njoe en de betekenis ‘goedheid, gunst, genegenheid; bescherming, hoede’, tevoren nog njoede ‘bescherming, hoede’ bij Japicx volgens het woordenboek van Epkema (1824). Anders overweeg ik voor noed een ontlening van Nederlands nood in de tijd voor de (betrekkelijk late) klankontwikkeling van oo > oe in het Fries.

      Overigens is er volgens Winkler ook (de) Noed als naam van de mieden onder Tjerkwerd, vlakbij Bolsward. Zulke laaggelegen graslanden waren alleen voor hooiwinning geschikt, geen gemakkelijke gronden.

Geef een reactie