De godin Viradecthis

De Tungri in de zuidelijke Lage Landen vereerden in de Romeinse tijd een godin met vormen van de raadselachtige naam Viradecthis. Deze blijkt bij nieuwe beschouwing te verbinden met oude Germaanse voorstellingen omtrent de dood.

Godinnennamen

Aan het begin van onze jaartelling woonden de Tungri in de wijde omgeving van het oord dat nog altijd hun naam draagt: Tongeren in Belgisch-Limburg. Ze werden uitdrukkelijk Germani genoemd door de Romeinse geschiedschrijver Publius Cornelius Tacitus, een indeling die bevestigd wordt door de namen die ze droegen en gaven. Als strijders in dienst van het Rijk voeren ze onder meer naar de Muur van Hadrianus, waar ze stenen wijdden aan godinnen met de duidelijk Germaanse namen Ahuardua, Harimella en Ricagambeda. Ook de namen van grote stromen, de oudste en meest verdurende getuigenissen van een taal in een gebied, zijn Germaans in het hunne, waaronder de Hoyoux en de Mehaigne met hun oude en kenmerkend Germaanse h, latere verwaalsing daargelaten.

Nochtans is een andere godinnennaam van hen vaak beschouwd als eigenlijk Keltisch. Deze verschijnt in verschillende vormen op enkele wijstenen. Bij de Muur van Hadrianus tussen de brokstukken van Blatobulgium te Birrens in Schotland vond men een steen gewijd aan DEAE VIRADECTHI, opgericht door manschappen van het tweede cohors Tungrorum uit de pagus Condrustis in hun thuisland. In net die pagus ‘gouw’ is niet ver van de Hoyoux bij het oord Strée een steen voor D(EAE) VIRATHETHI gevonden, opgericht door ene Superina, dochter van Suppo. De haakjes geven aan dat het woord afgekort was en in beide gevallen is de naam van de godin in de derde naamval ingebeiteld.

Twee andere inschriften zijn minder duidelijk. Bij de Romeinse sterkte van Vechten aan de Rijn in Nederland dook een steen op welke enkele Tungri en nautae ‘schippers’ ooit gewijd hadden aan DEAE [VIR]ADECD[I], hierboven afgebeeld. De letters tussen blokhaakjes zijn algemeen aanvaard als aanname van wat daar weggesleten is. Een vierde steen bij de vroegere monding van de Rijn bij Valkenburg in Zuid-Holland is een ander verhaal. Daarop zijn door hevige aftakeling alleen nog de letters H en RAT in twee regels leesbaar en is voor de tweede de lezing [DEAE VI]RAT[HETHI] geopperd.

In de eerste naamval zijn dat dus Viradecthis, Virathethis en Viradecdis. Een a als verbindingsklinker in samenstellingen kenmerkt het Germaans, niet het Gallisch/Keltisch, maar zou hier niets meer dan een vergermaansing wezen. De ware, oorspronkelijke, Gallische vorm van de naam zou overgeleverd zijn op drie wijstenen heel ergens anders doch bij elkaar in de buurt: VIRODACTI in Mainz, [DEAE VI]RODACTHI in Trebur en afwijkend D(E)AE VIRODDI in Hüffenhardt. In deze gevallen is de verbindingsklinker een o, zoals gewoon voor het Gallisch, al werden Germaanse samengestelde namen indertijd ook vaak met een o tussen de leden gespeld.

Uit het Keltisch

De grote Oostenrijkse geleerde Rudolf Much meende in 1914 al deze namen te kunnen herleiden tot een afleiding van Keltisch *wirodio- ‘mannelijk’. Woord en afleiding zijn anderszins overgeleverd als Oudiers feardha ‘mannelijk’ en feardhacht ‘mannelijkheid’. Zij ware dan dus de godin van de mannelijkheid. Zelf is *wirodio- een afleiding van Keltisch *wiros ‘man’, en dat is op zijn beurt een evenknie van Germaans *wiraz ‘man’, jonger *weraz, een woord dat ook de Tungri ongetwijfeld kenden. Dat Viradecdis e.d. daarentegen een e in stede van a hebben ware volgens Much omdat ze een nevenvorm van dat achtervoegsel bevatten. Menige vakgenoot is hierin meegegaan, waaronder Siegfried Gutenbrunner, Fritz Heichelheim en Jan de Vries halverwege de vorige eeuw.

Een ietwat andere duiding heeft Corinna Scheungraber slechts enkele jaren geleden in haar naslagwerk van godennamen gegeven, dat de voorloper een Keltisch *wiro-dektis was, door haar begrepen als een samenstelling van *wiros ‘man’ met een verondersteld woord *dektis ‘trots, eer’ dat verwant ware aan Oudiers dech in dezelfde betekenis. Daarmee krijgen we een godin van de mannelijke trots of eer. Dat Virodactis e.d. geen e hebben is volgens haar slechts een gevolg van verbastering.

Patrizia de Bernardo Stempel wijst beide duidingen af. Tegen Much e.a. wijst ze erop dat zo’n afleiding van *wirodio- nog lang die tweede *i zou bewaren, terwijl die klinker juist in geen van de vormen van de godinnennaam opduikt. En ze wijst erop dat het achtervoegsel een zogenaamde ā-stam was, terwijl de godinnennaam steevast als een i-stam verbogen werd. Haar bezwaar tegen Scheungraber is dat er zoals gezegd anderszins geen aanwijzing is voor het bestaan van een woord *dektis ‘trots, eer’. Daaraan mogen we toevoegen we dat we in beide gevallen eerder een god dan een godin zouden verwachten.

Zelf ziet De Bernardo Stempel de naam als een voortzetting van een Keltisch *wiro-degtis, een samenstelling van *wiros ‘man’ met *degtis ‘vlam’, een woord dat anderszins opduikt als het tweede lid van Middelwels goddeith ‘grote vlam, hevige brand’. Aldus zou het gaan om een godin van het mansvuur oftewel die männliche Potenz in haar woorden. Steun hiervoor ziet ze in het gegeven dat de steen in Mainz gewijd is aan twee godheden: Virodactis en Lucena. Die tweede naam is te begrijpen als een nevenvorm van Lucina, een woord waarmee Iuno en Diana dikwijls aangeduid werden in hun rol als helpers bij het baren in de Romeinse godenverering.

Ook hieraan kleven bezwaren. Ten eerste is het niet duidelijk dat Middelwels -deith ‘vlam’ op een i-stam teruggaat en ziet bijvoorbeeld Ranko Matasović in zijn woordenboek van het Keltisch een ā-stam in dezen. Verder ontberen we een evenredig geval waarin het mannelijke vermogen vergeleken wordt met een vlam, in een godinnennaam althans, en ook in dit geval zou een god meer dan een godin betamen. Daarnaast verklaart dit niet waarom uitdrukkelijk nautae ‘schippers’ een steen aan de godin wijdden te Vechten. Maar de sterkste reden om aan haar duiding en de eerdere te twijfelen is dat de th in sommige vormen, met name de eerste van Virathethis, er niet gauw mee te verzoenen is. Die kan niet zomaar uit een d ontstaan zijn en dient bezwaarlijk tot spelling daarvan.

Uit het Germaans

Wel kan de th hier een Germaanse *þ weergeven, zoals bijvoorbeeld ook in de godennaam Thincsus, te lezen op een wijsteen opgericht door Germaanse strijders in Romeinse dienst in Vercovicium bij de Muur van Hadrianus. En wat voor ons hier nu bovendien van belang is: aan het begin van het tweede lid in oude Germaanse samenstellingen kon een stemloze wrijfklank wisselen met een stemhebbende wrijfklank of plofklank, in dit geval de *þ met een *d. Dat kan vormen als Viradecthis verhelderen.

Een bekend evenredig geval is hoe de *s wisselt met een *z in de samenstelling *matisahsą en zijn nevenvorm *matizahsą, van *matiz ‘eten’ en *sahsą ‘snijtuig’. De ene vorm ontwikkelde zich tot o.a. Oudhoogduits mezzisahs en Nederlands mes, de andere vorm tot Oudhoogduits mezzirahs en vandaar Duits Messer. (De Germaanse *z werd een r in de dochtertalen; jonger is de verandering van de Germaanse *s in een Nederlandse z.) Een ander geval is wel *anafaltiją met daarnaast *anabaltiją, de voorlopers van enerzijds Oudengels anfilte en Engels anvil, anderzijds Middelnederduits anebelte en Nederlands aambeeld.

Maar terwijl het eerste lid van Viradecthis e.d. goed te vereenzelvigen is met Germaans *wiraz ‘man’, jonger *weraz, is er in de Germaanse talen geen woord te vinden dat in zijn geheel met het tweede lid te vereenzelvigen is. Wel is het achtervoegsel van het tweede lid te herkennen als Germaans *-þiz en diens nevenvormen *-diz en *-tiz, wier klank afhing van de voorgaande medeklinker en de aanraking daarmee. Dit achtervoegsel werd onder meer gebruikt ter aanduiding van handelingen en uitvoerenden, zoals in *druhtiz ‘krijgsgevolg, heerschare’ bij *dreuganą ‘krijgsdienst doen’ of *gahugdiz/*gahuhtiz ‘geheugen, gedachtenis’ bij *hugjaną ‘heugen’, voorloper van onder andere Oudsaksisch gihugd en Oudhoogduits gihugt/gihuct/gihuht.

Bij welke wortel kan het tweede lid dan horen? De c van -decthis e.d. kan allicht voor een Germaanse *k staan, maar ook voor een *g, zoals in Macusanus als nevenspelling van de godennaam Magusanus, of zoals in Hucdio, de naam van een man gebeiteld in een wijsteen in Zeeland die wel verwant is aan *gahugdiz hierboven. De c kan in beginsel ook voor een *h staan, zoals in de stamnaam Bructeri, een verlatijnsing van *Bruhterōz. We hebben dus op zoek te gaan naar een wortel *þek-, *þeg- of *þeh-.

Een wortel met de vorm *þek- ligt ten grondslag aan woorden als *þaką ‘dak’, *þakjaną ‘(be)dekken’, *þakenō ‘deken’ en mogelijk *þekuz ‘dik’, indien dat woord oorspronkelijk gebruikt werd in verband met begroeiing of iets dergelijks. Zo kunnen we Viradecthis e.d. gemakkelijk begrijpen als ‘Manbedekkende’ of ‘Manbeschuttende’ en werd de godin wellicht aangeroepen ter bescherming, ook op zee tegen storm en andere gevaren. Groot bezwaar is echter dat er van deze wortel niet onmiskenbaar een sterk werkwoord overgeleverd is waarvan -decthis afgeleid kan zijn.

Een band tussen godin en man

Dat is anders met de wortel *þeh-/*þeg-, met het sterke werkwoord *þegjaną, de voorloper van zoal Oudengels þiċġan ‘ontvangen, aanvaarden’, Oudsaksisch thiggian ‘nemen, ontvangen; verzoeken, bidden’, Oudnoords þiggja ‘ontvangen, aanvaarden’ en Oudhoogduits diggen ‘verzoeken’ (met Duitse verschuiving van *þ naar d). Het is een werkwoord dat betrekking had tot maatschappelijk belangrijke uitwisselingen en overdrachten, ook gebruikt wordt wanneer de god Óðinn geacht is een offer te hebben ontvangen in Óláfs saga Tryggvasonar (hoofdstuk 27): þá þykist jarl vita að Óðinn hefir þegið blótið.

Guus Kroonen heeft wortel en werkwoord eveneens aangewezen in *þegnaz ‘gevolgsman’, de voorloper van onder meer Oudengels þeġn, Oudsaksisch thegan, Oudhoogduits degan en Middelnederlands degen (niet te verwarren met degen ‘zwaard’). De band van de gevolgsman met zijn heer bestond uit trouw, moed en krijgsdienst in ruil voor menig gelag en voor geschenken in de vorm van wapentuig, armringen en ander goed. Dit is ook schitterend verweven door het achtste-eeuwse Oudengelse heldendicht Béowulf, waarvan onlangs een nieuwe vertaling verschenen is.

Andere woorden bij de wortel staven dat verband: Oudengels þegu ‘ontvangst, schenking’ in samenstellingen als béorþegu ‘bierontvangst, bierschenking’ en hringþegu ‘ringontvangst, ringschenking’, een evenknie van Oudnoords þega ‘gift, ontvangst van een gift’. Verder zien we Oudnoords þága ‘ontvangst’, þægr ‘aangenaam’ en þægð ‘aangenaamheid; gehoorzaamheid’ en Oudhoogduits digî ‘verzoek; gelofte’. Zeer belangwekkend in onze speurtocht zijn bovendien Oudhoogduits gideht ‘aandachtig, vroom’, gidehti ‘cultus’ en gotadeht ‘vroom’, het laatste een samenstelling met got ‘god’. Die hebben door aanraking met het achtervoegsel geen g maar een h.

Geen van deze woorden is een i-stam, maar het mag inmiddels aannemelijk zijn dat de naam Viradecthis te maken heeft met de offers en eerbied die deze godin van mannen ontving en/of de giften die ze aan hen gaf. Te vergelijken zijn de Germaanse namen Friagabis ‘Vrijgevende’ en Garmangabis ‘Gevende van het Begeerde’ van twee godinnen, wellicht dezelfde als die hier besproken wordt. De ene wordt genoemd op een wijsteen in Vercovicium net als Thincsus hierboven, de andere op een wijsteen in Longovicium langs de weg die de Muur van Hadrianus verbond met Eboracum (York). Overigens is -gabis een i-stam die nergens anders in de Germaanse talen te vinden is.

Een iets andere duiding met dezelfde woordstof vloeit vanuit de kennis dat *wiraz behalve ‘man’ ook ‘echtgenoot’ betekende in sommige dochtertalen. Gezien Oudhoogduits gideht ‘aandachtig, vroom’ en gotadeht ‘vroom tot God’ hierboven, is deze godin dan de belichaming van de toegewijde echtgenote? Dat zou een reden kunnen zijn waarom ze ook vereerd werd door schippers, die immers lange tijd van huis zijn en in de trouw van hun vrouw te geloven hebben. Het zou verhelderen waarom Virodactis samen met de verloskundige Lucena genoemd wordt.

Voorstellingen omtrent de dood

Een derde duiding is te geven aan de hand van drie bijzondere namen van dezelfde wortel. Þǫgn ‘Ontvangster’ wordt in de Oudnoordse overlevering gegeven als dichterlijke naam voor een valkyrja. Zulks was een vrouwelijke geest die uit het val ‘dood volk op het slagveld, de gesneuvelden tezamen’ haar kør ‘keuze’ maakte, dus strijders ontving. Dit val schuilt tevens in Valhǫll, de naam van Óðins hal waarin een keur van strijders na de dood met gelag verblijven zal. Een evenknie is wal in Middelnederlands walstat ‘slagveld’ en Nederlands Walraven, een mansnaam die verwijst naar de strijder die na zijn zege de rusting van zijn vijand rooft zoals een raaf de lijken op het slagveld pikt. Naast Þǫgn vinden we nog Valþǫgn als valkyrja-naam in het gedicht Hákonardrápa, terwijl Óðinn zelf Valþǫgnir heet in Víga-Glúms saga.

Zo ware Viradecthis de ‘Manontvangster’, een godin die vooral gelden zou onder strijders en schippers, mannen die het leven waagden op het veld en op de hoge golven onder donkere wolken. Maar in dezen mogen we het eerste lid *wiraz/*weraz ook meer algemeen als ‘mens’ begrijpen. Het schuilt immers tevens in de oude samenstelling *wiraldiz/*weraldiz ‘tijdperk van mensen’, vanwaar het woord wereld komt. En het zit in weergeld, voor de vergoeding waar nabestaanden recht op hadden als een van hen gedood werd, man of vrouw. Volgens deze duiding werden Virodactis en Lucena tezamen genoemd omdat ze met het einde en het begin van een mensenleven gemoeid waren.

En zelfs in dat geval zou de godin ook meer algemeen een vrouw kunnen vertegenwoordigen. Zo schrijft de IJslandse geleerde Snorri Sturluson begin dertiende eeuw in zijn dichtershandleiding Skáldskaparmál dat een vrouw vernoemd kan worden naar haar edelstenen en andere tooi of naar haar schenking van drank—opzichten waar ook koningin Wealhþéow in Béowulf mee beschreven wordt—maar evengoed naar alle valkyrjur, zowel als ásynjur, nornir en dísir, allen vormen van (schik)godinnen. In de eerste Merseburger toverspreuk, een Oudhoogduits heidens kleindicht bewaard in een enkel negende-eeuws handschrift, heten de idisi in staat om strijders te ketenen en ontketenen. Dit is een evenknie van Oudsaksisch idis ‘(getrouwde) vrouw’ en Oudengels ides ‘vrouw van stand’, waarmee ook Wealhþéow aangeduid wordt.

Verder van belang is dat Óðinn slechts de helft van de doden krijgt volgens het Oudnoordse gedicht Grímnismál. De godin genaamd Freyja ‘Vrouwe’ kiest elke dag de andere helft en ontvangt deze in haar hal Sessrúmnir ‘Zetelruime’ in Folkvangr ‘Volkweide’. (Het woord vangr heeft zijn evenknieën in Oudsaksisch hevanwang ‘hemelse weide’, Oudengels Neorxnawang ‘paradijs’ en Gotisch waggs ‘paradijs’.) Het gaat te ver om te zeggen dat Viradecthis en Freyja min of meer dezelfde godin zijn, maar er is genoeg evenredigheid om ons tot opletten te nopen.

Ter zee

Sessrúmnir heet niet alleen haar hal maar ook een schip volgens de Þulur of Nafnaþulur, een ruwweg twaalfde-eeuwse lijst van namen. En volgens deze en andere Oudnoordse bronnen heet Freyja ook Mardǫll, een samenstelling met marr ‘zee’. Joseph Hopkins en Haukur Þorgeirsson hebben dit in verband gebracht met het merkwaardige gegeven dat er vroeger in de Germaanse wereld, vooral in Scandinavië, vaak mensen in boten begraven werden vanuit heidense gewoonte. Een indrukwekkend voorbeeld is het bootgraf van een zevende-eeuwse koning te Sutton Hoo in Engeland. Bescheiden daarentegen is het bootgraf uit de late zesde of vroege zevende eeuw dat in de duinen van Solleveld bij Den Haag gevonden is.

Het herinnert ons aan een verhaal uit de Nederlandse kuststreek onder de Franken, vastgelegd in de zesde eeuw in de Geschiedenis van de Oorlogen (boek 8, hoofdstuk 20) van de Byzantijnse schrijver Prokópios, die het overigens als niets meer dan mythologie of droomwerk beschouwde. Vele bronnen hadden hem verteld—beweerd het zelf meegemaakt te hebben—dat de mannen in de vissersdorpen daar belast waren met de overdracht van zielen, dat ze in de nachten door een stem geroepen werden om naar het strand te gaan, waar vreemde boten gereed lagen, en naar Brittannië te varen. Deze boten waren zwaar door een onzichtbare lading doch konden in slechts een uur de reis volbrengen naar het eiland, waar een stem klonk die iedere ziel bij naam en toenaam noemde en waarna op terugreis de boten licht en snel waren. Om deze dienst zouden de vaarders sinds lang van schatting verschoond zijn. Het strookt in de kern met het Oostfriese volksverhaal over het Witte Aaland, het ‘Witte Eiland’ waar men elke Oudejaarsavond de doden had heen te voeren.

Hopkins en Þorgeirsson noemen die verhalen niet, wijzen wel op wat Tacitus in zijn Germania (hoofdstuk 8) schrijft, dat sommige stammen der Suebi aan Isis offeren. Gewoonlijk vereenzelvigden de Romeinen de Germaanse goden met hun eigen en wat ze verder reeds kenden, maar in dit geval meende hij dat de verering van vreemde oorsprong was, omdat ze gebeurde met een beeld in de vorm van een licht schip. Het eerder genoemde is evenwel een aanwijzing dat het hier wel degelijk om een inheemse voorstelling van een godin ging. De Suebi woonden nochtans diep in het binnenland en de Tungri waren ook geen kustvolk, maar ze voeren wel en het is goed denkbaar dat ze bekend waren met verhalen over de uitvaart van zielen over zee.

Besluit

Invloedrijke geleerden hebben de godinnennaam Viradecthis lang beschouwd als van Keltische oorsprong, eerst op grond van een verbinding met Oudiers feardhacht ‘mannelijkheid’ die niet houdbaar bleek, onlangs volgens nieuwe duidingen die ook niet overtuigen kunnen. Dat de naam Gallisch ogende nevenvormen heeft bewijst niet dat de Tungri, Germaanse vereerders van deze godin, hem overgenomen hebben. Het omgekeerde is evengoed mogelijk en blijkt zelfs waarschijnlijker, aangezien alleen bij Germaanse herkomst de volle verscheidenheid van vormen begrijpelijk is, in het bijzonder de th in vooral Virathethis en dat die wisselt met een d in andere.

De naam is hoe dan ook te duiden als een samenstelling van een oud woord voor ‘man’, hier wellicht ‘mens’. Het tweede lid beantwoordt niet volledig aan enig bekend woord in de Germaanse talen—of de Keltische—maar is het beste te herleiden tot een Germaanse wortel die betrekking heeft tot geven en ontvangen en vandaar ook toewijding. Dit leidt tot de mogelijkheid dat de godin een belichaming van vrijgevigheid was zoals andere indertijd of van de toegewijde vrouw en daarom vereerd werd door Tungri die lang en ver van huis waren. Maar de naam is ook goed te begrijpen als ‘Manontvangster’ of ‘Mensontvangster’, in lijn met wisse (toe)namen voor de god Óðinn en de valkyrjur, zij die uit de doden kiezen, en in lijn met het wezen van de hemelse gastvrouw Freyja, die ook met de zee verbonden was. Dat kan de reden zijn dat Viradecthis door strijders en schippers vereerd werd en op één wijsteen genoemd werd met een godin van geboorte, als ware die haar tegenhanger.

Beeld
Wijsteen, beschikbaar gesteld door het Rijksmuseum van Oudheden. Rechtenvrij.

Verwijzingen

Blöndal Magnússon, Á., Íslensk orðsifjabók (Reykjavik, 1989)

Bogaers, J.E., “Zweimal Valkenburg (Prov. Zuid-Holland)”, in J.S. Boersma e.a. (ed.), Festoen. Opgedragen aan A.N. Zadoks-Josephus Jitta bij haar zeventigste verjaardag (Groningen, 1976), blz. 123–35

Bosworth, J. & T.N. Toller, An Anglo-Saxon Dictionary (Oxford, 1989)

De Bernardo Stempel, P. de, Die sprachliche Analyse der niedergermanischen Votivformulare und Dedikantennamen, Corpus F.E.R.C.A.N. II/2 (Wenen, 2022)

Gutenbrunner, S., Die germanischen Götternamen der antiken Inschriften (Halle, 1936)

Heichelheim, F.M., “Viradecdis (Viradecthis, Virodacthis)”, in Paulys Realencyclopädie der classischen Altertumswissenschaft IX A (1967), blz. 174–5

Hopkins, J.S. & H. Þorgeirsson, “The Ship in the Field”, in RMN Newsletter 3 (2011), blz. 14– 8:

Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn, 1969)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Lloyd, A., R. Lühr & O. Springer, Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen. Band II: bi – ezzo (Göttingen, 1998)

Lloyd, A. & R. Lühr, Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen, Band V: gâba – hylare (Göttingen, 2009)

Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)

Much, R., “Vagdavercustis”, in Zeitschrift für deutsches Altertum und deutsche Literatur 55(2/3) (1914), blz. 284–296

Procopius, History of the Wars, Books VII (continued) and VIII, with an English translation by H.B. Dewing (Londen, 1928)

Scheungraber, C., Altgermanische und altkeltische Theonyme: Die epigraphische Evidenz aus der Kontaktzone: Ein Handbuch zu ihrer Etymologie (Innsbruck, 2020)

Schmidt, K. H., “Die Komposition in gallischen Personennamen”, in Zeitschrift für celtische Philologie 26(1-4) (1957), blz. 33–301

Simek, R., Lexikon der germanischen Mythologie, 3. Auflage (Stuttgart, 2006)

Stolte, B.H., “Die religiösen Verhältnisse in Niedergermanien”, in H. Temporini & W. Haase (Hrsgg.), Aufstieg und Niedergang der römischen Welt. II, Bd. 18, 1. Religion (Heidentum: Die religiösen Verhältnisse in den Provinzen) (Berlijn/New York, 1986), blz. 591–671

Sturluson, S., Edda, translated by A. Faulkes (Londen, 1987)

Sturluson, S., Heimskringla, translated by A. Finlay & A. Faulkes (Londen, 2015)

Tacitus, P.C., Germania, translated with introduction and commentary by J.B. Rives (Oxford, 2002)

Tiefenbach, H., Altsächsisches Handwörterbuch / A Concise Old Saxon Dictionary (Berlijn/New York, 2010)

Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, I-II, 3. unveränderte Auflage (Berlijn, 1970)

Vries, J. de (vert.), Edda. Goden- en heldenliederen uit de Germaanse oudheid, 10e druk (Deventer, 1999)

Waasdorp, J.A. & E. Eimermann, Solleveld. Een opgraving naar een Merovingisch grafveld aan de rand van Den Haag (= Haagse Oudheidkundige Publicaties 10) (2008)

Geef een reactie