Met namen als Boduognatus en Bagacum voor vorst en oord hadden de Nervii zoals andere Belgische stammen duidelijk een Keltisch opzicht. Sommige van hun namen lijken evenwel Germaans, in lijn met oude beweringen over noordelijke afkomst.
Het onderscheid
Na zijn verovering van Gallia in 50 v.Chr. begint de schrijvende veldheer Iulius Caesar zijn Commentarii de Bello Gallico met de uitleg dat het land uit drie delen bestaat: in het noorden tot aan de Rijn wonen de Belgae, in het zuidwesten de Aquitani en ertussen de eigenlijke Galli, die zichzelf Celtae noemen. Hij zegt dat deze drie van elkaar verschillen in taal, instellingen en wetten. Inderdaad, van de Aquitani wordt heden aangenomen dat ze een taal spraken die aan het Baskisch verwant was.
Bij de Belgae daarentegen zien we indertijd de ene na de andere Gallische en dus Keltische naam. Hun wereld begint volgens Caesar vanaf de Seine en de Marne, maar er is geen duidelijke taalgrens aan te wijzen. Een van de grootste stammen zijn de Remi, wier naam voortleeft als Reims en denkelijk ‘vorsten’ in het Gallisch betekent als verwant van Latijn primus ‘voorste, eerste’. In de ontwikkeling van het Keltisch was de oude *p aan het woordbegin al vroeg weggesleten. (Daarna ontstond in Gallia een nieuwe *p uit de oude *kw, zodat Gallisch petuar en epos beantwoorden aan Latijn quattuor ‘vier’ en equus ‘ros’.)
Beweringen over afkomst
Van de drie volkeren in Gallia noemt Caesar de Belgae de dappersten, in zijn ogen omdat ze het verst van beschaving en dier weelde wonen en het dichtst bij de Germani, met wie ze voortdurend in oorlog verwikkeld zijn. Een bron weet hem bovendien te vertellen dat onder de Belgae zelf de Nervii als de wildsten golden en het verst verwijderd woonden, maar ook dat de meeste Belgae afstammen van Germani die ooit de Rijn overgestoken waren, op zoek naar vruchtbare grond, en de bewoners verdreven hadden (2.4).
Vijftig jaar later rekent de Griekse geschiedschrijver Strabo in de Γεωγραφικά (Geōgraphiká) zowel de Νέρουιοι (Nérouioi) als de naburige Τρήουιροι (Trḗouiroi) tot Germaanse stammen (4.3.4). In dezen is ου een Griekse spelling van de v, die toen en daar zoals de Engelse w met beide lippen uitgesproken werd. Weer een eeuw later is het zijn Romeinse vakgenoot Tacitus die in de Germania schrijft dat de Nervii en Treveri graag bogen op Germaanse afkomst, zich met zulk roemrijk bloed onderscheiden willen van de moedeloze Galli (28.4). Hij lijkt niet overtuigd want noemt onmiddellijk daarna enkele stammen dichter bij de Rijn in het oosten die volgens hem zonder twijfel Germani zijn, zoals de Vangiones.
Dit raakt ook de vraag in hoeverre de Germani bij Caesar en latere schrijvers overeenkwamen met het netwerk dat we heden vanuit de taal- en volkskunde Germaans noemen. Het is vaak genoeg betoogd dat de Romeinen in veel gevallen met Germani slechts doelden op mensen die uit Germania afkomstig waren, ongeacht taal en verwantschap. Caesar en de zijnen spreken naast de Belgae ook van Germani cisrhenani oftewel ‘Germanen aan deze zijde van de Rijn’, die volgens hun inlichtingen betrekkelijk kort ervoor ingeweken waren. In de Germania schrijft Tacitus dat Germani eerst de naam van één van die stammen was en dat die zich daarna Tungri noemde. Hier zal vervolgd worden in de opvatting dat de Romeinen na aanvankelijke missers wel degelijk een taal- en volkskundig begrip van Germani hadden en toonden, vanuit lange, onmiddellijke ervaring. Ontwaring van Germaanse namen onder de Nervii kan dat bevestigen.
Een goed herstel
Ondanks hun onderwerping en zware verliezen in de beslissende slag van de oorlog—Caesar beweert dat hij toen slechts 500 van hun 60.000 strijders en maar drie van hun 600 senatores in leven liet (2.28)—kregen de Nervii volop de gelegenheid om weer te gedijen. Hun hoofdstad werd omvangrijk en heette Bagacum, vermoedelijk afgeleid van een Gallische evenknie van Latijn fagus en Germaans *bōkijō, beide ‘beuk’. Dit is heden Bavay in Frankrijk, vlakbij de grens met België.
Hun leefgebied werd in het westen begrensd door de Schelde, in het oosten door de Samber, en reikte in het noorden tot voorbij Brussel. Plinius noemt hen in 77 n.Chr. in de Naturalis historia een vrij volk, in tegenstelling tot de Treveri, die volgens hem ‘voorheen’ vrij waren. Ze sloegen hun eigen munten, soms voorzien van de naam Viros ‘Man’ (zie boven), een Gallische evenknie van Latijn vir en Germaans *wiraz, jonger *weraz, zoals nog voortleeft in onze woorden weergeld, weerwolf en wereld. Opvallend is het voorkomen van rossen op deze geldstukken, daar de Nervii volgens Caesar geen beduidende ruiterij hadden en die van hun vijanden belemmerden door overal vlechtheggen met bramen en doornstruiken te maken (2.17).
Niettemin konden ze later een ala ‘vleugel’ oftewel ‘ruiterafdeling’ als troepen aan het Rijk leveren, alsmede minstens zes cohortes Nerviorum, elk tegen de 500 man groot. Deze werden onder meer naar Brittannië uitgezonden, waar meerdere inschriften aan hun aanwezigheid herinneren. Een van die plekken was de Muur van Hadrianus, het grote verdedigingswerk dat ook door andere, oostelijke en noordelijke (Germaanse) stammen bemand werd, met name de Tungri, Batavi, Tvihanti en Frisii, die daar overigens wijstenen voor hun goden oprichtten.
De bekendste hunner namen
Naast Viros en Bagacum hebben we Nervii zelf, een naam waarvan de vorm niet verraadt of hij Gallisch of Germaans is, maar die vermoedelijk teruggaat op Indo-Europees *h2nḗr ‘man, kracht’. Dat leeft voort als Middelwels ner ‘vorst, held’ en Middeliers ner ‘everzwijn’ en buiten het Keltisch onder meer Sanskriet nā́ (2e nv. náraḥ) ‘man, held’, Grieks anḗr (2e nv. andrós) ‘man, mens’, de Latijnse naam Nero en wellicht de Germaanse stamnaam Naristi, voorzien van Latijnse uitgang zoals alle hier. Nervii heeft mogelijk het Indo-Europese achtervoegsel *-u̯i̯o-, dat anderszins schuilt in verwantschapswoorden als Sanskriet pítr̥vya- ‘vaders broeder’ en Oudhoogduits fatureo ‘hetz.’, vanwaar Duits Vetter. Dan is Nervii voorzichtig te duiden als ‘Mans verwanten’. Vergelijk Mannus als voorvader der Germani volgens Tacitus. Dan komt ook Viros in een ander licht te staan.
Caesar meldt dat de Nervii tijdens zijn veldtocht vochten onder het bevel van ene Boduognatus, wiens lot ons onbekend is maar die waarschijnlijk in die ene vernietigende nederlaag ten onder ging. Zoals gebruikelijk is de naam verlatijnst in zijn verbuiging. Het tweede lid is een Gallisch *gnātos ‘bekend’ of gelijkluidend *gnātos ‘geboren’. Het eerste lid is Gallisch boduos ‘kraai’, wellicht in een oudere betekenis ‘strijd’, want het is gewis een evenknie van Germaans *badwaz ‘strijd’, in verband met de gewoonte van kraaien en raven om lijken te pikken op het slagveld. Te vergelijken is Baduhenna, de naam van een godin in wier woud 900 manschappen van Rome hun einde vonden tijdens de opstand der Frisii in 28 n.Chr.
Dat de leider van de Nervii een Keltische naam had zegt niet alles. Hetzelfde gold immers voor de beslist Germaanse stam der Marcomanni ver naar het oosten in Bohemen. Hun koning heette Maroboduus, een samenstelling van hetzelfde woord voor ‘kraai’ of ‘strijd’ als hierboven met een woord voor ‘groots’ dat beantwoordt aan Oudiers már en Oudwels maur. Ondertussen hadden de talrijke Germaanse Suebi, verdreven door Caesar na hun inval in Gallia, een koning met de naam Ariovistus, die doorgaans als Gallisch geduid wordt. Caesar schrijft dat die man zo vertrouwd met de lingua Gallica geraakt was dat hij haar vloeiend sprak (1.47). De Keltische wereld was immers lang van invloed en aanzien geweest.
Caesar noemt ook nog ene Vertico als een Nervisch edelman die de Romeinen geholpen had toen hun kamp door de Nervii belegerd werd (5.45). Deze naam is meerduidig, mogelijk afgeleid van Gallisch *vertos, de verwachte evenknie van Oudbretons uuert en Middelwels gwerth, beide ‘waarde, belang’. Maar aangezien de Germaanse *w hetzelfde werd uitgesproken als de Latijnse en Gallische v en aangezien de Germaanse *þ vaak genoeg met een Latijnse t gespeld werd mogen we hier ook denken aan een Germaans *Werþikô als koosvorm van *Werþô ‘Waarde, Geachte, Beminde’. Aan net zulke vormen beantwoorden de Oudhoogduitse namen Werdicho en Werdo, met Hoogduitse klankverschuiving van *þ naar d en van *k naar ch.
Twee laatste Nervische namen in de oude geschiedschrijving vinden we in de Periochae, een samenvatting van de in 9 v.Chr. voltooide, gedeeltelijk verloren Ab urbe condita van Livius. Aan het einde daarvan is te lezen dat de Romeinse veldheer Drusus in zijn gevechten aan de Rijn onder meer door Avectius en Chumstinctus bijgestaan werd, bevelhebbers afkomstig van de Nervii. Deze namen zijn moeilijk te duiden, ook omdat ze wel niet zuiver overgeleverd zijn, maar het is van belang dat de Romeinen de letterreeks ch doorgaans niet gebruikten voor enige Gallische klank aan het begin van woorden maar wel ter spelling van de Griekse kh en vaak de Germaanse *h, die indertijd nog als een zachte ch werd uitgesproken zoals in Brabants ach. Te vergelijken zijn bijvoorbeeld Chamavi, de naam van een stam in wat nu Overijssel is, en Chariovalda, de naam van een bevelhebber der Batavi die in 16 n.Chr. in Romeinse dienst sneuvelt.
Een wijsteen en twee grafstenen
De oude geschiedschrijving is niet de enige bron die ons gegund is. Er zijn zoals gezegd bovendien inschriften gevonden, ook van Nervii zelf, zowel binnen als buiten hun bakermat. In deze gevallen kan het gaan om mensen die niet tot de hoogste kringen van hun stam hoorden. Dan zijn Germaanse namen hier eerder te verwachten, gesteld dat ze van minder aanzien waren. Anderzijds, deze inschriften zijn deels van na 100 n.Chr., toen Tacitus meldde dat de Nervii op Germaanse afkomst boogden. In welke mate dat was moet nog blijken maar het geeft tenminste aan dat de Germani en hun namen in achting gestegen waren, zij het niet zozeer als Romeinse namen, die immers zeer gangbaar werden.
In de Romeinse vesting te Caer Gai in wat nu Wales is is een steen gevonden die aan een god gewijd was door ene Iulius, zoon van Gavero. Een nevenvorm daarvan verschijnt bij de Batavi op een bronzen oorkonde uit 98 n.Chr. voor afgezwaaide strijders in Elst tussen Arnhem en Nijmegen: de zoon van ene Gaverus krijgt na 25 jaar dienst Romeins burgerrecht en de vrijheid om zich daar op zijn geboortegrond te vestigen. In de Nervische hoofdstad Bagacum wordt op een grafsteen een Gavernis fil(ius) genoemd, een zoon van Gavernis, al bestaat er een kans dat die verbinding een samentrekking van Gaveronis fil(ius) is, in welk geval de eerste naamval Gavero luidde. Tot slot staat elders in Bagacum op een andere grafsteen Gaverius als naam van degene die het inschrift verzorgde, wel een afleiding van Gaverus.
De Franse taalkundige Xavier Delamarre wil deze namen verbinden met een veronderstelde Gallische evenknie van Oudiers gáu ‘leugen’ en Middelwels geu ‘vals’, en dat is geen aantrekkelijke duiding. Ga- doet ondertussen denken aan het Germaanse voorvoegsel *ga- ‘mede-, geheel’, in onze taal nu ge-. Aldus zijn de namen te vatten als verlatijnsingen van Germaans *Gaweraz en *Gawerô. Ze zijn dan in de zin van ‘medeman’ gemaakt met het voornoemde *weraz ‘man’, de evenknie van Viros op de munten. Anders kunnen ze beantwoorden aan Middelhoogduits gewër ‘voor iets instaande, waarborger’, zonder voorvoegsel ook wër en wëre, horende bij Middelhoogduits (ge)wëren en Middelnederlands (ge)weren ‘waarborgen’. Deze mogelijkheid is te verkiezen als de vorm Gavernis juist gelezen is. Dat kan dan een andere afleiding zijn, zoals Oudhoogduits gern/gerni ‘graag’ naast ger ‘verlangend’ en gerôn ‘verlangend’.
De kans dat *ga- hier aanwezig is wordt groter door een andere naam op die tweede grafsteen: Gamago. Die kan ‘medejongen’ beduiden gezien Germaans *maguz ‘jongen’, en anders ‘geheel mogende, zeer bekwame’ als verwant van Oudhoogduits mag ‘mogend’, overgeleverd in unmag ‘zwak’. Buiten het gebied der Nervii zijn andere Germaanse namen met het voorvoegsel overgeleverd. Op een steen uit de eerste helft van de tweede eeuw n.Chr. bij Herzogenrath, vlak over de grens bij Heerlen, staat Ganeutius, zoon van Garecco en echtgenoot van Hris[…]. De laatste is aan het einde weggesleten maar kan in oorsprong gelijk zijn aan Oudnoords Hrist, voor een valkyrja in het gedicht Grímnismál, of hoort bij Oudsaksisch hrís ‘twijg’ en Nederlands rijs ‘hetz.’, vergelijkbaar met woorden als loot, spruit en telg voor afstammelingen.
We gaan terug naar die tweede grafsteen in Bagacum. De vader van Gamago heet Craucillus, te begrijpen als een verkleining van Germaans *kraukaz, dat voortgezet is als Middelnederlands crooc ‘gekruld, van haar’, ook zelfstandig ‘krullende lokken, lange lokken’, als verwant van onder meer kreuken. Hiermee vergelijkbaar is hoe in 13e-eeuws West-Vlaanderen een man genaamd Diederic Crooc in de overlevering voorkomt. Deze duiding wint aan waarschijnlijkheid door weer een andere naam op dezelfde steen: Crispus, wel hetzelfde als Latijn crispus ‘gekruld’. Deze Crispus is de vader van een man met de naam Sincorius Carapanthus—bezwaarlijk Germaans.
Op de eerste grafsteen in Bagacum is de reeds genoemde Gavernis (of Gavero) de vader van ene Abacius. Daarvoor is een Keltische oorsprong aannemelijk maar valt ook te denken aan een koosvorm van Germaans *abô, voorloper van Gotisch aba ‘man, echtgenoot’ en Oudnoords afi ‘man; grootvader’. In de regel onder hen staat de vrouwennaam Dedicca, mogelijk een liefkozende afleiding van een naam die met Germaans *dēdiz ‘daad’ begon, maar wel eerder van een Germaanse evenknie van Litouws dė̃de, dė̃dis ‘oom’, Oudkerkslavisch dědъ ‘voorvader’, Illyrisch deda ‘zoogmoeder’ en Grieks tḗthē ‘grootmoeder’, tēthís ‘tante’ en tēthía ‘oude vrouw’. De oorspronkelijke lange *ē zou in het Keltisch klankwettig een lange *ī geworden zijn, dus als Dedicca een Gallische naam is moet de oorsprong elders gezocht worden. Haar vader heet overigens Caracillus, dat een Gallische indruk wekt met hetzelfde lid als Carapanthus hierboven.
In de derde en laatste regel van deze eerste grafsteen vinden we Crupo als de naam van een vader. Hij is te verbinden met Germaans *kruppaz ‘krop, iets ronds’ of *krūpaną ‘kruipen’ en zij dan eigenlijk een liefkozend woord voor een kind. Evenredig aan de eerste mogelijkheid is bijvoorbeeld hoe Oudsaksisch of Oudnederlands Cobbo gewis beantwoordt aan (gewestelijk) Nederlands kobbe ‘bult; kuif; dichte haardos; bol van een hoed; spin’, oorspronkelijk dus ‘iets ronds’.
Een bijzonder geval
De zoon van Crupo heet Suhetius. Aanwijzingen dat het Gallisch indertijd een h had zijn niet sterk en Delamarre neemt aan dat de h hier slechts dient ter weergave van een stemonderbreking tussen u en e. Hij duidt de naam als een Gallische vorming met het voorvoegsel su- ‘goed’ en het anderszins niet overgeleverde *ētus ‘weideland’, de verwachte evenknie van Oudiers íath in dezelfde betekenis. Hier is kenmerkend voor het Keltisch een *p weggesleten, getuige verwanten als Litouws píeva ‘weide’ en Grieks poíē ‘gras’. Dan betekent Suhetius, eigenlijk dus Su-etius, zoveel als ‘hij met goed weideland’.
Een h in die rol zou meer willekeur dan regel zijn, dus het spreekt tegen de duiding van Delamarre dat Suhetius ook elders met h overgeleverd is. Zo was het omtrent 200 n.Chr. te Nideggen bij Bonn de naam van iemand die een wijsteen oprichtte voor de Veterahenae, wisse godinnen. En een afgeleide Suhetianius was de naam van een man, misschien wel de zoon van de vorige, die ergens in dezelfde jaren vlakbij te Eschweiler een wijsteen oprichtte voor de Alaferhviae, godinnen met een beslist Germaanse naam. De h in Suhetius geeft dus waarschijnlijk een echte klank weer, en wel een Germaanse *h (zie noot). Overigens verre te houden zijn Suetius, Suetia en Sueta, die in en bij Italië overgeleverd zijn en horen bij Latijn suetus ‘gewend; gewoon’, net als de bekende naam Suetonius.
Nu had het Germaans hetzelfde voorvoegsel su- van het Indo-Europees geërfd, met een betekenisuitbreiding van ‘goed’ naar ‘zeer, geheel’, zoals ook gebeurd is met wel in woorden als welbekend en welbeschouwd. Dit su- vormde met de voorloper van Oudhoogduits gambar ‘daadkrachtig, doortastend’ de naam Sugambri ‘Zeer Daadkrachtigen’ van een stam die later deel werd van de Franken, die later Gallia veroverden en er Frankrijk van maakten. Het schuilt met latere klinkerrekking ook in Oudnoords súsvǫrt ‘merel, zwarte lijster’, eigenlijk dus ‘zeer zwarte’ of ‘geheel zwarte’.
Vervolgens kunnen we Suhetius goed duiden als een vorming met Germaans *hētaz, meervoud *hētezō, de voorloper van Middelhoogduits hâz ‘kleding’ en Oudengels hǽteru ‘kleren’, en betekent de naam ‘welgekleed’ of ‘met goede uitrusting’—betamelijk voor een tijd waarin aanzien afgelezen werd aan wat men droeg. Of de naam is gevormd met een verwant van Middelnederlands heteren ‘hakkelen, mismaken’, 16e-eeuws Nederlands hateren ‘hakkelen, stamelen’ en Brabants heter in uitdrukkingen als tòw heter en fleter sloon ‘tot splinters slaan’, van dezelfde wortel als onder meer Litouws kedė́ti ‘barsten’ en kedìnti ‘splinter’ en Tochaars B katnaṃ ‘strooien’. In dat geval betekent de naam iets als ‘geheel verwoestend’.
In de Romeinse vesting Vindolanda bij de Muur van Hadrianus zijn vele honderden houten schrijfbordjes gevonden uit het jaar 100 n.Chr. ongeveer. Op eentje lijkt (verbogen) de naam Suetius te staan. Dit kan een verbastering van Suhetius zijn of een afleiding van het reeds genoemde Latijn suetus ‘gewend; gewoon’, maar aangezien het bordje dusdanig beschadigd is en de ruimte het toelaat kan er ook Mansuetius gestaan hebben, een verlenging van de toen gangbare Romeinse naam Mansuetus, van Latijn mansuetus ‘tam, mak, zachtzinnig’, eigenlijk ‘handgewend’.
Overigens staat elders op hetzelfde bordje en bovendien op een ander bordje de stellig Germaanse naam Chnisso, verwant aan Oudnoords hniss ‘etenslucht’ en IJslands hnissa ‘sterke geur’. Uit de zinsflarden valt op te maken dat deze Chnisso de kippen leverde die voor de keuken bestemd waren. Hij kon een Brit wezen die zo genoemd werd door de Germaanse manschappen die er dienst deden, indertijd waarschijnlijk Batavi. Nochtans staat het in steen gebeiteld dat daar ook eens Nervische strijders aanwezig waren.
Drie andere gevallen
Een grafsteen in Keulen die ergens tussen 100 en 300 n.Chr. opgericht werd behoort tot ene Vellango, een ‘Nervische burger’. Hier speelt mogelijk de stam van wellen in de oude betekenis ‘draaien’ in samenstelling met een woord overgeleverd in vormen als ango e.d. voor een kenmerkende werpspeer in de wapenraad van Franken en andere Germanen, hoewel woorden die met een klinker beginnen meestal niet dienden als tweede lid van tweestammige namen. Of we hebben een afleiding van de voorloper van Oudhoogduits wel (verbogen well-) ‘rond’ met -ang- als een oude nevenvorm van het kenmerk aanduidende achtervoegsel -ing-. Dat schuilt ook in Oudhoogduits alang ‘volledig’, Oudsaksisch ferscang ‘jong dier’ en Oudnoords hunang ‘honing’. In dat geval betekent de naam dus ‘Ronde, Rondeling’. Anders is hij wellicht een samentrekking van Germaans *Wela-langô ‘Wel-lange, Zeer-lange’, eigenlijk een bijnaam.
Zijn vader heet Haldauuo, vergelijkbaar met de gelijktijdige naam Haldacco van een man in Namen die getrouwd was met ene Lubainis, een afleiding van Germaans *lubai- ‘loven, prijzen’. Uit latere tijden zijn Oudhoogduits Haldo en Halto bekend. We kunnen hier denken aan een voorloper van Oudhoogduits hald ‘geneigd’, in de iets andere doch verwante betekenis ‘genegen’, of van Oudhoogduits halto ‘snel, vlug’, en anders nog van Oudnoords (fast)haldr ‘(vast)houdend’. In Latijnse inschriften werd echter soms een h neergezet aan het woordbegin waar het niet hoorde, dus een vorming met de voorloper van Oudnederlands ald ‘oud’ valt niet uit te sluiten.
Om deze reeks Nervische namen dan af te ronden richten we onze blik op wat onderzoekers in 1964 vonden bij de opgraving van een oude villa in Nouvelles bij Bergen/Mons in Henegouwen, in de buurt van Bavay/Bagacum. Het gaat om een brokstuk van een steen met Nivi- erin gebeiteld—de letters die erop volgden zijn weggebroken. Voor de hand ligt vereenzelviging met Germaans *neujaz, jonger *niwjaz, dat zich ontwikkelde tot onder meer Oudnederlands niuwi ‘nieuw’. Dat zit ook in Neviogastes voor de Romeinse bevelhebber die in 407 n.Chr. sneuvelde en afkomstig was van de Chamavi. Zijn naam is destijds in het Grieks overgeleverd als Νεβιόγαστος en Νεοβιγάστης, met β ter spelling van *w, zoals ook zijn stam eens als Χάμαβοι op schrift gezet werd. Of neem Theodonivia, gedragen door een Frankse vrouw in de zesde eeuw. Anderzijds, de naam Nivius is ook ver buiten de Germaanse wereld gevonden.
Niet zoals we gewend zijn
Het mag inmiddels opvallen dat de Nervische namen die hier als Germaans beschouwd worden niet de tweeledige opzet hebben die zo kenmerkend voor Germaanse namen is en elders al eertijds in de overlevering voorkwam. We noemden reeds Chariovalda uit het begin van onze jaartelling. Andere vroege voorbeelden zijn Chariomerus, Ingviomerus, Segimerus en Segimundus als namen van vorsten der Cherusci in dezelfde tijd, en iets later Fledimella op een steen in Vechten, Servofredus op een steen in Burnum en Hnaudifridus op een steen bij de Muur van Hadrianus. Vanaf de vierde eeuw is het een vloedgolf, wanneer er bijvoorbeeld Franken opduiken met namen als Arvo-/Arbogastes, Ascaricus, Bainobaudes, Merobaudes, Merogaisus en dus Neviogastes. Vijfde-eeuws zijn de hoorns van Gallehus in Zuid-Jutland met in ruinstaven ᚺᛚᛖᚹᚨᚷᚨᛋᛏᛁᛉ oftewel Hlewagastiz.
Met geleerden als Gottfried Schramm kunnen we zeggen dat vanuit oudere, Indo-Europese zeden zulke tweeledige namen vooral onder de adel telkens weer ontstonden als dichterlijke aanduidingen voor helden en heldinnen en vandaar verbreid raakten naar de rest van het volk. De afzonderlijke woorden in zulke samenstellingen konden vervolgens gebruikt worden om nieuwe namen samen te stellen die echter niet noodzakelijk dichterlijk waren. En er moeten uiteraard tweeledige namen bestaan hebben die lang geleden in onbruik raakten, de overlevering niet of nauwelijks haalden, en nooit gangbaar werden.
Ondertussen hebben er altijd eenvoudige Germaanse namen bestaan, ook in adellijke kringen, al zijn ze vaak niet of nauwelijks te onderscheiden van koosvormen van tweeledige. Denk aan namen als Oudhoogduits Gomo ‘man’ en Zeizo ‘stralende, vrolijke, lieve’ en Oudnederlands Húgo ‘Zinnende’, Brúno ‘Bruine, Bruinharige’ (of ‘Glanzende’) en voornoemd Cobbo ‘Ronde, Bolle’. In de vierde eeuw heet een Frank Maudio, wel verwant aan Gotisch maudjan ‘herinneren’, en nog voor onze jaartelling was er een Maelo/Melo onder de vorsten der Sugambri, de betekenis onbekend. Ga zo maar door. Zulke namen kregen dikwijls een achtervoegsel ter liefkozende verkleining.
In Nervische en andere namen in de streken links van de Rijn hebben deze achtervoegsels vaak tweevoudige letters, zoals in Dedicca en Craucillus. De reden blijft betwist, maar aannemelijkerwijs staan ze voor lang uitgesproken medeklinkers, in welk geval de klemtoon kennelijk lag op de lettergreep er onmiddellijk voor, dus de-DIC-ca en crau-CIL-lus. In het Germaans lag de klemtoon daarentegen juist stelselmatig op de eerste lettergreep, m.u.v. enkele voorvoegsels. Dit zijn evenwel toestanden die we verwachten kunnen in een tweetalige of drietalige omgeving als deze, waar het Germaans moest wedijveren met zowel het Gallisch als het Latijn. Dergelijke wisselwerking zorgde er ook voor dat een Germaanse stamnaam als Batavi zich langs het Latijn ontwikkelde tot Bataven, dat is ba-TA-ven, terwijl de oorspronkelijke klemtoon bewaard bleef in de inheemse voortzetting Betuwe.
Tot slot
De Vlaamse naamkundige Maurits Gysseling besloot uit zijn onderzoek dat oude, kenmerkend Keltische oordnamen niet veel verder dan halverwege het land der Belgae voorkwamen, ruwweg tot de Somme, en dat verder naar het noorden de gebieden al vroeg door Germaanse oordnamen getekend waren. Zo kwam hij tot een onderscheid tussen zuidelijke en noordelijke Belgae. Tot de eerste groep rekende hij zoal de Remi en de Treveri, tot de andere onder meer de Eburones en de Nervii. Jonger onderzoek van zijn volk- en vakgenoot Luc Van Durme heeft dit gestaafd, zij het met een meer noordelijke uitzaaiing van Keltische oordnamen. Gysseling meende tevens te kunnen zeggen dat de Belgae eerst een geheel eigen taal spraken, een kijk die heden weinigen delen.
De aard van de waternamen in deze streken strookt met dit onderscheid. Namen van grotere stromen zijn doorgaans zeer oud en bestendig, blijven in gebruik indien er van grote ontvolking geen sprake is. Aangezien deze namen tot diep in het zuiden de Germaanse klankverschuivingen ondergaan hebben, ver voor onze jaartelling geschied, is het duidelijk dat de omliggende streken behoorden tot het netwerk dat zich ontwikkelde tot de Germaanse wereld. Dit geldt ook voor Hene, de naam van de stroom die dwars door het land loopt dat indertijd door de Nervii bewoond werd. Waar die de Trouille ontvangt heet het oord Jemappes, een zeer oude Germaanse naam die ‘Gestroomte’ betekent en denkelijk stamt uit de tijd van eerdere Germanen dan de zuidgaande Franken. Het zijn slechts enkele voorbeelden.
De namen die we van Nervische lieden kennen bevestigen dit beeld van een volk in een overgangsgebied. We zien onmiskenbaar Gallische/Keltische als Boduognatus en Viros, twijfelgevallen als Nervii en Vertico en vermoedelijk Germaanse als Gaverus en Suhetius. Zeer belangwekkend daarbij is hoe Viros gewis, Nervii waarschijnlijk en Gaverus mogelijk een woord voor ‘man’ zijn of bevatten en verder onderzoek verdienen. Dat tweeledige namen, kenmerkend voor het Germaans, hier ontbreken is gezien de tijd, het beperkte aantal en de lagen van de bevolking waar de betrokken mensen uit kwamen niet geheel onverwacht. Het valt echter te overwegen dat de Nervii en andere noordelijke Belgae vanouds andere zeden in dezen hadden.
De h op deze twee stenen is een ˧, oftewel een halve H, dus er staat streng genomen SV˧ETIVS en SV˧ETIANIVS. Op de tweede vormt de ˧ zelfs een ligatuur met de E. We vinden de ˧ ook in inschriften als ˧ERMES en ˧ONORATVS voor Hermes en Honoratus. Rüger (1986, 1987) heeft betoogd dat de ˧ ook graag gebruikt werd om de Germaanse *h weer te geven, dus een zachte ch zoals in Brabants ach. Hij wees hierbij aan dat de ˧ dan geregeld met een voorafgaande C gepaard ging. Zo vinden we drie verschillende (verbogen) Germaanse godinnennamen enerzijds als ALAFER˧VIABVS, FA˧INEI˧IS en SAIT˧AMIABVS op wijstenen, anderzijds als ALAFERC˧VIABVS, FAC˧INEI˧IS en SAITC˧AMIMIS. Zie ook Kakoschke (2016).
Door Bibliothèque nationale de France, département Monnaies, médailles et antiques. Rechtenvrij.
Verwijzingen
Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)
Caesar, G.I., Gedenkschriften van den Gallischen oorlog, vertaald door J.J. Doesburg (Amsterdam, 1894)
Coquelet, C. e.a., “Rome à la campagne: les décors en pierre de la villa de la Grande Boussue à Nouvelles (Mons, Belgique)”, in Gallia – Archéologie des Gaules 80-2 (2023), blz. 145–78
Delamarre, X., Dictionnaire de la langue gauloise, 2e édition revue et augmentée (Parijs, 2003)
Delamarre, X., Dictionnaire des thèmes nominaux du gaulois, I. Ab- / Iχs(o)- (Parijs, 2019)
Delamarre, X., Dictionnaire des thèmes nominaux du gaulois, II. Lab- / Xantus (Parijs, 2023)
Durme, L. Van, “Oude taaltoestanden in en om de Nederlanden. Een reconstructie met de inzichten van M. Gysseling als leidraad”, in Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie 75(1) (2003), blz. 243–381
Förstemann, E., Altdeutsches Namenbuch, 1. Band: Personennamen, 2. völlig umgearbeitete Auflage (Bonn, 1900)
Grünewald, Th., “Nervier”, in Reallexikon der germanischen Altertumskunde 21 (2002), blz. 91–3
Gysseling M. & A. Verhulst, Nederzettingsnamen en nederzettingsgeschiedenis in de Nederlanden, Noord-Frankrijk en Noord-West-Duitsland (Leuven/Brussel, 1969)
Gysseling, M., “Prähistorische, gallorömische und merowingische Siedlungsnamen im Raume zwischen Nordsee und Saar”, in W. Haubrichs & H. Ramge (Hrsgg.), Zwischen den Sprachen: Siedlungs- und Flurnamenforschung in germanisch-romanischen Grenzgebieten (Saarbrücken, 1983), blz. 71–87
Gysseling, M., “Substraatinvloed in het Engels, Fries, Nederlands en Nederduits”, in Philologia Frisica 10 (1986), blz. 151–67
Heidermanns, F., Etymologisches Wörterbuch der germanischen Primäradjektive (Berlijn, 1993)
INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)
INL, Oudnederlands Woordenboek (webuitgave)
INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)
Kakosche, A., “Annotationes Epigraphicae IV. Zu einigen Inschriften aus den Provinzen Germania inferior und Germania superior”, in Frankfurter elektronische Rundschau zur Altertumskunde 29 (2016), blz. 43–76
Kakoschke, A., Die Personennamen in den römischen Provinzen Germania Inferior und Germania Superior, 2., erweiterte und überarbeitete Auflage (Göttingen, 2021)
Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn, 1969)
Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)
Lexer, M., Mittelhochdeutsches Handwörterbuch, 3 Bde. (Hirzel, 1872–8)
Lloyd, A. & O. Springer, Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen, Band I: -a –bezzisto (Göttingen, 1998)
Lloyd, A.L. & R. Lühr, Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen, Band III: fadum – fûstslag (Göttingen, 2007)
Lühr, R. e.a., Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen, Band V: gâba – hylare (Göttingen, 2009)
Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)
Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic: Addenda et Corrigenda (Zagreb, 2011)
Pokorny, J., Indogermanisches etymologisches Wörterbuch (Bern, 1959)
Raepsaet-Charlier, M.-Th., “Les noms germaniques: adaptation et latinisation de l’onomastique en Gaule Belgique et Germanie inférieure”, in M. Dondin-Payre (éd.), Les noms de personnes dans l’Empire romain. Transformations, adaptation, évolution (Bordeaux, 2011), blz. 203–34
Reichert, H., Lexikon der altgermanischen Namen (Wenen, 1987)
Reichert, H., “Personennamen bei antiken Autoren als Zeugnisse für älteste westgermanische Endungen”, in Zeitschrift für deutsches Altertum und deutsche Literatur 132-1 (2003), blz. 85–100
Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)
Rüger, Ch.B., “Eine Ubica Aemulatio Claudi Caesaris? Beobachtungen zu einem Graphem in Niedergermanien”, in Acta Archaeologica Lovaniensia 25 (1986), blz. 159–66
Rüger, Ch.B., “Beobachtungen zu den epigraphischen Belegen der Muttergottheiten in den lateinischen Provinzen des Imperium Romanum”, in G. Bauchhenß & G. Neumann (Hrsgg.), Matronen und verwandte Gottheiten. Ergebnisse eines Kolloquiums veranstaltet von der Göttinger Akademiekommission für die Altertumskunde Mittel- und Nordeuropas (Keulen/Bonn, 1987), blz. 1–30
Schönfeld, M., Wörterbuch der altgermanischen personen- und völkernamen (Heidelberg, 1911)
Schramm, G., Zweigliedrige Personennamen der Germanen (Göttingen, 2013)
Tacitus, P.C., Germania, translated with introduction and commentary by J.B. Rives (Oxford, 2002)
Zegers, A., Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland (Uden, 1999)