Roeland en Olivier

Een van de beroemdste tweetallen in de Avondlandse verhaalkunst was lang Roeland en Olivier, ridders van Karel de Grote tot hun einde in de berouwde Slag bij Roncesvalles. De naam Olivier vertelt een deel van hun verhaal.

De geschiedenis

Het rijk waar Karel, koning der Franken, in het jaar 778 over heerste was aanzienlijk. Alles van wat nu Frankrijk is, op Bretagne na, viel onder zijn gezag, net als de Lage Landen, een groot deel van Duitsland, heel de grond van Zwitserland voor het zo geheten was en ook de noorderhelft van Italië, die hij enkele jaren tevoren op de Langbaarden veroverd had. Hij was als verspreider van het christendom onderwijl verwikkeld in een reeks bittere oorlogen met de heidense Saksen in het noordoosten, de vrucht van oude, eeuwenlange spanningen, waarin hij reeds de Irminsúl te Eresburg had laten verwoesten, een van hun belangrijkste heiligdommen.

Maar voor dit verhaal gaan we naar het zuidwesten van zijn rijk in hetzelfde jaar 778. Karel zelve was met een groot leger Spanje binnengetrokken nadat zijn steun verzocht was door Soleiman ibn al-Arabi, landheer van Girona en Barcelona, tegen de dreiging van Abd al-Rahman I, de machtige emir van Córdoba. Dit bood Karel de kans om zijn gebieden uit te breiden en de verdediging daar te versterken. Na de onderhandelingen kwam hem ter ore dat wederom de Saksen opspeelden en zag hij zich genoodzaakt om gauw rechtsomkeert te maken. Hij liet van Pamplona de stadsmuren met de grond gelijkmaken, wilde zo voorkomen dat het Baskische oord hem later dwars zou zitten, en trok met zijn manschappen heemwaarts door de bergen van de Pyreneeën.

Hoog aan de smalle pas bij Roncesvalles hadden de Basken een hinderlaag gelegd. Karels levensbeschrijver Einhard vertelt een halve eeuw later hoe op die dag de hele achterhoede van het langgerekte leger der Franken tot de laatste man gedood werd door de Basken, die dankzij hun lichte wapens beter de lastige gronden belopen konden en ook de legertros plunderden. Door nachtval konden de belagers spoorloos verdwijnen en het leed tot in Einhards tijd niet gewroken worden. In dit gevecht stierven volgens hem oppertafelmeester Eggihard, paltsgraaf Anshelm en markgraaf Hruodland van de Bretonse Mark, samen met vele andere Franken. Hier herkennen we Hruodland als een oude vorm van Roeland.

Melding van deze nederlaag vinden we ook in de Annales regni Francorum, uit ongeveer dezelfde tijd. Deze koninklijke jaarboeken vertellen dat de meeste van de hovelingen die van Karel het bevel over de manschappen gekregen hadden in deze slag gesneuveld waren, zonder namen te noemen. Astronomus, de levensbeschrijver van Karels zoon Lodewijk de Vrome, die ten tijde van de slag slechts enkele maanden oud was, laat bovendien weten dat Karel nadien overal in het aangrenzende Aquitanië—waar eveneens Basken woonden—allerhande graven, abten en anderen aanstelde vanuit de gelederen der Franken, omdat hij die ter verdediging van het rijk beter vertrouwen kon.

De koning had ook zijn aandacht bij de noordoostelijke grens te houden. Bij de Süntel, een heuvelrug tussen Paderborn en Hannover, werd vier jaar later in 782 een van zijn legers vernietigd door de Saksen onder Widukind. Volgens de Annales vergold Karel dit door op één dag 4500 opstandelingen te laten onthoofden bij het oord Verden aan de Aller. Na dit bloedbad volgde de instelling van de Capitulatio de partibus Saxoniae, een uiterst strenge wet voor de overwonnen Saksen die zeer kwistig met de doodstraf was, onder meer voor iedereen die weigerde gedoopt te worden. Het is denkbaar dat Karels zware verliezen bij Roncesvalles zijn onbarmhartigheid in dezen gesterkt hadden. Die slag moest hoe dan ook een dreun voor de Franken geweest zijn, zowel geestelijk als lijfelijk.

Een lied voor de helden

De bittere herinnering aan Roncesvalles raakte met grote veranderingen vereeuwigd in het Chanson de Roland oftewel het Roelandslied. Het vertelt hoe Karel maar liefst heel Spanje veroverd heeft—behalve Zaragoza, wiens koning Marsilie onderhandelt over zijn overgave. Als Karel weer met zijn leger weg zou trekken, voorzien van gijzelaars, dan zou Marsilie spoedig in het voetspoor volgen en zich tot het christendom bekeren, ter loochening van Mohammed, Apollin en Tervagant (een drie-eenheid in stede van Allah in de verbeelding der Franken). Karel stemt ermee in en geeft het bevel over de achterhoede en legertros aan zijn neef Roeland, vergezeld door diens boezemvriend Olivier en menig ander edelman van naam. Het zal een list van Marsilie blijken, gewrocht met het verraad door Ganelon, een van Karels vertrouwelingen.

In de Pyrenese pas bestormen moslims—niet Basken—de achterhoede van het Frankenleger. Terstond spoort de wijze Olivier zijn makker Roeland aan om op de hoorn Olifant te blazen en zo Karel en de rest van het leger te verwittigen, maar Roeland weigert uit hoogmoed. Ze weten aanvankelijk meerdere edelen onder hun belagers te doden, vellen nog honderden meer, doch zijn zeer in de minderheid en lijden algauw zware verliezen. Eén voor één vallen de helden der Franken, komt ook Olivier als een van de laatsten te sterven, in Roelands armen. Die laat uiteindelijk toch de hoorn galmen, zo luid dat hem de slapen bloeden, en doet vergeefse pogingen om zijn zwaard Durendal te breken, dat geen vijand het gebruiken kan. Hij besluit hoorn en zwaard met zijn lijf te bedekken op een groen veld onder een den en bezwijkt aan zijn verwondingen. We zijn hiermee halverwege het lied, waarna Karel zijn mannen wreekt zoals het in werkelijkheid niet ging of kon. Terug in Karels hoofdstad Aken overleeft Roelands schone verloofde Alde het kwade nieuws niet en wordt Ganelon de verrader na rechtszaak en godsoordeel genadeloos gevierendeeld.

Vertellingen en namen

Het belangrijkste handschrift met de meest oorspronkelijke uitvoering die we van het lied hebben stamt uit de vroege twaalfde eeuw en is geschreven in het Normandisch Oudfrans. Aan het einde hiervan wordt gezegd dat de opsteller of afschrijver—het is niet duidelijk wat—ene Turold is. Dat het lied lang geliefd was onder de Normandiërs blijkt ook elders. Zo schrijft Willem van Malmesbury in de vroege twaalfde eeuw in zijn Gesta regum Anglorum dat ze in 1066 voor de Slag bij Hastings de cantilena Rollandi aanhieven. Robert Wace laat eind twaalfde eeuw in zijn Roman de Rou weten dat het destijds ene Taillefer was die op zijn ros op dat slagveld voor koning Willem zong over Karlemaigne, Rollant, Oliver en hun vassals die stierven te Rencesvals.

Volgens het diepgravende onderzoek van de onlangs overleden Duitse geschiedkundige Gustav Beckmann, die aan het einde van zijn loopbaan een heel boek aan het lied en de namen daarin wijdde, was een eerdere uitvoering waarschijnlijk het werk van een dichter in Anjou omtrent het jaar 1050. Die moet Ganelon aan het verhaal toegevoegd hebben naar het voorbeeld van de gelijknamige schatbewaarder van de Abdij van Sint-Maarten van Tours. Die Ganelon was een weinig bemind man die ervan beschuldigd was rijk te zijn geworden zonder verdiensten in geestelijkheid of strijd. Zijn naam was tot dan toe nog in trek maar stierf na hem uit.

De oudste uitvoering van het lied lijkt al rond 875 opgesteld te zijn. Dan krijgt opeens menige knaap in Frankrijk een vorm van de naam Roeland, getuige diens voorkomen onder volwassen mannen vijfentwintig jaar later in oorkondes en dergelijke. Tegen het jaar 980 gebeurt hetzelfde met Olivier in vormen als Oliverius en Olivarius en vanaf 1065 komt het vaak voor dat deze twee namen aan broers gegeven worden in Frankrijk in brede zin. Aanvankelijk is in de meeste van zulke gevallen de oudste broer naar Olivier vernoemd, later juist de jongere, een aanwijzing voor veranderingen in de vertelling van het verhaal of voor maatschappelijke ontwikkelingen die Roeland begunstigen.

Het andere lied

Roeland en Olivier spelen ook hoofdrollen in Girart de Vienne, een welna 7000 regels tellend lied van de twaalfde-eeuwse troubadour Bertrand de Bar-sur-Aube. Het vertelt hoe hertog Gerard (Girart) van Vienne aan de Rhône in een ernstig geschil met zijn koning Karel de Grote verzeilt. Het komt tot een zevenjarig beleg van Vienne door Karel, die niets minder dan het hoofd van zijn leenman en al diens bondgenoten wil. Een rode draad is de krachtmeting tussen Karels neef Roeland en Gerards neef Olivier. Eens ziet Roeland op zijn ros kans om Oliviers zuster Aude—dat is Alde in het Roelandslied—weg te pikken wanneer ze buiten de stadsmuren wandelt. Olivier haalt in en redt haar door Roeland een dusdanig harde houw op de helm te geven dat die barst, al blijft diens hoofd ongeschonden.

Het verhaal bereikt zijn hoogtepunt wanneer Roeland en Olivier later een tweegevecht voeren op het eiland in het meer voor Vienne. De twee ridders dragen schitterende uitrustingen en genieten dan al groot ontzag van elkaar en van elkaars ooms, die het van verre met lede ogen aanzien, alsook Aude, die zeer bezorgd om haar broer is maar inmiddels ook bekoord is door haar voormalige ontvoerder. In hun hevige strijd houwt elk de ander het ros in tweeën en moeten ze het gevecht te voet voortzetten tot ze uitgeput zijn. Dan verschijnt in een mist een engel die hen verbiedt nog langer door te gaan, waarop ze tot verzoening komen. De oorlog komt echter pas tot een einde wanneer Gerard en zijn mannen Karel gevangen nemen en met edel vertoon van eerbied de vrede winnen. Op de dag dat Roeland en Aude zich verloven bereikt hen de tijding dat de Saracenen weer vanuit Spanje zijn binnengevallen. De rampzalige Slag bij Roncesvalles zal volgen.

In het lied zelf zegt Bertrand meermaals dat zijn toehoorders het verhaal reeds kennen, maar dat hij het als eerste in het geheel vertelt. Het mag evenwel duidelijk zijn dat hij zijn verbeelding de vrije loop gaf, net als zijn voorgangers. Zo twistte de echte Gerard niet met Karel de Grote maar diens kleinzoon Karel de Kale. Aanwijzingen voor verloren andere en dus ook eerdere uitvoeringen zijn tevens elders te vinden, bijvoorbeeld hoe de vertelling afwijkt in de Karlamagnús saga, een Oudnoordse bewerking uit de dertiende eeuw. Belangrijker nog is het reeds genoemde voorkomen van Olivier en Roeland als namen voor broers vanaf het jaar 1065 ongeveer, en de gangbaarheid van Olivier vanaf 980 reeds.

Een zinnebeeld

Olivier, eerst verschijnend als Olivarius en Oliverius, is sinds lang door geleerden herleid tot Latijn olivarius ‘olijfboom’ of begrepen als een samenstelling van Latijn oliva ‘olijf’ met het -(h)arius of -(h)erius dat als tweede lid van menige Germaanse naam in Romaanse streken voorkwam, een verlatijnste verbastering van Westgermaans *hari ‘leger, krijger’. Te vergelijken is hoe in dezelfde omgeving een vrouwennaam als Olivoildis is samengesteld met -(h)ildis, van Westgermaans *hildi ‘strijd’. De krijgers in de kring van Karel droegen echter bijna uitsluitend volledig Germaanse namen, zoals bijvoorbeeld de leden van Roeland, ouder Hruodland e.d., te herleiden zijn tot Westgermaans *hrōþi ‘roem’ en *land ‘land’. In dat geval zou Olivier een vreemde eend in de bijt zijn.

Aldus is gedacht dat de naam oorspronkelijk volledig Germaans was maar zijn bekende vorm kreeg door aanpassing aan olivarius ‘olijfboom’. De onderliggende naam ware dan Albharius of Wulfharius, samengesteld met Westgermaans *albi ‘alf’ (het bovenmenselijke wezen) of *wulf ‘wolf’, dan wel *Aldwarius, met *ald ‘oud’ en *wari ‘weerder’, alleen overgeleverd in verbasteringen als Olitguarius. Er is zelfs voorgesteld dat een vorm van Oudnoords Ólafr ten grondslag ligt dankzij de Normandiërs. Met al deze duidingen rekende Gustav Beckmann af, die erop wees dat er een grote kloof in tijd en ruimte bestond tussen die namen en Olivier, die bovendien eerst opduikt in de omgeving van Lyon en Vienne, net waar Olivier en zijn oom aan verbonden zijn in Girart de Vienne.

Beckmann kwam tot het besluit dat we hier te maken hebben met een zogenaamde Ideen-Name, een nieuwe naam ter uitdrukking van een (christelijke) gedachte, zoals ook Creatus, Praesagius, Restaurius enz. dat waren in middeleeuws Frankrijk. De olijf was bij de Romeinen al een zinnebeeld van vrede, waarvoor Beckmann een lijst aan voorbeelden gaf, maar reeds ook in het vroege christendom, getuige Genesis 8:11, wanneer de duif naar Noach terugkeert met een olijfblad in de snavel als bewijs dat het watergeweld voorbij is. Te meer, olijftakken worden uitgerekend aan het begin van het Roelandslied besproken als teken van vrede.

Het ware ook geen toeval dat Olivier net in die tijd opdook dat de kerk in delen van Frankrijk begon met de Godsvredebeweging, een antwoord op het voortdurende geweld van heren tegen elkaar en tegen geestelijken en het gewone volk, van wie ook vaak het eigendom geschonden werd. Een belangrijke rol hierin was weggelegd voor de Abdij van Cluny, met haar gevrijwaarde landen even ten noorden van Lyon. Een belangrijke vroege voorvechter was Wido (Guy) van Anjou, de bisschop van Le Puy-en-Velay, niet ver van Vienne. Met de steun van de strijdmachten van twee zijner neven kon hij op een bijeenkomst in 976 de ridders en anderen in zijn bisdom dwingen tot het zweren van een vredeseed die de eigendommen van de kerk en de armen beschermde. Hij nam zelfs onmiddellijk enkele gijzelaars om de eed te bekrachtigen.

De belichaming

Olivier vertegenwoordigt in de twee liederen de evenwichtigheid en vrede, onderscheidt zich zo van Roeland en menig ander heethoofdig heer in zijn tijd, toont zich nochtans niet minder moedig. Hij is het die in Girart de Vienne het tweegevecht met Roeland aanvraagt in een poging om een einde aan de oorlog tussen Karel en Gerard te bewerken. En hij is het die in het Roelandslied zijn boezemvriend aanspoort om gauw genoeg op de hoorn te blazen, zodat de rest van het Frankenleger weet terug te haasten om de aanvallers af te schrikken. Dat zou het onnodige bloedvergieten en de zware verliezen voorkomen hebben.

Naar Beckmanns oordeel deed Olivier als held zijn intrede in de voorloper van Girart de Vienne, opgesteld rond 980 in de omgeving van Vienne, toen daar eerder dan elders opeens zijn naam aan jongens gegeven werd en de Godsvredebeweging vooral in die streken op gang kwam. Deze vertelling beschreef zijn gevechten en vriendschap met Roeland reeds, maar het was de verloren uitvoering van het grote Roelandslied uit Anjou rond 1050 die maakte dat er broers vernoemd werden naar Olivier en Roeland—in die volgorde. De reden dat later juist jongere broers Olivier heetten is volgens Beckmann de aanloop naar de Eerste Kruistocht, toen men tegenover de islam meer voelde voor de vinnigheid van Roeland.

Noot
De Engelse vertaling van Beckmanns boek is als vrij te lezen PDF- en EPUB-bestand beschikbaar gesteld door de uitgever.
Beeld
Uitsnede van Roland og Olivers tvekamp (1896) door Niels Skovgaard. Rechtenvrij.

Verwijzingen

Beckmann, G.A., Onomastik des Rolandsliedes (Berlijn, 2017)

Beckmann, G.A., Onomastics of the “Chanson de Roland”, translated by L. Archibald (Berlijn/Boston, 2023)

Einhard, Het leven van Karel de Grote, vertaald door P. De Rynck (Amsterdam, 1999)

Förstemann, E., Altdeutsches Namenbuch, 1. Band: Personennamen, 2. völlig umgearbeitete Auflage (Bonn, 1900)

Kurze, F., Annales regni Francorum inde ab a. 741 usque ad a. 829, qui dicuntur Annales Laurissenses maiores et Einhardi (Hannover, 1895)

Mynors, R.A.B. e.a. (eds.), Gesta Regum Anglorum (Oxford, 1998)

Newth, M.A., The Song of Girart of Vienne by Bertrand de Bar-Sur-Aube (Tempe, 1999)

Posthuma, A., Het lied van Roeland, tweede, geheel herziene druk (Amsterdam, 2004)

Taylor, E., Master Wace, his chronicle of the Norman conquest from the Roman de Rou (Londen, 1837)

Tremp, E., Thegan. Die Taten Kaiser Ludwigs – Astronomus. Das Leben Kaiser Ludwigs (Hannover, 1995)

Geef een reactie