Verdromen

…zo werd ik vanzelf onzichtbaar, een bleke vlek onder de populieren die daar de zomer verdroomde…

In een van de mooiste zinnen uit zijn Caesarion roept Tommy Wieringa een bijna vergeten woord in herinnering. Het dichterlijke verdromen is helaas geworden tot een zeldzame verschijning in het prozaïsche landschap onzer letteren. Toch hebben we sinds het woord in de zeventiende eeuw onze taal binnenzwierf vele dagen en nachten, maanden, jaargetijden, ja zelfs eeuwen verwijld in innige verdroming.

Lees verder “Verdromen”

Advertenties

Dan nu het nieuws

Om mijn vermoeden te toetsen dat de Nederlandse taal zich bij uitstek voegt naar de cadans van het stafrijm, heb ik vanmorgen eens een eenvoudig experiment gedaan. Naar het voorbeeld van W.H. Audens Age of Anxiety – in het bijzonder de passage die inzet met ‘Now the news. Night-raids on.’ – stelde ik me de opgave om de hoofdpunten uit de ochtendkranten in deze vorm te gieten. Haar dreunende ritme is namelijk, zoals Audens verzen laten zien, bijzonder geschikt voor de bondigheid van nieuwsberichten. Vooral de mogelijkheid om lidwoorden weg te laten en een ‘telegramstijl’ te hanteren, biedt veel handvatten om de krachtige cadans van Oudengelse of Oudnoorse gedichten te benaderen. In combinatie met het gebruik van enkel de tegenwoordige tijd kun je bovendien een verre nagalm opvangen van het soort apocalyptische en visionaire verzen dat in de Völuspá (onderdeel van de Edda) overgeleverd is. Of mijn experiment geslaagd is laat ik aan de lezer over, maar ikzelf zou ‘s morgens de krant graag openslaan ware zij in deze vorm gesteld – al wordt het wereldgebeuren er bepaald niet vrolijker op.

Lees verder “Dan nu het nieuws”

Somber stafrijm

I suspect that it is a metre which is only suitable to rather sombre subjects.

Met deze woorden typeerde de Engelse dichter W.H. Auden eens de versvorm die de Engelsen alliterative verse noemen en bij ons stafrijm heet. Auden goot zijn lange verhalende gedicht The Age of Anxiety in deze vorm, die hij tot in de details beheerste. Dat het stafrijm hem juist voor zwaarmoedige onderwerpen geschikt leek, heeft ongetwijfeld te maken met haar oorsprong in de verhalenwereld van de Germanen. Met de zware cadans van het stafrijm lijkt iets van de heroïsche somberheid van de Germaanse ziel vervlochten, van de gemoedsstemming die Tolkien zo ontroerde in Oudengelse gedichten als Beowulf; het is de blik die het vallen ziet van de laatste nacht en toch door blijft strijden, de krijger die zijn trotse verzet niet laat breken door tegenstand, hoe onoverwinnelijk ook.

Lees verder “Somber stafrijm”

Achter geloken ogen

Waar heeft rondom het huis de wind het over?
Achter geloken ogen gaat het huis teloor
En wandel ik weer langs een oever
Van het verleden, en er is geruis
Van water en van riet, vooral van water.
Een blij kind roept mijn naam – werd ik ooit oud?

Aldus begint het gedicht Wind om het huis geschreven door Arend Roland Holst, dat hij hier in zijn heldere en gedragen Nederlands voordraagt. Hij speelt met de betekenis van het weinig gebruikte geloken: de geloken ogen van een huis zijn immers de luiken, wat de metafoor oproept – het lichaam als huis van de ziel – die de verwante woorden ook in betekenis verbindt. Zo blaast Holst met zijn dichterlijke gebruik van een bekende uitdrukking nieuw leven in een ondergewaardeerd woord; tegelijkertijd herinnert hij ons aan de gedeelde oorsprong van geloken en luiken.

Lees verder “Achter geloken ogen”