Droevig verlangen

Het is jammer dat het edele jammer thans weinig meer dan een tussenwerpsel is. Eertijds verwees het als zelfstandig naamwoord naar verdriet, leed en ellende, maar ook naar het geweeklaag daarbij, zoals jammeren nog toont. Zo kon men zeggen dat iets een groot jammer is en zo noemde Vondel de heidense onderwereld eens de poel des jammers. Door verbindingen als dat is jammer kon het als een bijvoeglijk naamwoord opgevat worden en een tussenwerpsel worden, zoals Duits schade vanuit das ist Schade. Over de herkomst is te zeggen, in weerwil van sommige woordenboeken, dat jammer niet uit klanknabootsing maar uit schone beeldspraak is ontstaan. Lees verder “Droevig verlangen”

Juten

Al ruim een eeuw wordt mijnheer diender met enige regelmaat en weinig vriendelijk juut genoemd, als eerste door schoffies in Amsterdam en Rotterdam. Het zou om een klanknabootsend woord gaan, verwijzend naar het fluitje waar de man vroeger op blies als de wet weer eens onmiddellijke handhaving vergde. Hij heeft immers ook tuut geheten. Heel overtuigend is deze duiding niet, alleen al omdat juut niet bijster goed de klank nabootst en kennelijk nergens in die hoedanigheid is opgeschreven. Maar waar komt het woord dan wel vandaan? Lees verder “Juten”

Woorden naar klanken

Onlangs werd mij gevraagd of ik een evenwoord voor synthesizer wist. Bij zo’n vraag begin ik meestal met een kijk in de geschiedenis en de opbouw van het leenwoord in kwestie en tracht ik een samenstelling of een afleiding te bedenken die zowel in inhoud als klank ‘klopt’ en bruikbaar is. Maar bij synthesizer ging ik terstond op zoek naar een klankwoord.

Lees verder “Woorden naar klanken”