Skip to content

Droom-omgolfde eilanden

3 oktober 2011

Een van de meest dichterlijke kenmerken van onze taal heb ik altijd het gemak gevonden waarmee samenstellingen gevormd kunnen worden. Zelfs wie geen enkele kennis van rijm of andere dichttechnieken heeft, en nooit ‘poëtische’ gevoelens heeft (wat dat ook moge zijn), kan het plezier van dit dichterlijke, scheppende aspect van onze taal genieten. Men neme simpelweg een woordenboek, kieze zorgvuldig twee woorden, en het resultaat is bijna altijd verrassend en poëtisch. Zo zijn programmamakers en schrijvers ook vast op goed verkopende titels als vuurzee en zeemuziek gekomen.

Deze twee samenstellingen illustreren de meest gebruikelijke combinatie, bestaande uit twee zelfstandig naamwoorden. Maar vrijwel alle woordsoorten kunnen gebruikt worden. Zo kennen we ook maanziek en bladstil (zelfstandig – bijvoeglijk), lankmoedig en zwartwit (bijvoeglijk – bijvoeglijk) en  blindstaren en volharden (bijvoeglijk – werkwoord). Het vormen van nieuwe samenstellingen lijkt bij uitstek een manier om de scheppende kracht van onze taal te herontdekken. Het biedt eindeloze mogelijkheden voor wat Owen Barfield de ‘dichterlijke ervaring’ noemde: de schok die je kunt voelen wanneer je, bijvoorbeeld bij het lezen van een geslaagde metafoor, plotseling de onderlinge samenhang tussen twee schijnbaar gescheiden concepten ziet.

Tijdens het lezen van enkele Engelse dichters merkte ik onlangs dat ze vaak gebruik maken van een bijzonder soort samenstelling: bijvoeglijk naamwoorden gevormd uit de combinatie zelfstandig naamwoord – werkwoord. Zo weeklaagt Shelleys Prometheus (1928) over de eagle-baffling mountain waar hij ontelbare sleep-unsheltered hours aan geketend is, en smeekt hij de rock-embosomed lawns en snow-fed streams om hem bij te staan.

Een eeuw later neemt zijn discipel Yeats, wat mij betreft de belangrijkste Engelse dichter van de voorbije eeuw, het stokje over: met dream-dimmed eyes en de wind in zijn tall thought-woven sails zoekt hij in zijn vroege, nadrukkelijk Romantische poëzie, de flaming lute-thronged angelic doors. Maar ook in zijn veelgeprezen, strengere verzen van na de oorlog gebruikt hij nog deze techniek. Een van zijn beroemdste gedichten, Byzantium (1928), eindigt zelfs met de mysterieuze regels:

Marbles of the dancing floor
Break bitter furies of complexity,
Those images that yet
Fresh images beget,
That dolphin-torn, that gong-tormented sea.

In het Nederlands, is mijn ervaring, zijn dergelijke samenstellingen maar moeilijk te vertalen. Wel kennen we woorden als schoor-voetend, navel-starend en knarse-tandend, maar hierbij is de relatie tussen werkwoord en zelfstandig naamwoord toch anders dan in de Engelse voorbeelden. In de regel is daar het zelfstandig naamwoord immers het onderwerp van het werkwoord: in dream-dimmed eyes zijn het de dromen die de ogen overschaduwen. In dit woord zit eigenlijk een hele zin besloten, met dream als onderwerp, dimmed als werkwoord, en eyes als lijdend voorwerp. Het enige vergelijkbare Nederlandse woord dat ik zo gauw kan bedenken, is het overmatig gebruikte zon-overgoten (stranden).

Om de betovering van dit soort samenstellingen in het Nederlands te vangen, is het dan ook behulpzaam om werkwoorden met be-, om-, (o)ver- en andere voorvoegsels te gebruiken; hiermee is immers meteen duidelijk wat de relatie tussen werkwoord en zelfstandig naamwoord is. Zo levert een kleine zoektocht al een storm-bevlogen bootje (J.C. Bloem) op, alsook een maan-beschenen oude eik, en het grijs-omgolfde hoofd van een oude man, helaas zeldzame exemplaren van deze bijzondere manier van woordvorming. Graag zou ik ook in onze taal vaker lezen van woorden als – om in de stijl van Yeats te blijven – de droom-omgolfde eilanden in het Westen, ver voorbij de ster-bezaaide zee.

Tot slot: gezien Shelley in zijn vervolg op het Oudgriekse Prometheus gebonden dit type samenstellingen in de Engelse poëzie lijkt te introduceren, is het verleidelijk te denken dat ze hun oorsprong hebben in het antieke Griekenland. En inderdaad, Aeschylus en anderen hebben het (in vertaling) regelmatig over de storm-voetige Hermes, verdriet-dragende moeders, en berg-geboren satyrs, om van de bekende rood-gevingerde dageraad maar niet te spreken. Wellicht hebben we deze dichterlijke taal dus (deels) te danken aan die woord-bevlogen, die schuld-geteisterde Grieken.

Advertenties
7 reacties leave one →
  1. Olivier van Renswoude permalink*
    3 oktober 2011 22:38

    Na enig denken kwam als eerste in mij op bloed-doorlopen. Ik wendde mij tot die draak Google, die al jaren woorden vergaart, en hij tilde glunderend een vleugel op, waarop ik een glimp opving van De bloeddoorlopen dageraad, de titel van een boek. En wat blijkt, de oorspronkelijke titel is Engels: The Blood-Dimmed Tide.

    En ik moet denken aan god-vergeten (Engels god-forgotten naast het bekendere god-forsaken) en het alledaagse hand-geschreven (Engels hand-written). Maar ik kom zo gauw niet verder; het valt inderdaad niet mee om Nederlandse voorbeelden te bedenken. Gelukkig kunnen wij daar zo verandering in brengen!

    Tussen de talloze samenstellingen in de Oudengelse dichtkunst schuilen ze ook. Een die mij is bijgebleven is searu-bunden, van searu ‘list, sluwheid, vaardigheid, kunst’ en bunden ‘gebonden’. Bosworth & Toller vertalen het als ‘cunningly fastened, bound with art’. En ik moest denken aan het zogenaamde Finnsburh-fragment; daar staat in regel 13 Ðá árás mænig gold-hladen ðegn (‘Then arose many a gold-laden thain).

    De gewoonte om een streepje te gebruiken in samenstellingen als deze dunkt mij trouwens goed.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      3 oktober 2011 22:49

      Trouwens, het Gronings en het Fries, die net als het Oudengels (en hedendaags Engels) geen ge- hebben in hun voltooid deelwoorden, lenen zich ook goed voor dergelijke samenstellingen:

      Ðá árás mænig gold-hladen ðegn
      Then arose many a gold-laden thain
      Dou verrees menneg gold-loaden dain
      Doe ferriisd mannich goud-laden tein

  2. 4 oktober 2011 06:50

    Ja, bloed-doorlopen is een mooi voorbeeld, en god-vergeten ook. Hand-geschreven is misschien weer net anders, omdat we met de hand schrijven, d.i. het eerste lid is niet het onderwerp van het tweede – een criterium waar mijn voorbeelden overigens ook lang niet altijd aan voldoen. Verder heb ik het sterke vermoeden dat ook zon-overgoten een leenvertaling is, en wel van sun-drenched.

    Zelf vind ik in naslagwerken en elders vooral veel varianten met een tegenwoordig i.p.v. voltooid deelwoord als tweede lid, waarbij vanzelf het zelfstandig naamwoord een lijdend voorwerp wordt: vuur-spuwend, heilig-schennend, tijd-rovend, etc. Het WNT verwijst bij zon-overgoten overigens naar een bron die ik helaas niet heb: er is vast een taalkundige die zich hier ooit over gebogen heeft…

  3. Klaas J Eigenhuis permalink
    4 oktober 2011 17:02

    Leuke kost, mannen!

    Dank jullie wel.

    Van vinden jullie van van een vogelnaam als Eared Grebe ?

    Hartelijke groet,

    Klaas Eigenhuis

  4. Dwelm Elpendier permalink
    13 oktober 2011 00:00

    Opmerkelijk is ook dat taalliefhebbers twee eeuwen geleden ongeveer net dezelfde gesprekken voerden.

    Willem Bilderdijk (1756-1831) bijvoorbeeld beschouwde zulke woordsmeedsels als verwerpelijke anglicismen. Niettemin werd hij zelf verleid door hun beeldende pracht en verwekte hij onder andere “godverwaten”.

    Welluidendere bedenksels uit hetzelfde tijdperk: “mosbewassen”, “vochtbeglommen”, “geurdoorwaasd”, “wolkgetopt” en “rozenomrankt”.

  5. 13 oktober 2011 11:04

    Dat is inderdaad belangwekkend. Hartelijk dank voor je verwijzing: alleen het woordje ‘wolkgetopt’ heeft al een reeks taalkundige besprekingen van deze constructie in het Eng., Ned. en Duits opgeleverd, die ik nog eens goed moet lezen. Met Bilderdijkse analyse ben ik het overigens eens, met zijn conclusie minder (d.i. dat dergelijke woordvormingen een ongeoorloofd anglicisme zijn). Zijn opvallende laatste woorden zijn dan wel weer het citeren waard:

    ‘Het is afgrijselijk, zo veel dommigheden de vertalers en drokke lezers van vreemde schriften, tot beschaming onzer natie, die het duldde, sedert den Amerikaanse opstand die geheel de wereld in roer bracht en de banier des algemenen verderfs ophief, bij ons invoerden.’

    Toch lijkt het weerwoord enkele jaren later door Kinker en Siegenbeek me ook welgeplaatst.

    ‘De Amerikaanse oorlog, en wat dien voorafgaat en volgt, dient hier waarschijnlijk tot niets anders dan om de gedachteleiding van onze Spraakleraar bij het samengestelde deelwoord ‘bloedgevlekt’ af te breken, waarbij hij waarschijnlijk begon te beseffen dat hij niet alleen tegen een schaduw stond te vechten, maar waarbij hij tevens begon in te zien, dat hij bezig was met zijn eigen stelsel omver te werpen, en een samenstelling af te keuren, die in onze taal evenzo als in het Engels aangenomen is.’

Trackbacks

  1. Land-van-de-rijzende-zon « Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s