De lange slaap

De dood wordt al sinds mensenheugenis een slaap genoemd, een lange slaap. Sterven kan nog immer ontslapen of inslapen heten en de beminde overledene wordt gewenst zacht te rusten. Het is thans vaak niet meer dan een verbloemende uitdrukking, daar velen niet meer geloven in enig hiernamaals, doch voor wie goede hoop heeft op meer dan duisternis na dit licht is het een zinnige vergelijking. Naar de vermoedens van een wijsgeer als Owen Barfield ware het ooit niet minder dan een vereenzelviging en achtten onze verre voorouders de twee als onlosmakelijk verbonden: de dood is een slaap en de slaap is een dood; ze zijn twee vormen van hetzelfde.

Lees verder “De lange slaap”

Advertenties

Het gebroken licht

Op een gedenkwaardige avond in 1931 zei C.S. Lewis tegen zijn vriend J.R.R. Tolkien dat mythes veredelde leugens zijn. Tolkien was het niet met hem eens en schreef het gedicht ‘Mythopoeia’, een vurig pleidooi voor mythes en scheppende taal. Het maken van mythes is geen zelfbedrog, aldus Tolkien, maar een geboorterecht van de mens en een weg naar wijsheid en schoonheid.
Lees verder “Het gebroken licht”

Hildegard van Bingen

Groenheid

In 1151 in het klooster Rupertsberg te Bingen aan de Rijn voltooit de Duitse abdis Hildegard het boek Scivias (‘weet de weg’), haar eerste van drie werken in de mystiek, waarin zij de visioenen van het “levende licht” van God opschrijft die zij al sinds haar vroegste jeugd heeft gehad. Deze werken, alsmede haar vele muziekstukken en haar verhandelingen over onder meer de helende kracht van verschillende kruiden, maken haar in haar eigen tijd al vermaard, en zij onderhoudt met menig vooraanstaande een briefwisseling. Heden is zij nog onverminderd als ‘Zienster van de Rijn’ het onderwerp van grote belangstelling.

Lees verder “Groenheid”

Verloren in vertaling

Poëzie is wat verloren gaat bij het vertalen. Dat was althans de mening van de Amerikaanse dichter Robert Frost (1874-1963). Het is een veelgehoorde opvatting, en niet zonder reden: meer nog dan prozaschrijvers, spelen dichters voortdurend met de ritmes en bijzondere beelden, gedachten, en subtiele associaties van woorden. Wie kan bijvoorbeeld zonder de dreunende, monotone klank van het woord ‘tomorrow’, Macbeths beroemde klacht ‘Tomorrow, and tomorrow, and tomorrow’ vertalen?

Lees verder “Verloren in vertaling”

Weerlicht

The difference between the almost right word and the right word is like the difference between the lightning-bug and the lightning.

(Het verschil tussen een passend woord en het perfecte woord is als het verschil tussen een flitspaal en de bliksem.)

Zo schreef de geestelijk vader van Huckleberry Finn, Mark Twain (1835-1919), eens in een wegwijzer voor beginnende schrijvers. In Poetic Diction gebruikt de Britse filosoof Owen Bafield (1898-1997) een al even lumineus zinnebeeld voor de beleving van dichterlijke taal. Een esthetische schok, aldus Barfield, licht plotseling op wanneer we voelen dat ons bewustzijn een verandering ondergaat. Als een bliksemflits verlichten ‘perfecte woorden’ de wereld om ons heen, waarna onze belevenissen rijker zijn en minder gefragmenteerd dan voorheen. Barfield voert zijn betoog aan de hand van gedichten door Engelse schrijvers als Shelley en Wordsworth, maar zijn conclusies, mits juist, zouden evengoed voor Nederlandse dichtkunst op moeten gaan.

Lees verder “Weerlicht”

De kunst van het noemen

Groot werd hun kennis en hun kunnen; doch groter nog was hun dorst naar meer kennis, en in vele dingen overtroffen zij aldra hun onderwijzers. Zij waren veranderlijk in spraak, want zij hadden grote liefde voor woorden, en zochten immer te vinden namen voeglijker voor alle dingen die zij kenden of zich voorstelden.

(Over de Noldor, Hoge Elven in The Silmarillion van J.R.R. Tolkien.)

Lees verder “De kunst van het noemen”

Droom-omgolfde eilanden

Een van de meest dichterlijke kenmerken van onze taal heb ik altijd het gemak gevonden waarmee samenstellingen gevormd kunnen worden. Zelfs wie geen enkele kennis van rijm of andere dichttechnieken heeft, en nooit ‘poëtische’ gevoelens heeft (wat dat ook moge zijn), kan het plezier van dit dichterlijke, scheppende aspect van onze taal genieten. Men neme simpelweg een woordenboek, kieze zorgvuldig twee woorden, en het resultaat is bijna altijd verrassend en poëtisch. Zo zijn programmamakers en schrijvers ook vast op goed verkopende titels als vuurzee en zeemuziek gekomen.

Lees verder “Droom-omgolfde eilanden”

Somber stafrijm

I suspect that it is a metre which is only suitable to rather sombre subjects.

Met deze woorden typeerde de Engelse dichter W.H. Auden eens de versvorm die de Engelsen alliterative verse noemen en bij ons stafrijm heet. Auden goot zijn lange verhalende gedicht The Age of Anxiety in deze vorm, die hij tot in de details beheerste. Dat het stafrijm hem juist voor zwaarmoedige onderwerpen geschikt leek, heeft ongetwijfeld te maken met haar oorsprong in de verhalenwereld van de Germanen. Met de zware cadans van het stafrijm lijkt iets van de heroïsche somberheid van de Germaanse ziel vervlochten, van de gemoedsstemming die Tolkien zo ontroerde in Oudengelse gedichten als Beowulf; het is de blik die het vallen ziet van de laatste nacht en toch door blijft strijden, de krijger die zijn trotse verzet niet laat breken door tegenstand, hoe onoverwinnelijk ook.

Lees verder “Somber stafrijm”