Skip to content

Namen van Nederlandse stammen: Texuandri

1 september 2013

stammenGermaanse stammen in de Lage Landen in de tweede eeuw na Christus

Toen de Romeinen rond het begin van onze jaartelling oprukten in de Lage Landen waren deze bewoond door verschillende Germaanse stammen. De namen van deze stammen zijn tot ons gekomen in gelatiniseerde vorm. Maar wat betekenen zij? In een reeks gewijd aan de duiding van deze namen, deze keer: de Texuandri.

Kleine geschiedenis
Over de Texuandri is weinig bekend. De Romeinse geschiedschrijver Plinius de Oudere meldt aan het einde van de 1e eeuw na Christus in zijn Naturalis Historia, in een hoofdstuk over Gallia Belgica, dat zij in het gebied tussen de Schelde en Rijn wonen en uit kleinere stammen bestaan met vele namen. De naam Texuandri is in elk geval Germaans en diens betekenis lijkt erop te duiden dat zij nog niet lang aan deze zijde van de Rijn wonen (daarover onder meer). Mogelijk behoorde hun gebied net als dat van de Tungri bezuiden hen oorspronkelijk toe aan de Eburones, voordat Julius Caesar deze in 53 voor Christus van de kaart veegde. Veel stammen waren ondergeschikt aan machtigere stammen; zo ook wellicht de Texuandri aan de Tungri.

sandraudiga2e/3e eeuws Latijns inschrift op een steen gewijd aan een Germaanse godin genaamd Sandraudiga (Oudgermaans *Sandraudigō), gevonden in Zundert, Noord-Brabant, destijds grond van de Texuandri.
(Bron afbeelding: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Zoals andere stammen die zich eeuwen lang binnen de grenzen van het Rijk bevonden, aan deze zijde van de Rijn, zullen ook de Texuandri tot op zekere hoogte geromaniseerd zijn. Hun bovenlaag zal op den duur Latijn hebben gesproken, zich Romeinse namen aanmetend, en zij zullen manschappen aan het Rijk hebben geleverd.

peelhelm3e/4e eeuwse Romeinse ruiterhelm, in 1910 tijdens het turfsteken gevonden in de Peel, destijds grond van de Texuandri.
(Bron afbeelding: Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

In de 3e eeuw na Christus verenigen een aantal Germaanse stammen langs de Rijn zich tot een machtig verbond: de Franken. Van de noordelijke tak hiervan zijn de Salii de voornaamsten.  Na het grensgebied van het inmiddels verzwakte Rijk bezuiden de Rijn te teisteren, tot het na verloop van tijd zelfs deels ontvolkt raakt, krijgen de Franken halverwege de 4e eeuw toestemming van de Romeinen om zich vestigen in het gebied der Texuandri. Zij moeten dan wel meehelpen de grenzen te bewaken. De overgebleven Texuandri zullen aldus deel van de Franken zijn geworden.

Hun gebied, ruwweg overeenkomend met Noord-Brabant en Limburg bewesten de Maas in Nederland en Oost-Antwerpen en Noord-Limburg in België, blijft ook gedurende de Middeleeuwen hun naam dragen, zij het in gelatiniseerde, verbasterde vormen als Texandria, Toxandria, Taxandria. Doch heden vinden wij de inheemse, Nederlandse vorm nog in de plaatsnaam Tessenderlo, in Belgisch Limburg.

Duiding
De naam Texuandri is, vooral op grond van latere bastaardvormen als Toxandria en Taxandria, wel beschouwd als een afleiding van de Latijnse boomnaam taxus. Er wordt dan ook op gewezen dat de naam Eburones, van de stam die ooit daar of zuidelijker woonde, waarschijnlijk van een Keltisch woord voor taxus is afgeleid.

Maar de oudste vorm is toch echt Texuandri en die laat zich door vooraanstaande naamkundigen als Günter Neumann zonder meer als Germaanse naam duiden, een latinisering van Oudgermaans *Tehswandrōz (enkelvoud *Tehswandraz). Dat is een afleiding bij *tehswō/*tehswan- ‘rechts, rechter’, los overgeleverd als Gotisch taíhswa, Oudhoogduits zeso en Middelnederlands tesuwe, met een achtervoegsel *-dra-/*-þra- dat we elders o.a. in ander vinden en ruimtelijke tegenstelling binnen een geheel aanduidt. De Texuandri/*Tehswandrōz zijn dus oorspronkelijk de ‘zich rechts bevindenden (binnen het grotere geheel)’. Rechts van wat? Wel, vanuit Germaans oogpunt, rechts van die geweldige stroom die eeuwenlang de Germaanse wereld van het Romeinse Rijk scheidde: de Rijn.

‘Rechts’ kan hier dan ook als ‘zuidelijk’ opgevat worden. Voor de Indo-Europeanen, waar ook de Germanen ten dele van afstammen, was het oosten het ijkpunt, want de richting van de opgaande zon, en lag het zuiden dus aan de rechterhand. In andere Indo-Europese talen komt dit ook tot uiting; vergelijk hoe Oudiers dess en Sanskriet dákṣina- beide zowel ‘rechts’ als ‘zuidelijk’ betekenen (en beide bovendien van dezelfde wortel als Oudgermaans *tehswō komen).

Anderzijds, de Germanen wonen van oudsher vrij noordelijk en in de Romeinse tijd waren hun ogen veelal op het Romeinse zuiden gericht; wellicht kon dan ook het westen als ‘rechts’ worden opgevat. Een vergelijkbare tweezinnigheid vinden we in het aan *tehswō verwante Texel (uitgesproken als Tessel), de naam van het meest zuidelijke én meest westelijke der Nederlandse Waddeneilanden. Gezien de loop van de Rijn maakt het voor de Texuandri/*Tehswandrōz niet zo veel uit wat het ijkpunt was; in tegenstelling tot verwante stammen woonden zij rechts van de Rijn.

Getuige de hierboven genoemde plaatsnaam Tessenderlo is de hedendaagse vorm van hun naam Tessenders en heet hun streek Tessender.

~

Lees verder over andere stamnamen in deze reeks.

~

Verwijzingen
Gysseling, M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (webuitgave)
Haywood, J., Dark Age Naval Power: Frankish & Anglo-Saxon Seafaring Activity (Hockwold-cum-Wilton, 2006)
Lendering, J., De randen van de aarde – De Romeinen tussen Eems en Schelde (Amsterdam, 2000)
Mallory, J.P. & D.Q. Adams, The Oxford Introduction to Proto-Indo-European and the Proto-Indo-European World (Oxford, 2006)
Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)
Neumann, G., “Substrate im Germanischen?” en “Beiträge zu Personennamen”, in Namenstudien zum Altgermanischen (Berlijn, 2008)
Orel, V., A Handbook of Germanic Etymology (Leiden, 2003)
Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)
Plinius de Oudere, Naturalis Historia, vertaald door J. Bostock (webuitgave)
Tacitus, P.C., Germania, vertaald en besproken door J.B. Rives (Oxford, 2002)
Advertenties
17 reacties leave one →
  1. Walter Gauwloos permalink
    2 september 2013 22:51

    Welke stammen die in Belgie leefden, ten tijde van Caesar, waren kelties en welke germaans ?Ik denk aan de ADUATIEKEN-DE NERVIERS-MORINEN (BONEN FRANS VLAANDEREN)-DE MENAPIERS (KASSEL)-DE EBURONEN-DE TREVIEREN (TRIER)-DE ATREBATEN (ATRECHT FRANS VLAANDEREN). Ook namen van druchtens zoals AMBIORIX,BODUOGNAT EN VERCINGETORIX ?

    • Olivier van Renswoude permalink*
      4 september 2013 17:59

      Al die namen lijken Keltisch te zijn. Over Eburones werd nog wel getwijfeld of deze nu op Oudgermaans *eburaz ‘ever(zwijn)’ of op Oudkeltisch *eburos ‘ijf, taxus’ teruggaat. De tweede mogelijkheid is echter de meeste aannemelijke, vanwege de Keltische namen van hun leiders en door de melding van Julius Caesar dat Catuvolcus, een van hun koningen, zichzelf vergiftigde met ijvensap.

      Caesar stelt evenwel dat de Belgische stammen grotendeels afstammen van Germanen die ooit de Rijn zijn overgestoken. Dan zouden zij dus allengs gekeltiseerd zijn geraakt. De vraag is echter: noemt Caesar hen Germanen omdat ze ook echt een Germaanse taal spraken en Germaanse zeden hadden of domweg omdat ze van over de Rijn kwamen? Immers, verder naar het zuiden is het zeker dat er oorspronkelijk aan beide zijden van de Rijn Kelten woonden, voordat de Germanen daarheen uitbreidden.

      Strabo noemt de Nervii in elk geval Germaans en Tacitus schrijft dat de Nervii en de Treveri bogen op hun Germaanse afkomst, maar lijkt daar zelf niet van overtuigd en vervolgt dat de Vangiones, Triboci en Nemetes die allemaal langs de Rijn wonen zonder twijfel (wel) Germaans zijn. De namen Triboci en Nemetes zijn duidelijk Keltisch van vorm, maar aangezien de namen van stammen en volkeren vaak door hun buren zijn gegeven (en doorgegeven aan derden) hoeft dat niet te zeggen dat Tacitus het mis had.

      Behalve de Nervii en de Treveri noemt Tacitus overigens geen Belgische stammen in zijn opsomming van Germaanse stammen.

      • Een leek met een interesse permalink
        3 juni 2014 21:45

        Het prikkelt wel de fantasie, vind ik. ‘Belgica’ lijkt een rare eend in de bijt te zijn naast Keltië en Germanië. Ik heb ook al dingen opgevangen dat ze misschien zelf een eigen “Belgische” taal hadden. Maar bekeken vanuit een 21e eeuwse bril, lijken ze nu niet zo veel te verschillen van hun niet-Belgica buren en eerder een versmelting te zijn van meerdere culturen. En toch; toch maken oude geschiedschrijvers een onderscheid met Kelten en Germanen. Rare jongens die Belgen…

  2. Alfred Michiels permalink
    2 januari 2016 00:37

    In de Germaanse verklaringen gaat men voorbij aan de taalwetten die de evolutie van de naam dwingend beheersen. In een Germaans Tehswandroz of Tehswandra valt de klemtoon noodzakelijkerwijze op de eerste lettergreep, zoals in hypothetische synoniemen Zuídnomaden of Zuidwandelaars. De huidige uitspraak zou dan Téxander zijn, en niet Taxándriër, zoals het nu wordt uitgesproken. Bovendien is het niet gebruikelijk dat een gelatiniseerde vorm de plaatselijke naam definitief verdrijft in de omgangstaal, en dus ook in de geschreven taal.
    Meestal leidt de onmogelijkheid om een plausibele Germaanse grondbetekenis van een naam te geven naar de conclusie dat het wellicht geen Germaanse naam is. Vaak gaat het dan over een Keltische naam. Vanuit het Keltisch blijkt de oplossing helemaal niet ver te zoeken.

    Tasgos, tascos, taxos zijn variante schrijfwijzen (naargelang plaats of periode) van een Gallisch woord dat het dier ‘das’ betekent . Dat de das een rol speelde in de magie der Kelten wordt geïllustreerd door de naam van een Oud-Ierse koning Tadg , uit *Tasgoz, die inderdaad de das als totemdier had. Verder zijn er talrijke persoonsnamen overgeleverd in Gallische inscripties: Tasco, Tascus, Tasgius, Tasgia, Tasgillus, Tassca, Tassus. Er zijn de namen van een Bretoense prins Tasciouanus, en van een pottenbakker Tascouanus, die beiden ‘dassendoder’ betekenen. Er is de naam van een leider der Senoni en ook de godennaam Mori-tasgus ‘Das van de zee’. Caesar stelde Tasgetios aan het hoofd van de Carnuten . Deze Tasgetios werd ook vermeld op bewaarde munten van die stam . Verder zijn er ook de plaatsnamen Tasgo-duno (dassenfort), Taxgetion, Tasgun-nacum (dassenhol) ,het huidige Tazanat (Puy-de-Dôme). Tenslotte zijn er het Franse dialectaal woord taisson ‘das’, het Italiaans tasso en het Spaanse tejon die via het Laat-Latijn taxo, -nis uit het Keltisch kwamen, en het Franse woord tanière (betekent “hol”, oorspronkelijk enkel “dassenhol”) dat van het Laat-Latijns Gallisch leenwoord taxonaria komt .
    De das verschijnt dus vaak in namen.

    Het tweede deel van de naam Taxo-andri kan het Gallisch adjectief ‘anderos’ zijn, dat betekent ‘van onder, van de onderwereld, infernaal’, etymologisch verwant aan het Latijnse inferus, infernus. *Tascoanderi, *Taxoanderi, evoluërend tot Taxuandri, Taxandri, Toxandri kan dan betekenen ‘De dassen van de onderwereld’, wat dan zoveel betekent als ‘de dassenmensen met magische krachten’, een typisch gevormde Keltische naam die vijanden moest afschrikken. Waarschijnlijk geloofden de Kelten dat de dassenholen met hun verschillende diepe gangen in verbinding stonden met de onderwereld, en de dassen vandaar magische krachten meehadden.

    De oudste schrijfwijze Texuandri, nl. de vermelding bij Plinius, staat ook het dichtst bij de oorspronkelijke Keltische naam Taxoanderi.
    Nog een wijdverbreide misvatting over hun woongebied:
    De Texuandri waarover Plinius spreekt woonden voorbij de linker-Scheldeoever.
    De tekst luidt:

    A Scaldi incolunt Texuandri pluribus nominibus, dein Menapi, Morini Ora Marsacis iuncti pago qui Gesoriacus vocatur, Britanni, Ambiani, Bellovaci, …

    “Vertrekkend vanaf de Schelde wonen de Texuandri onder verschillende namen, daarna de Menapii, de Morini, de Oromarsaci die grenzen aan de pagus die Gesoriacus (Boulogne) wordt genoemd, de Britanni, de Ambiani, Bellovaci…

    We stellen vast dat Plinius de opsomming van de volkeren begint aan de linkeroever van de Schelde, vermits de richting gaat “vanaf de Schelde” (a Scaldi) langs de kust naar het zuiden tot Noord-Frankrijk. We herkennen o.a. de namen Boulogne, Amiens en Beauvais.

    Wat de Toxandri betreft op de rechterkant van de Schelde:Volgens de historische traditie woonden langs de rechterzijde van de Schelde in het gebied van wat heden ruwweg de Kempen genoemd wordt de Toxandri, in de streek die sinds de 4de eeuw Toxandrië (in de middeleeuwen meestal Taxandrië) wordt genoemd. De Romeinse historicus Ammianus Marcellinus (330-ca 400 n.C.) vertelt dat daar toen de Salische Franken waren gaan wonen:

    Quibus paratis petit primos omnium Francos, eos videlicet quos consuetudo Salios appellavit, ausos olim in Romano solo apud Toxandriam locum habitacula sibi figere praelicenter. Cui cum Tungros venisset, occurrit legatio praedictorum ,…

    “Wanneer hij deze voorbereidingen had getroffen trok hij eerst naar de Franken, namelijk dezen die men gewoonlijk Saliërs noemt, en die het onlangs met grote aanmatiging aangedurfd hadden hun woonsteden te vestigen op Romeinse bodem om en bij de streek Toxandrië. Toen hij (de latere keizer Julianus) in Tongeren aankwam, kwam hem van hogergenoemden een gezantschap tegemoet…”

    Ik vertaal locus door ‘streek’. Inderdaad betekent locus in het enkelvoud vaak ‘streek’ . Dat Toxandria locus moet vereenzelvigd worden met het latere Tessenderlo is niet zo logisch. De Salische Franken die zich daar gevestigd hadden vormden namelijk een omvangrijke groep, en indien Tessenderlo in de tijd van Ammianus al een grote nederzetting of een stad zou geweest zijn, dan zouden daarvan toch archeologische sporen van overgebleven moeten zijn om de continuïteit aan te tonen van de 4de tot de 11de eeuw, die de naam al die tijd deed voortleven. Wat wel zeker is, is de ouderdom van de streek Toxandria, Taxandria. Het door Ammianus vernoemde Toxandrië − van waaruit de gezanten de keizer in Tongeren gingen opzoeken − schijnt hier dus te liggen in het gebied van het latere middeleeuwse Taxandrië, zijnde de Antwerpse en Limburgse Kempen en Noord-Brabant.

    Samengevat betekent dit dat de Taxandriërs woonden van de Limburgse Kempen en Noord-Brabant tot aan de Leie in Oost-Vlaanderen. De Leie vormde de grens met de Menapiërs.
    Bron: Alfred Michiels, Andouerpis Antwerpen. Nieuwe zoektocht naar de betekenis van de naam Antwerpen en de vroegste geschiedenis van de Antwerpenaars, Rumst 2012.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      5 januari 2016 13:35

      Geachte heer Michiels,

      U schrijft: “Meestal leidt de onmogelijkheid om een plausibele Germaanse grondbetekenis van een naam te geven naar de conclusie dat het wellicht geen Germaanse naam is.”

      Maar het blijkt juist goed mogelijk, gezien de heldere Germaanse duiding die ik in het stuk noem: Texuandri is een latinisering van Oudgermaans *Tehswandrōz en dit is een afleiding van *tehswō/*tehswan- ‘rechts, rechter’ met het achtervoegel *-þra-/*-dra-, dat meer specifiek ruimtelijke tegenstellingen binnen een geheel aanduidde. Dus niet zonder meer ‘rechts’ (wonend) ten opzichte van wie of wat dan ook, maar ‘rechts’ ten opzichte van hun volksgenoten.

      Een verband met (een vorm van) Proto-Keltisch *taskos ‘das’ lijkt me daarentegen weinig aannemelijk, aangezien de oudere overleveringen van de volks- en streeknaam steevast een -e- hebben (Texuandri e.d.) en één keer een -o-, maar niet een -a-.

      Verder noemt u Gallisch *anderos, met een betekenis ‘van onder, van de onderwereld, infernaal’. Voor zover dit woord werkelijk bestond in het Gallisch (want zo zeker is dat niet) zou het m.i. in een eventuele samenstelling met een zelfstandig naamwoord niet het tweede lid zijn, maar het eerste lid. Dus *Anderotasci, *Anderotaxi.

      En zelfs als het andersom ware, verwachten we toch eerder *Tascandri, *Taxandri, met weglating van de stamklinker van het eerste lid, dan *Tascoandri, *Taxoandri.

      • Alfred Michiels permalink
        6 januari 2016 22:11

        Geachte Heer van Renswoude,

        U antwoordt niet op mijn dubbele kritiek op de Germaanse verklaring.

        Ten eerste verklaart u niet waarom de klemtoon van Taxándrië(rs) nu op de tweede lettergreep valt. Bij de hypothetische Germaanse namen *Tehswandrōz en *Tehswandraz valt de klemtoon op de eerste lettergreep, en dat blijft normaal zo.

        Bij de overname van vreemde namen en woorden wordt steevast de klemtoon mee overgenomen. Bij een Gallisch Taxoándri of een Latijns Texuándri valt de klemtoon op de voorlaatste lettergreep, precies op dezelfde plaats als bij het huidige Taxándrië(rs).
        Ook in de door u vermelde huidige namen Tessénders en Tessénderlo valt de klemtoon op dezelfde lettergreep.

        U verklaart ook niet hoe een Germaans Tehswandrōz met e evolueert naar een Latijns Toxandria (Ammianus Marcellinus) met o en een Nederlands Taxandrië met a.

        Ten tweede is de betekenis van de naam die u opgeeft semantisch ongewoon en geografisch zelfs onmogelijk.
        U schrijft:

        “De Texuandri/*Tehswandrōz zijn dus oorspronkelijk de ‘zich rechts bevindenden (binnen het grotere geheel)’. Rechts van wat? Wel, vanuit Germaans oogpunt, rechts van die geweldige stroom die eeuwenlang de Germaanse wereld van het Romeinse Rijk scheidde: de Rijn.” en “Dus niet zonder meer ‘rechts’ (wonend) ten opzichte van wie of wat dan ook, maar ‘rechts’ ten opzichte van hun volksgenoten.”

        Behoudens het feit dat dergelijke naamvorming voor een volksstam ongewoon en vergezocht lijkt, klopt deze geenszins met de geografische woonplaats van deze stam.
        U schrijft:

        “De Romeinse geschiedschrijver Plinius de Oudere meldt aan het einde van de 1e eeuw na Christus in zijn Naturalis Historia, in een hoofdstuk over Gallia Belgica, dat zij in het gebied tussen de Schelde en Rijn wonen en uit kleinere stammen bestaan met vele namen.”

        U baseert zich hiervoor niet op de oorspronkelijke Latijnse bron, maar op de foutieve vertalingen van Plinius door o.a. John Bostock e.a.
        De tekst van Plinius luidt:

        “Gallia omnis Comata uno nomine appellata in tria populorum genera dividitur, amnibus maxime dinstincta. a Scalde ad Sequanam Belgica, ab eo ad Garunnam Celtica eademque Lugdunensis, inde ad Pyrenaei montis excursum Aquitanica.”

        Exacte vertaling:

        “Gallia in zijn geheel, met één naam Comata genoemd, wordt verdeeld in drie volkerensoorten, duidelijk gescheiden door rivieren. Van de Schelde tot de Seine ligt Gallia Belgica, van daar tot de Garonne ligt Gallia Celtica of Lugdunensis, vandaar tot de voet van de Pyreneeën Gallia Aquitanica.”

        Plinius schrijft dus dat Gallia Belgica zich situeert tussen Schelde en Seine.
        Daarna noemt hij de volkeren die in datzelfde Belgica wonen. Als eersten die tussen Schelde en Seine wonen noemt hij de Texuandri.

        “A Scaldi incolunt Texuandri pluribus nominibus, dein Menapi, Morini Ora Marsacis iuncti pago qui Gesoriacus vocatur, Britanni, Ambiani, Bellovaci, Bassi. introrsus Catoslugi, Atrebates, Nervi liberi, Veromandui, Suaeuconi, Suessiones liberi, Ulmanectes liberi, Tungri, Sunuci, Frisiavones, Baetasi, Leuci liberi, Treveri liberi,….”

        Exacte vertaling:

        “Vertrekkend vanaf de Schelde wonen de Texuandri onder meerdere namen, daarna de Menapii, de Morini, de Oromarsaci die grenzen aan de pagus die Gesoriacus wordt genoemd, de Britanni, de Ambiani, Bellovaci, Bassi, en meer landinwaarts de Catoslugi, Atrebates, de vrije Nervii, Veromandui, Suaeuconi, de vrije Suessiones, de vrije Ulmanectes, Tungri, Sunuci, Frisiavones, Baetasi, de vrije Leuci, de vrije Treveri ,…”

        Plinius beschrijft de volkeren van Belgica vanaf de linkeroever van de Schelde verder naar de kust toe (Menapii), en volgt dan de zee (Morini) tot Gesoriacum (Boulogne) en gaat dan zuidwaarts. Hij volgt immers gewoon de grenzen rondom Belgica, waardoor hij uiteindelijk belandt bij een van de volkeren tussen Maas en Rijn (Treveri), zie kaart.
        Al die volkeren wonen dus inderdaad in Belgica (de strook die gevormd wordt door Schelde en Seine).
        De “kaart van de Germaanse stammen in de Lage Landen in de tweede eeuw na Christus” die u toont is achterhaald.

        Dit betekent dus dat de Texuandri die Plinius vermeldt woonden in een gebied vanaf de linker Scheldeoever tot aan het gebied der Menapii (tot aan de Leie), in de huidige Belgische provincie Oost-Vlaanderen. Plinius schrijft hiermee niet dat de Texuandri uitsluitend aan de linkeroever van de Schelde woonden, en niet tevens aan de rechteroever. Hij begint gewoon de beschrijving vanaf de linkeroever omdat hij het uitsluitend heeft over de bewoners van de provincia Belgica, die de Schelde tot grens had en liep tot aan de Seine.

        U interpreteert de tekst foutief, in navolging van Bostock e.a.:
        John Bostock e.a.:

        “The whole of Gaul that is comprehended under the one general name of Comata, is divided into three races of people, which are more especially kept distinct from each other by the following rivers. From the Scaldis to the Sequana it is Belgic Gaul.
        Dan vertaalt hij verder:

        Beginning at the Scaldis, the parts beyond (in voetnota verduidelijkt hij: The provinces of Antwerp and North Brabant) are inhabited by the Toxandri, who are divided into various peoples with many names; after whom come the Menapii, the Morini, the Oromarsaci, who are adjacent to the burgh which is known as Gesoriacum, the Britanni, the Ambiani, the Bellovaci, the Hassi, and, more in the interior, the Catoslugi, the Atrebates, the Nervii, a free people, the Veromandui, the Suæuconi, the Suessiones…”

        U gaat nog een grote stap verder dan Bostock die het onbegrijperlijkerwijze over de provincies Antwerpen en Noord-Brabant heeft. U situeert de Texuandri zelfs in het ganse gebied tussen Schelde en Rijn, dus ook nog een stuk in Gelderland, in de beide Limburgen en een strook Duitsland. En u beweert dat Plinius dat heeft geschreven. Er staat in de Latijnse tekst ook niet vermeld dat de Texuandri bestaan uit kleinere stammen met vele namen. Er staat alleen dat de Texuandri meerdere namen hebben. Dat kunnen bijnamen zijn.

        Het komt er eigenlijk op neer dat u de bronnen aanpast aan uw theorie, en niet omgekeerd.

        Wat betreft het Gallisch woord anderos. U schrijft:

        “Verder noemt u Gallisch *anderos, met een betekenis ‘van onder, van de onderwereld, infernaal’. Voor zover dit woord werkelijk bestond in het Gallisch (want zo zeker is dat niet)”…

        Zeker is dat wel ! Keltoloog Delamarre (Dictionnaire de la langue gauloise) vertaalt anderos door « qui est au-dessous, inférieur, infernal ». Hij geeft hierbij een hele reeks voorbeelden uit bewaarde Gallische inscripties. Eén ervan: brixtia anderon “de magische formules van de onderwereldmensen”.

        Wat betreft de woordsamenstelling in Taxoandri. U schrijft:

        …”zou het (anderos) m.i. in een eventuele samenstelling met een zelfstandig naamwoord niet het tweede lid zijn, maar het eerste lid. Dus *Anderotasci, *Anderotaxi.

        P.-Y. Lambert (La langue gauloise) geeft juist wél voorbeelden van namen die gevormd zijn met zelfstandig naamwoord, gevolgd door adjectief:
        Amarcolitanos (eigennaam) “met weidse blik” uit amarco- “blik ” en litanos ” weids”.
        Segomaros (eigennaam) « met grote macht » uit sego- « overwinning, macht » en maros « groot », enz.

        U schrijft :

        « En zelfs als het andersom ware (zelfst. nw. + adj.), verwachten we toch eerder *Tascandri, *Taxandri, met weglating van de stamklinker van het eerste lid, dan *Tascoandri, *Taxoandri.”

        In tegenstelling met wat u verwacht werd die stamklinker inderdaad bewaard. In de oudste vermelding bij Plinius is het Texuandri, waarbij de u juist de verlatijnsing is van de o in Taxoandri. Taxoandros werd verlatijnst tot Texuandrus. Nota bene: in de evolutie van de Gallische taal evolueerden de clusters sg en sc tot x, dus tasgos en tascos werden taxos.

        Wat betreft de a in het Gallische Taxoandri en de e in Texuandri verwijs ik naar het Gallisch carvos dat gelijk is aan het Latijnse cervus “hert”. Dus is Texuandrus een perfecte verlatijnsing vanTaxoandros. Zelfs in het Gallisch zelf heeft men varianten met a en e, en ook met o en u: dezelfde gehoornde Gallische god wordt in inscripties nu eens Carnonos dan weer Cernunnos geschreven (Delamarre).

        Wat betreft de e in Texuandri (Plinius) en de o in Toxandria (Ammianus Marcellinus), verwijs ik naar de geattesteerde Gallische woorden beccos en boccos die allebei “mond” betekenden (Delamarre). Beide varianten werden in Laat-Latijn overgenomen uit het Gallisch: boccus werd bouche en beccus werd bec in het Frans, en van daaruit overgenomen in het Nederlands als bek.

        Voor de Gallische a tegenover het Latijnse o: Het Gallische tartos “droog, dorst” is etymologisch verwant aan het Latijns torres “droogmakende hitte” en Nederlandse dorst.

        Wat betreft het Gallisch Toxandria (bij Ammianus Marcellinus met o) en het middeleeuws Taxandria (met a), verwijs ik naar het Gallische Mosa en het Nederlandse Maas als naam van de rivier.

        Dit alles toont aan dat de verschillende klinkers in de varianten Taxoandri, Texuandri, Toxandria, Taxandria, Taxandrië, (Tessenders?), enz., geen anomaliën zijn en niet noodzakelijk chronologisch opeenvolgen. Het gaat hier over citaten in verschillende talen met verschillende fonetiek: Gallisch, Latijn, Nederlands.

      • Olivier van Renswoude permalink*
        7 januari 2016 02:08

        Geachte heer Michiels,

        Allereerst, de situering van de Texuandri en de duiding van hun naam zoals ik die in mijn stuk geef zijn niet mijn theorieën, al verdedig ik ze wel.

        Bij latiniseringen van Germaanse namen wordt de oorspronkelijke klemtoon niet altijd behouden en is verspringing ervan dus niet ongewoon. Vergelijk bijvoorbeeld die van de latinisering Batavia en het daarvan afgeleide Bataven in tegenstelling tot oorspronkelijk Oudgermaans *Batawiz en diens hedendaagse voortzetting Betuwe. Ook los van latiniseringen kan de klemtoon in Germaanse namen en woorden verspringen, vooral als deze aan de lange kant zijn en niet meer begrepen worden. Duits lebendig is een bekend voorbeeld.

        De vormen Toxandria en Taxandria zijn te verklaren door een verzwakking van de uitspraak van de oorspronkelijke -e- na verspringing van de klemtoon in Latijns gebruik. Dat wil zeggen, het zijn weergaven van klanken die een sjwa benaderen.

        Volgens u schreef Plinius: “A Scaldi incolunt Texuandri pluribus nominibus, dein Menapi (…)”. U vertaalt dit als: “Vertrekkend vanaf de Schelde wonen de Texuandri onder meerdere namen, daarna de Menapii (…)”.

        Maar volgens mijn bronnen laat u een belangrijk woord weg en luidt de oorspronkelijke tekst: “A Scaldi incolunt extera Texuandri pluribus nominibus, dein Menapi (…)”. Oftewel: “Vanaf de Schelde wonen aan de buitenzijde de Texuandri onder meerdere namen, daarna de Menapii (…)”. Ook Bostock houdt in zijn vertaling dus rekening met dit extera.

        Aangezien ze volgens Plinius voorbij de Schelde woonden, woonden ze dus tussen de Schelde en de Rijn. Ik schrijf in mijn stuk niet dat ze het gehéle gebied tussen die rivieren bewoonden en bepaal verderop in mijn stuk hun woongebied nader als “Noord-Brabant en Limburg bewesten de Maas in Nederland en Oost-Antwerpen en Noord-Limburg in België”, oftewel ruwweg de grenzen van de latere gouw/graafschap Texandria (tussen de 7e en de 12e eeuw).

        Ik zie verder niet wat er vergezocht en ongewoon zou zijn aan de semantiek van *Tehswandrōz. Woorden voor links en rechts hebben zowel in de Germaanse talen als daarbuiten ook verwezen naar windrichtingen. Zoals ik schrijf in mijn stuk betekenen Oudiers dess en Sanskriet dákṣina- beide zowel ‘rechts’ als ‘zuidelijk’. En beide zijn oude verwanten van Oudgermaans *tehswō-/*tehswan-. En er zijn andere historische voorbeelden van namen van stammen e.d. die verwijzen naar een windrichting, zoals bijvoorbeeld Oudengels Norþfolc en Súþfolc (thans Engels Norfolk en Suffolk).

        Dan Gallisch *anderos en het overgeleverde anderon. Delamarre mag er misschien vertrouwen in hebben, maar Ranko Matasović in zijn Etymological Dictionary of Proto-Celtic (2009) bijvoorbeeld acht het daarentegen mogelijk dat anderon een Gallische (verbogen) vorm is van Proto-Keltisch *anderā ‘jonge vrouw’, waarvoor vgl. Middeliers ander ‘jonge vrouw’ en Middelwels anneir ‘jonge koe’.

        Maar stel dat er inderdaad een Gallisch *anderos ‘van onder, van de onderwereld, infernaal’ bestond, dan nog zou de samenstelling vreemd zijn. Het bezwaar is niet zozeer dat het gaat om [zelfstandig naamwoord] + [bijvoeglijk naamwoord]. Uw voorbeelden Amarcolitanos ‘met weidse blik’ (amarco- ‘blik’ + litanos ‘weids’) en Segomaros ‘met grote macht’ (sego- ‘overwinning, macht’ + maros ‘groot’) zijn moeilijk te vergelijken, want exocentrisch; ze verwijzen naar iets wat de persoon hééft, niet wat hij ís. Als er werkelijke sprake ware van Gallische samenstelling *Tascandri/*Taxandri dan zou deze eerder op te vatten zijn als ‘zich als dassen onder bevindend’ o.i.d. Maar ook zoiets vind ik niet overtuigend.

        Ten slotte, dat Latijn cervus heeft en Gallisch carvos is het gevolg van de historische spraakontwikkeling van de afzonderlijke talen en betekent niet dat bij een latinisering van een Gallisch woord een -a- dus in een -e- werd veranderd.

        Hier moet ik het vooralsnog bij laten.

  3. Alfred Michiels permalink
    8 januari 2016 15:38

    Geachte Heer van Renswoude,
    U schrijft:
    De vormen Toxandria en Taxandria zijn te verklaren door een verzwakking van de uitspraak van de oorspronkelijke -e- na verspringing van de klemtoon in Latijns gebruik. Dat wil zeggen, het zijn weergaven van klanken die een sjwa benaderen.
    De verklaring van verschil in klinkers door ze als sjwa of bijna-sjwa te bestempelen is een veelgebruikte passe-partout om toch maar een verklaring te geven.
    U schrijft:
    Maar volgens mijn bronnen laat u een belangrijk woord weg en luidt de oorspronkelijke tekst: “A Scaldi incolunt extera Texuandri pluribus nominibus, dein Menapi (…)”. Oftewel: “Vanaf de Schelde wonen aan de buitenzijde de Texuandri onder meerdere namen, daarna de Menapii (…)”. Ook Bostock houdt in zijn vertaling dus rekening met dit extera.
    In alle gereputeerde wetenschappelijke uitgaven van de tekst, Oxford University Press, Teubner, Guillaume Budé, e.a., en ook in uw bron, weer bent u selectief in uw citaat, worden 5 variante schrijfwijzen van dat woord ‘extera’ in de verschillende manuscripten vermeld: ‘extera, texera, , texero, texeri, exerui’. Geen enkele van die ‘woorden’ is correct Latijn. De keuze van Bostock (uw bron) ‘extera’ is het enige Latijnse woord in de reeks. Het is echter een adjectief (exterus, extera, exterum) en past niet in deze zin. Voor een betekenis van ‘aan de buitenzijde’ zou hier dan een bijwoord moeten staan, hoogstens extre. Om die reden zetten de meeste kritische uitgaven het woord tussen haakjes om aan te duiden dat het wellicht een fout van de copiïst is. Waarschijnlijk gaan al deze varianten terug op eenzelfde oorspronkelijke fout van een kopiist die Texuandri wilde schrijven en verkeerdelijk al Texer- schreef, daarop correct opnieuw ‘Texuandri’ schreef en vergat de fout van daarvoor door te halen of weg te krabben.
    U schrijft zelf in uw inleiding:
    Over de Texuandri is weinig bekend. De Romeinse geschiedschrijver Plinius de Oudere meldt aan het einde van de 1e eeuw na Christus in zijn Naturalis Historia, in een hoofdstuk over Gallia Belgica, dat zij in het gebied tussen de Schelde en Rijn wonen.
    Nogmaals, dit is een pertinent verkeerde en totaal onlogische interpretatie van Plinius. Plinius heeft juist gezegd dat Belgica ligt tussen Schelde en Seine. Vervolgens vernoemt hij al de stammen die in datzelfde Belgica wonen. Plinius spreekt over de stammen binnen Belgica op juist dezelfde wijze als hij de stammen noemt in de twee andere delen van Gallia. Hij heeft geen enkele reden om hier een stam te noemen die niet in Belgica lag. Moesten de Texuandri die hij bedoelde in Germania gewoond hebben, dat begon aan de rechter Scheldeoever, dan zou hij de Texuandri vernoemd hebben bij de stammen die in Germania woonden. Niet dus.
    U schrijft:
    Ik zie verder niet wat er vergezocht en ongewoon zou zijn aan de semantiek van *Tehswandrōz.
    U verklaart het tweede lid met een achtervoegsel *-dra-/*-þra- dat we elders o.a. in ‘ander’ vinden en ruimtelijke tegenstelling binnen een geheel aanduidt.
    Welnu, dit achtervoegsel in ‘ander’ is volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands van M. Philippa e.a. (2003-2009) een comparatief-achtervoegsel *-tero (IEW 37). Tehswandrōz betekent dan in die vergrotende trap ‘de nog meer zuidelijk wonenden’. Ik kan leven met Norfolk en Suffolk, maar ‘de nóg meer zuidelijk wonenden’ blijf ik een ongewone naam en dus vergezochte verklaring vinden.

    U schrijft:
    Dan Gallisch *anderos en het overgeleverde anderon. Delamarre mag er misschien vertrouwen in hebben, maar Ranko Matasović in zijn Etymological Dictionary of Proto-Celtic (2009) bijvoorbeeld acht het daarentegen mogelijk dat anderon een Gallische (verbogen) vorm is van Proto-Keltisch *anderā ‘jonge vrouw’, waarvoor vgl. Middeliers ander ‘jonge vrouw’ en Middelwels anneir ‘jonge koe’.
    U citeert onvolledig, weer selectief alleen hetgeen u goed uitkomt. Matasović schrijft verder: “De betekenis van het Gallisch ‘anderon’ is niet zeker, het zou eerder kunnen verwant zijn aan het Latijnse ‘inferus’, dit woord zou weleens helemaal niet hier thuishoren(onder het lemma ‘andera’ jonge vrouw)”.
    Afgezien van het mogelijk bestaan van een woord ‘andera’ met de betekenis van ‘vrouw’, zijn er aanwijzingen genoeg voor het bestaan van een adjectief ‘anderos’ met betekenis van ‘infernaal’, verwant aan Latijns ‘inferus’. Etymologisch is het afkomstig van de Indo-Europese wortel *ndh(er)- (DELL 317, IEW771).
    ‘Brixtia anderon’ wordt vertaald door P.-Y. Lambert, L. Fleuriot en X. Delamarre, vooraanstaande Keltologen, als “door de betovering van de bewoners van de onderwereld”. Een verwant woord in een inscriptie is ‘andernados’, gevormd door ‘andern-ad-s’, genitief ‘andernados’, waarbij ‘ad’ een achtervoegsel is om een collectief (groepaanduiding) te vormen. De inscriptie ‘andernados brictom’ wordt door hen dan ook vertaald als “de betovering van de groep onderwereldbewoners”. Zij verwijzen ook naar de Latijnse vermeldingen van de ‘dii inferi’ (de godheden van de onderwereld). De Franse plaatsnaam ‘Andrejols’ komt van het Gallisch ‘andero-ialum’ en betekende ‘benedenwei’.
    En, last but not least, het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands van M. Philippa e.a. voert het Nederlandse woord ‘onder’ bw. ‘op een lager gelegen plaats’, terug tot dezelfde Indo-Europese wortel *ndh(er)-, ik citeer het woordenboek: “waaruit: Latijn īnfrā ‘onder’, īnferus ‘zich beneden bevindend’; Sanskrit adhá ‘onder’, ádhara- ‘de onderste’; Avestisch aðairi ‘onder’; Armeens ənd ‘onder’; Tochaars A añč.”
    Zo hoort u het eens van uw eigen collega’s.
    Wat betreft de bezwaren die u oppert over de samenstelling Taxo-anderos:
    Er zijn twee mogelijkheden waaruit u mag kiezen:
    Ofwel is ‘anderos’ ‘infernaal’ hier een adjectief, en krijgen we een samenstelling van substantief +adjectief,
    Ofwel is ‘anderos’ ‘onderwereldbewoner’ zelfstandig gebruikt en krijgen we een samenstelling van substantief+substantief.
    Voor dat laatste zijn er ook namen als voorbeelden:
    Cingeto-rix: cingetos(krijger) + rix(koning): ‘krijgerkoning’
    Catu-volcus: catu(strijd) + volcus(valk): ‘strijdvalk’
    Esu-genos: Esus(eigennaam) + genos(familie): ‘familie Esus’

    Er bestaat zelfs subst.+subst.+subst.:
    Epo-redo-rix: epos(paard) + reda(kar) + rix(koning): ‘de koning van degenen die met paard en kar rijden’
    U interpreteert altijd vanuit het Nederlands, een analytische taal, waar de woordorde in een zin en in een samenstelling allerbelangrijkst is voor de betekenis. U zou moeten weten dat dit in synthetische talen, zoals het Latijn en het Gallisch, van weinig belang is. In het Latijn kan een adjectief evengoed vóór als achter het substantief staan, zoals zelfs nu nog in het Frans, of zelfs een paar woorden ervan verwijderd.
    In de naam ‘Taxoanderi’ benoemt men de wezens van de onderwereld, meer bepaald de dassen onder hen. Als u Taxoanderi vertaalt als ‘zich als dassen onder bevindend’, dan zou ik dat ook niet overtuigend vinden.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      8 januari 2016 18:38

      Geachte heer Michiels,

      U verwijt mij selectief te citeren, maar het was u die aanvankelijk zonder enige opmerking extera (of enige variant) in de Latijnse passage wegliet, aangezien u uw persoonlijke conclusie al had getrokken. Die conclusie deel ik niet, want ik acht het waarschijnlijker dat het oorspronkelijk ging om een nevenvorm van het bijwoord/voorzetsel extra ‘buiten, aan de buitenzijde’ (zelf nota bene een samentrekking van extera), en dat de andere varianten zijn ontstaan door verwarring van de kopiist met het daarop volgende Texuandri.

      Voorts liet u bij het citeren van Plinius’ opsomming van de stammen van Belgica de volgende belangrijke zin weg: “Rhenum autem accolentes Germaniae gentium in eadem provincia Nemetes, Triboci, Vangiones, in Ubis colonia Agrippensium, Guberni, Batavi et quos in insulis diximus Rheni.” Hij rekent dus wel meer stammen ten oosten van de Schelde tot bewoners van Belgica, zelfs tot aan de Rijn. Het mag daarom duidelijk zijn dat we zijn eerdere bepaling van de Schelde als (absolute) grens met een korreltje zout mogen nemen.

      Plinius’ dubbelzinnigheid jegens de grenzen van Belgica kwam ongetwijfeld mede doordat het Romeinse Rijk daar toen noordwaarts aan het uitbreiden was. Het noordelijke gebied tussen de Schelde en de Rijn was in zijn leven nog niet zo lang onder Romeins gezag; het behoorde eerst tot Belgica en werd pas omtrent zijn dood een eigen provincie: Germania Inferior.

      U haalt vervolgens het EWN over ander aan. Inderdaad gaat het hier om het comparatief-suffix *-tero-, oftewel de Indo-Europese voorloper van het door mij genoemde Oudgermaanse *-dra-/*-þra-. Maar een comparatief betreft niet per se een vergrotende of overtreffende trap, en dit comparatief-suffix in het bijzonder drukt een “räumlichen Kontrast” aan, zoals Krahe en Meid het noemen in hun Germanische Sprachwissenschaft. Of neem Neumann in zijn artikel “Substrate im Germanischen?”: “Gemeint ist wohl das idg. Suffix *-tero-, germ. *-dra-, das bei paarweisen Gegenüberstellungen zum Ausdruck der kontrastierenden Funktion benutzt wird”. Vandaar ook dat het EWN over ander zegt: “De oorspr. betekenis was ‘de andere van twee’, contrasterend met de wortel *al-(io)- ‘een ander van velen’”.

      De Texuandri/*Tehswandrōz zijn dus niet de ‘nóg meer zuidelijk wonenden’, maar, zoals ik reeds heb aangegeven, de ‘rechts/zuidelijk/westelijk wonenden’ t.o.v. de anderen van het geheel, oftewel in tegenstelling tot de ‘links/noordelijk/oostelijk wonenden’ van hun volk (de Germanen).

      Over anderon: ter demping van uw zekerheid van dit woord, leek het mij voldoende om te zeggen dat Matasović een andere duiding voor mogelijk houdt. U wijst er verder op dat mijn collega’s van het EWN het woord onder (en dus Oudgermaans *under-) herleiden tot Proto-Indo-Europees *(H)ndher-. Maar ik was er reeds bekend mee en ik zie niet waarom het bestaan van dat woord in het Germaans relevant zou zijn voor de vraag of het in het Gallisch bestond. Het bezwaar blijft dat er geen klaarblijkelijke vindplaats is van dit woord in het Gallisch in de betekenis ‘onder’ of ‘zich onder bevindend’ of ‘der onderwereld’. Er zijn alleen interpretaties van inscripties en namen door Delamarre c.s.

      Ten slotte zegt u dat ik altijd vanuit het Nederlands interpreteer, maar dat is niet juist. Mijn vertrekpunt is het Proto-Indo-Europees en diens vertakkingen, waaronder de Keltische en Germaanse. Gallische en Germaanse namen lijken wat dat betreft veel op elkaar.

  4. Alfred Michiels permalink
    9 januari 2016 22:24

    Geachte Heer van Renswoude,

    U schrijft:

    “U verwijt mij selectief te citeren, maar het was u die aanvankelijk zonder enige opmerking extera (of enige variant) in de Latijnse passage wegliet, aangezien u uw persoonlijke conclusie al had getrokken. Die conclusie deel ik niet, want ik acht het waarschijnlijker dat het oorspronkelijk ging om een nevenvorm van het bijwoord/voorzetsel extra ‘buiten, aan de buitenzijde’ (zelf nota bene een samentrekking van extera), en dat de andere varianten zijn ontstaan door verwarring van de kopiist met het daarop volgende Texuandri.”

    Wanneer wetenschappelijke tekstuitgevers een woord tussen haakjes zetten, betekent dit dat zij dit woord aanzien als niet behorende tot de originele tekst. U bent vrij als germanist de mening van deze classici van de universiteiten van Oxford, Berlijn en Parijs opzij te schuiven, maar geen enkele van hen is in staat een vertaling te maken waarin een dezer varianten voorkomt, omdat het gewoon geen Latijn zou zijn. Begrijpt u niet dat wanneer één van de variante ‘woorden’ ‘extera, texera, , texero, texeri, exerui’ in de Latijnse zin zou gepast hebben, deze uitgevers dat woord wel zouden gekozen hebben, of zelfs uw ‘extra’? Ook ‘extra’ heeft hier geen zinnige betekenis: “a Scaldi incolunt [extra] Texuandri pluribus nominibus, dein Menapii” zou dan betekenen: ‘Vanaf de Schelde wonen buiten, aan de buitenzijde, de Texuandri onder verschillende namen, vervolgens de Menapii.’Dit is even onbegrijpelijk in het Latijn als in het Nederlands, of meent u dat Plinius wartaal schreef?

    U schrijft:

    “Hij rekent dus wel meer stammen ten oosten van de Schelde tot bewoners van Belgica, zelfs tot aan de Rijn. Het mag daarom duidelijk zijn dat we zijn eerdere bepaling van de Schelde als (absolute) grens met een korreltje zout mogen nemen.”

    Ik heb reeds gezegd dat de opsomming van de inwoners van Belgica begint aan de grens van Belgica. Plinius beschrijft Belgica als begrepen tussen de (monding van) de Schelde en de (monding van) de Seine. A Scaldi betekent ‘vanaf de Schelde, van de Schelde weg, vertrekkend vanaf de Schelde’. Het lidwoord ‘a’ betekent immers ‘van het vertrekpunt weg’. De opsomming volgt de woonplaatsen der stammen vanaf de Schelde, de Noordzee volgend tot aan de Seine in Noord-Frankrijk, gaat dan zuidelijk tot Soissons, dan naar rechts over de Ardennen tot de Boven-Rijn en dan noordelijk de Rijn volgend om dan met de Rijn naar links af te buigen tot aan het beginpunt, de monding van de Schelde in de Noordzee. Plinius volgt dus de richting van de grenzen tegenwijzerzin (voor de Vlamingen) of linksom (voor de Nederlanders) en gaat helemaal rond. Ik heb de tekst slechts zover geciteerd tot duidelijk was dat Plinius de grenzen van Belgica volgt vanaf de grens, de Schelde: zuid-westelijk, zuidelijk, oostelijk, enz. Daarna dus logischerwijze terug noorderlijk. Ik zie geen dubbelzinnigheid bij Plinius en geen reden om zijn beschrijving met een korreltje zout te nemen.

    Hij noemt inderdaad een aantal Germaanse stammen die aan de Rijn wonen in Belgica met naam: Rhenum autem accolentes Germaniae gentium in eadem provincia Nemetes, Triboci, Vangiones, in Ubis colonia Agrippinensis, Guberni, Batavi et quos in insulis diximus Rheni.

    Plinius noemt alle Germaanse stammen in België met naam als zijnde Germanen. Moesten de Texuandri ook Germanen geweest zijn, en wonen aan de rechterkant van de Schelde, dan zou Plinius dat ook van hen gezegd hebben. Hij zou ze dan genoemd hebben als een van de laatste in de rij Germaanse stammen, en dus niet als eerste van de Belgische (Keltische) stammen. Dus niet.

    U schrijft:

    “De Texuandri/*Tehswandrōz zijn dus niet de ‘nóg meer zuidelijk wonenden’, maar, zoals ik reeds heb aangegeven, de ‘rechts/zuidelijk/westelijk wonenden’ t.o.v. de anderen van het geheel, oftewel in tegenstelling tot de ‘links/noordelijk/oostelijk wonenden’ van hun volk (de Germanen).”

    Het gebruik van de comparatief op deze of andere wijze blijft het zwakke punt van uw verklaring. Het is onlogisch dat in een tegenstelling het tegengestelde niet wordt vernoemd. ‘De anderen van het geheel’ bestonden ook niet. Er bestond gewoon geen eenheid onder de Germanen.
    Als u een Germaans Tehswandrōz een logische naamvorming vindt, dan hanteert u een andere logica, en dan zullen we het nooit eens worden. Ik stel me daarbij voor dat ik, Menapiër, tegen mijn echtgenote zou zeggen:
    “Ik moet op reis naar de buitenkant van de Schelde, naar de Rechtswonendenvandeanderen”.

    U schrijft aangaande anderon:

    “Het bezwaar blijft dat er geen klaarblijkelijke vindplaats is van dit woord in het Gallisch in de betekenis ‘onder’ of ‘zich onder bevindend’ of ‘der onderwereld’. Er zijn alleen interpretaties van inscripties en namen door Delamarre c.s.”

    Deze interpretaties steunen op een reeks aanwijzingen. U verwerpt zomaar al deze aanwijzingen, waarvan ik er een paar heb opgesomd. U twijfelt aan de waarde van het wetenschappelijke werk van de Keltologen Delamarre, Fleuriot, P.-Y. Lambert. De inscripties hebben natuurlijk ook een context, het zijn geen losse woorden, maar komen voor in teksten. Er zijn naast een logische betekenis in de context een aantal aanwijzingen die in een bepaalde richting wijzen, zoals het naadloos kunnen verbinden van het woord met een Indo-Europese wortel met dezelfde betekenis, met parallele woorden zoals ‘inferus’ in het Latijn en in een reeks andere Indo-Europese talen, waaronder het Nederlands, met ook dezelfde betekenis. Wanneer door meerdere Keltologen een verklaring wordt gegeven die deze aanwijzingen zinvol maken, dan wordt dat in wetenschappelijke kringen aanvaard tot er ooit eventueel een betere of genuanceerder verklaring wordt gegeven. Dit zou dan in de ogen van Keltologen ook het geval kunnen zijn met de naam ‘Texuandri’: de Germaanse verklaring door germanisten was tot voor kort de enige, maar niet bevredigend genoeg, totdat er een logischer Keltische werd gevonden door Keltologen, logischer taalkundig, semantisch en geografisch.

    Om uzelf te parafraseren: de oudste bron over de Texuandri is Plinius. Hij vernoemt hen als bewoners van Belgica, buren van de Menapii. Hij noemt alle Germaanse stammen die in Belgica wonen met naam. Dat de Texuandri Germanen zijn zegt hij nergens. Er zijn alleen interpretaties van de Texuandri als Germanen door van Renswoude c.s.

  5. Agricola permalink
    10 januari 2016 00:07

    Geachte heren,

    Dank voor uw discussie, die naast leerzaam ook getuigd van het feit dat agressie ook op een vriendelijke manier geuit kan worden. Een soort van ridderlijke tweespraak, waarin men elkaar groet en vervolgens met zwaard en goedendag op elkaar inbeukt.

    Waar ik zelf mee zit, geachte heer Van Renswoude, is het feit dat u blijft verwijzen naar “rechts van (de anderen)”, terwijl men normalerwijze spreekt van de rechteroever van een rivier gezien stroomafwaarts. In het geval van de Rijn in de Lage Landen is de rechterzijde dus de noordelijke zijde, niet de zuidelijke. Ik weet niet wanneer dit gebruik van rechter- en linkerzijde van een rivier ontstaan is, maar wellicht is dit behulpzaam bij de discussie.

    Groetend,
    Agricola

  6. Olivier van Renswoude permalink*
    10 januari 2016 19:25

    Geachte heer Agricola,

    Daar zit wat in. Dan zou men *tehswō/*tehswan- specifiek in de betekenis ‘zuidelijk’ (of ‘westelijk’) in gedachten hebben gehad toen men er *Tehswandrōz van afleidde.

    Geachte heer Michiels,

    De grap is dat niet alle tekstuitgaven het woord tussen haakjes zetten. Ik heb reeds naar die van Byvanck verwezen; die kiest voor extera zonder haakjes. U koos ervoor om (enige variant van) het woord helemaal weg te laten en aldus een stapje verder dan iedereen te gaan.

    En nee, het wordt zo geen wartaal. Te meer daar het duidelijk is dat er in weerwil van uw vertaling ook geen “Oromarsaci” ten westen van de Schelde woonden, maar dat Plinius spreekt van ora Marsacis. Eerder in zijn Naturalis Historia meldt hij dan ook dat de Marsaci (sommige van) de eilanden tussen Helinium en Flevum bewonen, oftewel ten noorden van de Schelde-monding.

    Dus:
    A Scaldi incolunt extera Texuandri pluribus nominibus, dein Menapi, Morini ora Marsacis iuncti pago qui Gesoriacus vocatur (…)

    Is:
    ‘Vanaf de Schelde wonen aan de buitenzijde de Texuandri onder vele namen, daarna de Menapii en Morini aan de grens met de Marsaci (en) grenzend aan de gouw die men Gesoriacus noemt (…)’

    Of:
    ‘Vanaf de Schelde wonen aan de buitenzijde de Texuandri onder vele namen, daarna de Menapii en Morini aan de kust bij de Marsaci grenzend aan de gouw die men Gesoriacus noemt (…)’

    En Plinius noemt niet alle Germaanse stammen nadrukkelijk Germaans. Hij laat het na bij de Frisiaevones en Tungri. Tacitus schrijft dat de Tungri ooit de Rijn overstaken en eerst Germani heetten, en dat de andere Germaanse stammen van hen de naam Germani over hebben genomen. Bovendien, van de stammen die Plinius wél Germaans noemt hebben twee ervan Keltische namen, te weten de Nemetes en Triboci. Wat dat betreft is er dus geen reden om aan te nemen dat de Texuandri Keltisch/Gallisch waren.

    Ten slotte, in een comparatief/contrastief hoeft het tegendeel niet uitgesproken te zijn. Het is allemaal heel logisch als we bedenken dat er Germanen waren die de Rijn overstaken en zich daar vestigden en door de achtergebleven Germanen als de ‘zuidelijken/westelijken’ van hun volk werden aangeduid, t.o.v. de Rijn, die oude grens. Het is bovendien mogelijk dat het tegendeel wél bestond maar verloren is gaan, oftewel dat de Texuandri/*Tehswandrōz hun verwanten benoorden/beoosten de Rijn aanduidden als de *Swibandrōz ‘noordelijken/oostelijken’ als we kijken naar de tegenstelling van de latere, vlakbij gelegen gouwen Testarbant en Swiftarbant (Oudgermaans *Tehsterabantiz ‘zuidergouw’ en *Swifterabantiz ‘noordergouw’).

    Wat de Menapi ervan dachten is irrelevant, want die spraken een Keltische taal.

  7. Alfred Michiels permalink
    11 januari 2016 18:11

    Geachte Heer van Renswoude,
    U schrijft:

    “En Plinius noemt niet alle Germaanse stammen nadrukkelijk Germaans. Hij laat het na bij de Frisiaevones en Tungri.”

    Plinius meent blijkbaar dat dat geen Germaanse stammen zijn. Tacitus is nooit in Belgica of Germania geweest, en al wat hij daarover schrijft heeft hij van verhaaltjes en legenden, uit hoeveelste hand dan nog. Tacitus baseerde zich op verhalen van reizigers en op literaire bronnen (vermoedelijk Titus Livius, Plinius de Oudere en enkele Griekse auteurs).

    U schrijft:

    “De grap is dat niet alle tekstuitgaven het woord tussen haakjes zetten. Ik heb reeds naar die van Byvanck verwezen; die kiest voor extera zonder haakjes. U koos ervoor om (enige variant van) het woord helemaal weg te laten en aldus een stapje verder dan iedereen te gaan.”

    Als u absuluut wil dat er ‘a Scaldi incolunt extera’ moest staan, dan slaat dit op alle volksnamen van Texuandri tot Bellovaci, Bassi, en dan staat dit ‘extera’ (aan de buitenkant) tegenover ‘introrsus’ (aan de binnenkant van de Schelde), dus extera is dan links van de Schelde en introrsus is dan rechts van de Schelde. ‘Extera’ is het tegenovergestelde van ’ introrsus’. Bij een vertaling moet men ook rekening houden met de literaire stijlfiguren, zoals het zeer geliefd gebruik van tegenstelling in opsommingen.

    ‘A Scaldi incolunt
    extera Texuandri pluribus nominibus, dein Menapi,enz……Bassi
    introrsus Catoslugi, Atrebates, Nervi liberi, Veromandui, Suaeuconi, Suessiones liberi, Ulmanectes liberi, Tungri, Sunuci, Frisiavones, Baetasi, Leuci liberi, Treveri liberi antea et Lingones foederati, Remi foederati, Mediomatrici, Sequani, Raurici, Helveti, coloniae Equestris et Raurica…’

    De vertaling in de wetenschappelijke uitgave van Littré luidt :
    ‘A l’Escaut, l’extérieur est habité par les Toxandres, divisés en plusieurs peuplades; puis viennent les Ménapiens, les Morins, les Oromansaques, attenants au bourg appelé Gessoriacum (IV, 30); les Bretons, les Ambianiens, les Bellovaques, dans l’intérieur, les Catusiuges, les Atrébates, les Nerviens,…

    Zo hoort u het nog eens van een ander.

    U blijft halsstarrig weigeren om in te zien dat Plinius vanaf de monding van de Schelde alle volkeren in Belgica opsomt, linksom. Neem aub eens een kaart en kijk waar Cassel (Menapi), Thérouanne (Morini), Boulogne, Amiens (Ambiani), Beauvais (Bellovaci), Arras (Atrebates), Vermandois (Veromandui), Soissons(Suessiones), enz., gelegen zijn.

    Nogmaals, waarom zou Plinius, die van aan de monding van de Schelde systematisch achtereenvolgens één na één de volkeren opnoemt die wonen aan de kust in Belgica, beginnen met een volk dat daar niet woont? Ontgaat u totaal de logica van Plinius’ beschrijving om te beginnen en te eindigen aan de Scheldemonding, in een cirkelbeweging de buitengrenzen volgend? De interpretatie van de tekst over de woonplaatsen der volkeren is met of zonder ‘extera’ juist dezelfde. Met de bepaling ‘introrsus’ overschrijdt de opeenvolging de lijn Schelde-Leie en vervolgt naar het oosten toe. Logisch toch?

    U schrijft:

    Over de tekst ‘dein Menapi, Morini ora Marsacis iuncti pago qui Gesoriacus vocatur ‘
    “En nee, het wordt zo geen wartaal. Te meer daar het duidelijk is dat er in weerwil van uw vertaling ook geen “Oromarsaci” ten westen van de Schelde woonden, maar dat Plinius spreekt van ora Marsacis, d.w.z. ‘(vanaf) de grens met de Marsaci’. Eerder in zijn Naturalis Historia meldt hij dan ook dat de Marsaci (sommige van) de eilanden tussen Helinium en Flevum bewonen, oftewel ten noorden van de Schelde-monding.”

    Nu begint u zelfs uw eigen bron, de vertaling van Bostock, waarop u zich volgens uw eigen zeggen hebt gebaseerd, tegen te spreken. Die luidt:

    “Beginning at the Scaldis, the parts beyond are inhabited by the Toxandri, who are divided into various peoples with many names; after whom come the Menapii, the Morini, the Oromarsaci, who are adjacent to the burgh which is known as Gesoriacum, the Britanni, the Ambiani, the Bellovaci…”

    Bostock situeert de Oromarsaci in voetnota als volgt: “D’Anville places them between Calais and Gravellines, in the Pas de Calais, and on the spot now known as the Terre de Marck or Merk.”

    Uw vertaling ‘(vanaf) de grens met de Marsaci’ is een vertaling die kant noch wal raakt.
    En als u toch zo graag alle varianten wil vermeld zien, ziehier de varianten in de handschriften van uw ‘ora Marsacis’, vermeld in uw bron Byvanck, maar die u zelf niet vermeldt:

    ‘ora – uocatur ontbr. bij Rob. — oro R. — marsacis D F1 R, marsucis E1, marsaci A E2, marsacii’

    iuncti (‘verbonden’ of ‘grenzend aan’) is bijgesteld(nominatief mv.) bij Morini. Grenzend aan wat? Dit moet in de datief staan, en dat is het geval met ‘pago’(dat. van ‘pagus’). Bij ‘pago’ staat een bijgestelde zin ‘qui Gesoriacus vocatur’(die Gesoriacus genoemd wordt).

    Waar bevinden zich de Menapii (hoofdstad Castellum Menapiorum, huidige Cassel in Noord-Frankrijk, Morini (hoofdstad Tarvenna, huidige Thérouanne in Noord-Frankrijk) en de pagus Gesoriacus (huidige Boulogne in Noord-Frankrijk)? Grenst daar iets van aan uw Marsaci ten noorden van de Schelde-monding? Ernstig blijven aub.

    Neen, de vertaling van uw bron Bostock is correct: “the Oromarsaci, who are adjacent to the burgh which is known as Gesoriacum”, en hij is absoluut niet de enige met deze vertaling, zie hoger.

    U blijft maar spijkers op laag water zoeken.

    U schrijft:

    “Ten slotte, in een comparatief/contrastief hoeft het tegendeel niet uitgesproken te zijn. Het is allemaal heel logisch als we bedenken dat er Germanen waren die de Rijn overstaken en zich daar vestigden en door de achtergebleven Germanen als de ‘zuidelijken/westelijken’ van hun volk werden aangeduid, t.o.v. de Rijn, die oude grens. Het is bovendien mogelijk dat het tegendeel wél bestond maar verloren is gaan, oftewel dat de Texuandri/*Tehswandrōz hun verwanten benoorden/beoosten de Rijn aanduidden als de *Swibandrōz ‘noordelijken/oostelijken’ als we kijken naar de tegenstelling van de latere, vlakbij gelegen gouwen Testarbant en Swiftarbant (Oudgermaans *Tehsterabantiz ‘zuidergouw’ en *Swifterabantiz ‘noordergouw’).”

    In uw visie werd de naam *Tehswandrōz gegeven door andere Germanen van over de Rijn, alsof ze zichzelf nog geen naam hadden gegeven. In dat geval is *Tehswandrōz een bijnaam en is het hoogst onwaarschijnlijk dat de Texuandri zichzelf ook zo noemden. Dat de *Tehswandrōz hun buren dan met een hypothetisch *Swibandrōz ‘noordelijken/oostelijken’ zouden kunnen benoemd hebben, is geen ernstige piste. Misschien waren er dan ook Westelijken, zodat het plaatje vol is: de Noordelijken, de Zuidelijken, de Westelijken en de Oostelijken, telkens “ten opzichte van de anderen” wel te verstaan.

    Bovendien bleven de Germaanse stammen niet op dezelfde plaats wonen, ze waren al honderden jaren voortdurend in beweging in verschillende richtingen, zonder enige onderlinge eenheid, en dat bleef duren tot in de vroege middeleeuwen, kijk maar naar de Franken, de Sueben, de Friezen, enz., zodat de woongebieden tegenover elkaar steeds wisselden.

    Een naam als ‘Zuidelijken’ tegenover ‘Noordelijken’ heeft dus onder de Germanen nooit zin gehad. De woongebieden die in de weinige Romeinse bronnen worden vermeld zijn telkens momentopnamen. U stelt het voor alsof de Germaanse stammen vaste woonplaatsen hadden en een gevoel van ethnische eenheid. Ze gaven zichzelf geen enkele gemeenschappelijke naam, ze noemden hun taal niet Germaans, maar Duits (“taal van het volk”), en ze beschouwden de Rijn niet als hun grens, maar als een te nemen hindernis. Wat u doet is een modern nationalistisch gevoel hineininterpretieren.

    U kan geen vergelijking maken met de latere Merovingische administratieve indeling in gouwen zoals Testarbant. Daar is een geografisch onderscheid in zuid en noord, oost en west, wél gebruikelijk. Die indeling steunde niet op volksnamen, maar op geografische gebieden, en was bedoeld om onveranderd zo te blijven.

    U schrijft:
    “Wat de Menapi ervan dachten is irrelevant, want die spraken een Keltische taal.”

    Wel, laat het dan een van uw Marsaci zijn die zegt:” ik ga naar de Zuidwonendenvandeanderen, en daarna naar de Noordwonendenvandeanderen, en dan terug naar de buitenkant van de Schelde .”

    • Olivier van Renswoude permalink*
      11 januari 2016 20:01

      Geachte heer Michiels,

      De vertaling in mijn bericht van gisteren heb ik later op de avond nog verbeterd. En als u Tacitus zo gemakkelijk van de hand wilt wijzen, dan moet u dat zeker doen, maar dan bent u zo goed als alleen.

      U schrijft:

      “Nogmaals, waarom zou Plinius, die van aan de monding van de Schelde systematisch achtereenvolgens één na één de volkeren opnoemt die wonen aan de kust in Belgica, beginnen met een volk dat daar niet woont? Ontgaat u totaal de logica van Plinius’ beschrijving om te beginnen en te eindigen aan de Scheldemonding, in een cirkelbeweging de buitengrenzen volgend?”

      Plinius eindigt niet bij de Scheldemonding, maar bij de Batavi in de Rijn. Hij maakt geen cirkelbeweging maar vanuit het midden een spiraalbeweging (een soort gespiegelde 6). Met de Scheldemonding als uitgangspunt begint hij bij de Texuandri die daaraan wonen (zie kaart), vervolgens naar de Menapi en Morini, die wonen aan de grens/kust bij de Marsaci (in het noordoosten) en tegen Gesioracus aan (in het zuidwesten). Dan de Britanni e.d., en binnenwaarts de Catoslugi e.d., en ten slotte de Rijn helemaal af naar de Batavi in het noorden.

      Verder doet het er niet toe of de Texuandri/*Tehshwandrōz hun naam zelf hadden bedacht of dat deze door de noorderlingen was bedacht. Evenmin doet het ertoe of er wel of niet een groot Germaans of Duits zelfbesef was. Het gaat erom dat er ooit groepen de Rijn waren overgestoken die niet meteen vergaten dat ze verwant waren aan de achterblijvers, onder meer omdat ze dezelfde taal spraken. Andersom wisten de achterblijvers dat ze nauw verwant waren aan sommige groepen zuiderlingen (of westerlingen), maar niet aan ander, vreemd(talig) volk aldaar. Vandaar het ontstaan van de naam Texuandri/*Tehswandrōz als uiting van het besef van Rijn-overstijgende verwantschap. Doch gaandeweg ging de naam naar de streek zelf verwijzen en raakte zo versteend (de Middeleeuwse gouw Texandria), terwijl de bevolkingssamenstelling veranderende, zoals ik heb aangegeven m.b.t. de Salii.

      En zoals ik reeds met Norþfolc en Súþfolc heb aangegeven zijn er andere voorbeelden van volksnamen die naar windrichtingen verwijzen.

      Dit is voorlopig mijn laatste bericht, want ik zou graag mijn vrije tijd willen besteden aan enkele andere onderwerpen en zaken.

      Met vriendelijke groet,
      O. van Renswoude

      • Alfred Michiels permalink
        11 januari 2016 22:03

        Geachte Heer van Renswoude,

        De Batavi woonden volgens Plinius’ voorstelling tot aan de monding van de Schelde.
        Natuurlijk wordt de cirkelbeweging hier en daar onderbroken om de middengebieden te behandelen. In Plinius’ tijd (1ste eeuw) woonden de Texuandri aan de Linker-Schelde. Dat er in de 4de eeuw Taxandri woonden in de Kempen, betekent dat ze zich toen blijkbaar ook hadden verspreid over de rechter oever. Uw kaart geeft niet de situatie in de 1ste eeuw weer.

        Ik vind het spijtig dat we het niet eens geraakt zijn. Het debat blijft dus open. De toekomst zal moeten uitwijzen aan welke verklaring de historici de voorkeur zullen geven.

        Ik hoop dat een aantal volgers er iets aan gehad hebben.

        Met vriendelijke groet,

        A. Michiels

Trackbacks

  1. Wat zijn Vlaanderen en Vlamingen nu eigenlijk? | Taaldacht
  2. Brabant en andere banten | Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s