Skip to content

Dijzen

1 maart 2014

berta
Karel de Grote, zo schreef zijn dienaar Einhard, toog zijn telgen naar de zeden der Franken: zodra hun leeftijd het toestond oefenden zijn zoons het rijden, voor strijd en jacht. Zijn dochters daarentegen namen voor nijverheid spoel en spinrokken op. Zo onlosmakelijk verbonden waren vrouwen, ook koningsdochters, met spinnen en weven, dat het spingerei sinds mensenheugenis hier en elders hun zinnebeeld was. Wie dan woorden vorst die met deze bezigheden van doen hebben kan aldra het hart van een oud wereldbeeld raken.

Wij beginnen in het noordoosten van Nederland. In Westerwolde in Groningen is diezen een oud woord woord voor het spinnewiel, terwijl in Drenthe met diesen zowel spinrokken als vlasbundel werd bedoeld. Ook over de grens in Nedersaksen en Westfalen kende men het woord. Uiteindelijk gaat het langs Middelnederduits dīsene terug op Oudsaksisch dísna ‘spinrokken, vlasbundel’. De vermoedelijke Oudgermaanse vorm is *dīsnō.

Daarnaast moet er een vorm *dīsō hebben bestaan, getuige Middelnederduits dīse en Oudengels dís* in dístæf (lees: dís-stæf), een samenstelling die voortleeft als Engels distaff ‘spinrokken’. In Engeland is het spinrokken dan ook een gebruikelijk zinnebeeld voor de vrouw en de distaff side een benaming voor de vrouwelijke lijn der verwantschap, dat wil zeggen de moederszijde of spilzijde. Van *dīsō is ook nog een werkwoord afgeleid dat is overgeleverd als Middelnederlands dīsen ‘vlas winden’ en Middelengels dīsen ‘vlas winden’, vanwaar het inmiddels verouderde Engels (be)dizen ‘opzichtig aankleden’.

Bovengenoemde woorden zullen teruggaan op een Oudgermaanse wortel *dīs-, *dais-, *dis- ‘spinnen e.d.’. Hiertoe behore ook *dīsaz ‘spinnend, beramend, sluw’, vanwaar Gotisch filudeis* ‘sluw’ (in filudeisei ‘sluwheid’), eigenlijk dus ‘veel-spinnend, veel-beramend, zeer sluw’, en namen als Oudsaksisch Díso ‘sluwe’ en Oudhoogduits Tíso ‘sluwe’. Andere afleidingen zijn wellicht *dizlōnan ‘spinnen, snorren’ (Middelnederlands dillen ‘kletsen’) en *dizlō ‘spinster’ (Middelnederlands dille ‘jonge vrouw; babbelzieke vrouw’). Buiten het Germaans zijn vermoedelijk verwant Latijn fūsus ‘spinklos’ en fibra ‘vezel, dun draad’ (zie overzicht onderaan).

Spannender echter is de mogelijkheid dat ook Oudnoords dís tot deze wortel behoort. Dit woord betekende ‘voorname vrouw’, maar werd –meestal in het meervoud dísir– ook gebruikt ter algemene aanduiding van verscheidene goddelijke, vrouwelijke wezens. Bij dísir lijkt het de ene keer te gaan om slagveldgeesten (valkyrjur), de andere keer om schikgodinnen (nornir), en soms om schutsgodinnen oftewel beschermgeesten (fylgjur). Het onderscheid tussen deze groepen was overigens wazig; in sommige oude overleveringen treden de valkyrjur bijvoorbeeld op als spinsters van de levensdraad en weefsters van het lot, klaarblijkelijk als schikgodinnen. Vermoedelijk ging het oorspronkelijk om één groep van vrouwelijke oergeesten die het lot bepaalden, en dus ook voorspoed en dood.

In andere Germaanse gebieden werden zij gezamenlijk ook wel ‘Moeders’ genoemd. Overgeleverd is de Oudengelse benaming módraniht ‘nacht van moeders’ voor het heidense offerfeest tijdens de winterzonnewende. Dit doet sterk denken aan het Oudnoordse dísablót, het winterse feest waarop men offerde aan de dísir. In het Rijngebied zijn in de Romeinse tijd bovendien talloze stenen door Germanen en Kelten opgericht en gewijd aan deze vrouwelijke oergeesten, meestal beginnend met de aan Nederlands moeder verwante Latijnse benaming Mātronae (alsook Mātres en Mātrae), gevolgd door inheemse, Germaanse en Keltische bijnamen.

De duiding is dus dat er bij de Oudgermaanse wortel *dīs-, *dais-, *dis- ‘spinnen e.d.’ de afleiding *dīsiz ‘spinster’ bestond en dat hieruit Oudnoords dís zich ontwikkelde als benaming voor voorname vrouwen in het algemeen, dus ook vrouwelijke oergeesten. Een gangbare andere duiding van Oudnoords dís is dat het behoort tot de wortel *dē-, *dī-, *dai- ‘zogen, zuigen’, vanwaar ook Oudhoogduits táan ‘zogen’, Oudzweeds día ‘zuigen’, Elfdaals-Zweeds disa ‘zogen’, Gotisch daddjan ‘zogen’, Oudengels delu ‘tepel’ en Brabants deem ‘speen, tepel’. Buiten het Germaans zou het dan onder andere aan Latijn fēmina ‘vrouw’ verwant zijn en net als dat woord eigenlijk ‘zogende’ betekenen.

Het is evenwel denkbaar dat Oudgermaans *dīsiz (Oudnoords dís) is gevormd met gedachte aan beide wortels en dus van meet af aan zowel ‘spinster’ als ‘zogende’ betekende. Dat misstaat moeder noch voorname vrouw noch levensdraad spinnende moedergodin.

Verwijzingen
Förstemann, E., Altdeutsches namenbuch, 2. Auflage (Bonn, 1900)
Ganz, D., Einhard and Notker the Stammerer: Two Lives of Charlemagne (Londen, 2008)
Holthausen, F., “Miscellen”, in Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur, Band 13 (1888)
INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)
Köbler, G., Altsächsisches Wörterbuch, 5. Auflage (webuitgave)
Kocks, G.H., Woordenboek van de Drentse dialecten, 1e deel A–L (Assen, 1996)
Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft: III Wortbildungslehre (Berlijn, 1969)
Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)
Laan, K. ter, Nieuw Groninger Woordenboek, 2e druk (Groningen, 1989)
Lehmann, W.P., A Gothic Etymological Dictionary (Leiden, 1986)
Orel, V., A Handbook of Germanic Etymology (Leiden, 2003)
Palmer, L.R., The Latin Language (Londen, 1954)
Simek, R., Lexikon der Germanischen Mythologie, 3. Auflage (Stuttgart, 2006)
Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)
Vermeyden, P. & A. Quak, Van Ægir tot Ymir (Nijmegen, 2000)
Walde, A. & J.B. Hofmann, Lateinisches etymologisches Wörterbuch, 1. Band A–L (Heidelberg, 1938)

Overzicht van wortels

*dhei-, *dhoi-, *dhi- ‘draaien, spinnen’ (Proto-Indo-Europese oerwortel)

*dheidhh1-, *dhoidhh1-, *dhidhh1 ‘spinnen’ (samenstelling met -dhh1)
*dhóidhh1to-s > pit. *foissos > lat. fūsus ‘spinklos’
*dhidhh1réh2 > pit. *fiðrā > lat. fibra ‘vezel, dun draad’

*dheis-, *dhois-, *dhis- ‘spinnen’ (worteluitbreiding met desideratief/iteratief-s)
*dhéis-eh2 > ogm. *dīsō ‘gespin’ > oe. dís* (in dístæf ‘spinrokken’), mnd. dīse ‘spinrokken, vlasbundel’
*dhéis-neh2 > ogm. *dīsnō ‘spingerei’ > os. dísna ‘spinrokken, vlasbundel’ > dr. diesen ‘spinrokken, vlasbundel’, gron. diezen ‘spinnewiel’
*dhéis-i-s > ogm. *dīsiz ‘spinster’ > on. dís ‘voorname vrouw, goddelijk vrouwelijk wezen’
*dhéis-o-s > ogm. *dīsaz ‘spinnend, beramend, sluw’ > got. filudeis* ‘veel-spinnend, veel-beramend, zeer sluw’ (in filudeisei ‘sluwheid’), os. Díso ‘sluwe’, ohd. Tíso ‘sluwe’
*dhis-léh2 > ogm. *dizlō ‘spinster, snorster’ > mnl. dille ‘jonge vrouw, babbelzieke vrouw’
*dhis-léh2 > ogm. *dizlōnan ‘spinnen, snorren’ > mnl. dillen ‘kletsen’ > nnl. bedillen ‘bazig willen regelen’

Advertenties
2 reacties leave one →
  1. Marian permalink
    1 maart 2014 19:28

    mooi .. dat “naast elkaar laten bestaan” en ook hier het wonderlijke dat eenzelfde woord twee verschillende betekenissen kan dragen als: “beramend sluw” en “goddelijke, voorname vrouwe”. voor het een op je hoede, voor het ander eerbied, ontzag?
    In het hebreeuws (Eerste Testament) verwerd het woord “Heilige” in later eeuwen overal tot “Hoer” …zelfde letters…
    ook daar geheel afhankelijk van tijdgeest en “de vertaler/tolk” …

Trackbacks

  1. Over oude en jonge spinsters in de Joeltijd | de hagezussen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s