De heilgodin

Uit de tijd dat Rome het Rijnland bezette met het oog op de rest van Germanië zijn ons vele namen van daar inheemse godheden overgeleverd. De meeste vindt men op de zogenaamde wijstenen waarmee men eer bewees of blijk gaf een gelofte aan zulke wezens te hebben vervuld. Vaak komt zo’n naam weinig voor en is het gissen naar de betekenis. In het geval van Alateivia, bekend van een enkele wijsteen, kunnen we echter met enig vertrouwen zeggen: dit ware een godin die voor lijfelijk heil werd ingeroepen. Lees verder “De heilgodin”

Zwart goud

Vele, zo niet de meeste talen op Aarde danken gas aan de Vlaamse geleerde J.B. van Helmont, die het in de zeventiende eeuw vereenvoudigde uit chaos. Dat oorspronkelijk Griekse woord werd ruim een eeuw tevoren al door zijn grote Zwitserse voorbeeld Paracelsus gebruikt voor hetzelfde begrip. De vorm van gas maakt evenwel dat het gemakkelijk te verheemduiden is, in dit geval als ware het afkomstig van de wortel van gist, zoals dan ook een tijdje gemeend is. Met olie daarentegen valt niets te beginnen—als duidelijke ontlening blijft het een vlek op het water. Maar wat zouden we anders zelf bedacht kunnen hebben voor dit vettige spul? Lees verder “Zwart goud”

Verering tussen de bomen

Het is nu nauwelijks voorstelbaar, maar ooit was heel het Avondland rijk aan heilige bossen en gewijde open plekken in wouden. Grieken, Romeinen, Kelten, Germanen, Balten en Slaven, allen vereerden zij goden te midden van de bomen, zoals de Japanners nog immer doen. Dus toen de Engelse zendelingen in de vroege middeleeuwen hun broedervolkeren de Friezen en Saksen kwamen kerstenen, hadden ze die ook weg te houden van sacrīs silvārum quae nimidas vocant, oftewel ‘woudheiligdommen die ze nimidas noemen’. Zo staat het geschreven in een achtste eeuws lijstje van bijgeloven en heidense gebruiken, de zogenaamde indiculus superstitiōnum et pāgāniārum. Lees verder “Verering tussen de bomen”

Heidense zonneroem in de Lage Landen

In de kijk en taal van onze Indo-Europese voorouders was de zon een onbezielde zaak—een lamp of oog in de hemel, maar niet een oergeest op zich. Het moet in de latere, Germaanse wereld weinig anders zijn geweest, al is het mogelijk dat de zon er geleidelijk werd gezien als aangedreven door een afzonderlijke goddelijke ziel en dat het woord zon oorspronkelijk diens naam was. Zie hoe de oude Indiërs de eigenlijke zon Sūrya en de bijbehorende godheid Savitṛ ‘aandrijver’ vaak vereenzelvigden. Dat lijkt ook het geval met Ipe en Evert, twee zonderlinge namen voor de zon in de Lage Landen.

Lees verder “Heidense zonneroem in de Lage Landen”

Een joon te water

Tot ver in de Middeleeuwen werden in grote delen van Holland, Zeeland en West-Vlaanderen streektalen gesproken die meer op het toenmalige Fries leken dan wat er elders in de Lage Landen werd gesproken. Een duidelijke herinnering aan deze tijd is West-Friesland, de naam van een gebied ten noordoosten van Alkmaar. Maar het Friesachtige taalverleden van deze streken langs de Noordzee blijkt vooral uit de afwijkende klanken van menig woord en oordnaam. Eén daarvan zij joon, een eigenaardig visserswoord dat wel eens heel oud kon zijn.

Lees verder “Een joon te water”