Skip to content

Appels vallen

23 oktober 2017

Er is een hoop wetenschappelijke vooruitgang geboekt met de buitengewoon scherpe waarneming dat appels vallen. Of beter gezegd: met het besef dat ze altijd recht omlaag vallen. Eind zeventiende eeuw vroeg de Engelse geleerde Isaac Newton zich namelijk af waarom ze niet evengoed zus of zo vielen. Wat was nu eigenlijk de aard van deze regelmatige ‘zwaartekracht’? Hij werkte daarop de nodige wetten uit en werd daarmee de grondlegger van de klassieke mechanica. Een sappig aanhangsel van dit verhaal is evenwel dat het vallen der appels mogelijk besloten ligt in het woord appel zelf.

Appel heeft zich moeilijk laten vangen. Het is duidelijk dat het met onder meer Engels apple en Duits Apfel teruggaat op Oudgermaans *apla- en dat het evenknieën met dezelfde betekenis heeft in de Keltische, Baltische en Slavische talen, zoals Oudiers ubull, Litouws obuolỹs en Oudkerkslavisch ablъko. Daarna wordt het echter lastig.

Als gemeenschappelijke voorloper wordt doorgaans Proto-Indo-Europees *h2ebol- gereconstrueerd. Omdat het beperkt is tot noordelijk Europa en appels daar inheems zijn, is het mogelijk dat het er ooit van een oudere, niet-Indo-Europese taal is overgenomen. Het Indo-Europees is immers pas enkele duizenden jaren geleden in deze streken verspreid, waarschijnlijk vanuit de Steppe. Ook de *b in *h2ebol- zou op ontlening kunnen wijzen, want het Indo-Europees wordt geacht die klank niet van zichzelf te hebben gehad.

Getergd door deze tamelijk on-Indo-Europese *b heeft de bekende Kroatische wortelkundige Ranko Matasović enkele jaren geleden een andere reconstructie geopperd: een *h2eph3ol- dat zich pas in tweede instantie ontwikkelde tot *h2ebh3ol-. De gedachte is dat een oorspronkelijke *p verzachtte tot een *b doordat deze aanvankelijk grensde aan een *h3, een oude g-achtige klank die in bijna alle Indo-Europese dochtertalen is verdwenen. Zulke verzachting is bijvoorbeeld ook gebeurd in de ontwikkeling van Proto-Indo-Europees *pi-ph3-e- ‘drinken’ tot *pi-bh3-e- (Oudindisch píbati) en na verdere aanpassing *bi-bh3-e- (Latijn bibō). Opmerkelijk genoeg heeft Matasović deze vorm *h2eph3ol- vervolgens niet ontleed en met andere woorden in verband gebracht. En dat terwijl het vrij eenvoudig is.

We kunnen namelijk, met een kleine aanpassing, uitgaan van de grondvorm *h2ep-h3olh1 en deze verbinden met de groep van *h2ep-h3olh1-eie- ‘doen vallen’ (Latijn aboleō ‘verwoesten’) en *h2pó-h3l(-n-)h1 ‘vallen’ (Armeens p‘lanim, Litouws púolu, Oudgermaans *fallan-). Het gaat hier klaarblijkelijk om een samenstelling van het voorzetsel *h2ep, *h2epo, *h2po ‘af, van’ (Latijn ab, Grieks apo, Litouws pa-, Oudgermaans *aba ‘af’, *fanē ‘van’) met de wortel *h3elh1-, *h3olh1-, *h3lh1‘te gronde gaan, te gronde richten’ (Grieks óllumi ‘vergaan; verwoesten’, Hettitisch halla- ‘verwoesten’).

Dat wil zeggen, op een dag ergens in noordelijk Europa begonnen sprekers van het plaatselijke Indo-Europees het woord *h2ep-h3olh1 ‘het (af)vallende’ te gebruiken voor onze zwaartekracht tonende boomvrucht. Met Newtoniaans inzicht, uiteraard.

Beeld
Door FraserElliot. Enige rechten voorbehouden.

Verwijzingen

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)

Rix, H. & M. Kümmel, Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Wodtko, D. e.a., Nomina im Indogermanischen Lexikon (Heidelberg, 2008)

Advertenties
4 reacties leave one →
  1. Luc Vanbrabant permalink
    24 oktober 2017 08:23

    ’t Was prettig lezen.
    Is de ‘p/b’ soms ook niet verschoven naar een ‘v’? Al met een keer moest ik denken aan Avallon in Bourgondië en het Avalon van Arthur. Volgens mij hebben die twee plaatsnamen iets te maken met ‘appel’.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      24 oktober 2017 11:37

      Wel, de voor-Germaanse *b is klankwettig verschoven naar de Oudgermaanse *p.

      De voor-Germaanse *p werd aan het begin van woorden en onmiddellijk na de klemtoon altijd een Oudgermaanse *f. (Behalve in de combinatie *sp.)

      *péḱu- > *fehu- > vee
      *ḱóHpo- > *hōfa- > hoef

      Kwam het binnen een woord vóór de klemtoon, dan werd het een Oudgermaanse *b. In het Nederlands verschoof die vervolgens weer naar f of v.

      *Hroupó- > *rauba- > roof

      Werd de voor-Germaanse *p gevolgd door een *n én de klemtoon, dan ontstond er uiteindelijk een lange Oudgermaanse *pp. Deze werd vervolgens verkort tot een *p indien er een lange klinker of tweeklank aan vooraf ging.

      *Hroipnó- > *raippa- > *raipa- > reep

      In het Keltisch ligt het anders. De voor-Keltische *b bleef een *b, maar kon bijvoorbeeld in het Wels verschuiven naar een v, zoals in afal ‘appel’ (spreek uit met v). De mythische naam Avalon wordt geacht van Welse oorsprong te zijn en inderdaad te verwijzen naar appels, of appelbomen beter gezegd.

      • Luc Vanbrabant permalink
        24 oktober 2017 16:57

        Hartelijk dank voor die uitvoerige uitleg.
        Ik ben wat verder gaan zoeken bij het Keltische. Avallon in Bourgondië verwijst ook naar ‘appelboom’ via het Keltische ‘aballo’. Met één l, abalo, betekent het appel. Sommige auteurs zien een verwantschap met de Keltische god Abellio, maar andere etymologen gaan er niet mee akkoord. Toch was hij de beschermer van de fruitbomen…

  2. Walter permalink
    25 oktober 2017 11:35

    In de Germaanse godenleer was ‘Idunn of Iduna’ in de Asgard de bewaarster van de appels der jeugd, die de goden de eeuwige jeugd gaven.Idunn is oudnoords en zou ‘de verjongende’ betekenen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s