Skip to content

Regen

27 oktober 2017

De Hemel (Dyáus), het geweldige uitspansel, is een van de oudste godheden van de Indo-Europeanen. De Hemel is de Vader en, met de Aarde, de oorsprong van alles. Alle goden, Zon, Maan, Wind, Regen, Bliksem, Dageraad, en de rest, zijn kinderen van de Hemel. Dyáus omhult de Aarde en bevrucht haar met zijn zaad, dat wil zeggen, met regen.

Zo beschreef de Franse geleerde Alain Daniélou de oude Indiase voorstelling van de Hoge God boven alles en iedereen. De Indiërs noemden hem voluit Dyáus pitā, de Grieken Zeús patēr en de Romeinen Jūpiter. Alle drie zijn voortzettingen van de oudere vorm *Diēus ph2tēr, oftewel ‘Vader Hemel’, zoals zijn naam luidde bij hun (en onze) Indo-Europese voorouders. Waarschijnlijk leefden deze mensen oorspronkelijk duizenden jaren geleden als ruitervolk op het westereinde van de Steppe.

Het ligt voor de hand dat men in die tijd regen als innig verbonden met Vader Hemel zag. De nodige voorbeelden hiervan zijn verzameld door wijlen Martin West in zijn meesterwerk Indo-European Poetry and Myth van enkele jaren geleden. Zo horen we in de hoge liederen van de Ṛg-vedá, de oudste en belangrijkste godsdienstige overlevering van de Indiërs, menigmaal over Divó vṛṣtí-, de ‘regen van Dyáus’. Op eenzelfde wijze stuiten we in de Iliás, het beroemde Griekse heldendicht dat aan Hómēros wordt toegeschreven, op de vaste verbinding Diós ómbros, de ‘regen van Zeús’. Het mag ons overbodig voorkomen, deze verwijzing naar de Hemel bij het noemen van regen, maar het getuigt van het gevoel voor verhouding en de geestelijke ervaring die men in die tijd had.

Ons wat onwenniger en wellicht buitensporig is de bovengenoemde oude voorstelling van regen als het zaad van Vader Hemel. In dezelfde Ṛg-vedá wordt er namelijk gezongen van Divó rétas-, letterlijk de ‘zaadlozing van Dyáus’. Het is zijn zoon Parjánya die op gezette tijden de taak waarneemt en de Aarde met zijn zaad bevrucht. Parjánya- betekende in het Oudindisch ook gewoon ‘regen’ en ‘regenwolk’.

En ook hier is het de oude Griekse overlevering die ons eenzelfde beeld geeft. De beroemde dichter Aiskhúlos verhaalde zo’n 2500 jaar geleden hoe Ouranós en Khthón/Gaîa, oftewel ‘Hemel’ en ‘Aarde’, onder de invloed van Aphrodítē elkaar begeren in gemeenschap, zodat het regent en de Aarde zwanger raakt en al het groen en gewas kan baren. Bij de hervertelling door de dichter Euripídēs is het niet altijd Ouranós, maar soms ook Diós Aithēr, de ‘lucht van Zeús’, die als ‘voorvader van mannen en goden’ de bevruchting voor zijn rekening neemt. Hij maakt te meer duidelijk dat de grenzeloze aithēr die de Aarde in diens ‘vochtige omhelzing’ houdt eigenlijk één en dezelfde is als Zeús.

Terzijde, het voorkomen van twee hemelgoden in de Griekse wereldbeschouwing is wat verwarrend. Ouranós was ook het gewone Griekse woord voor ‘hemel, uitspansel’ en we kunnen met West stellen dat hier sprake is van een nieuwe personificatie van de hemel, nadat de voorstelling van Zeús in andere richtingen was ontwikkeld. Anderzijds is het mogelijk dat Ouranós de hemelgod van de oorspronkelijke, inheemse bevolking van Griekenland was, voordat er Indo-Europeanen waren neergestreken met hun taal en hun verering van Zeús. De onlangs overleden Nederlandse wortelkundige Robert Beekes wees er in elk geval op dat Zeús de enige oorspronkelijke Indo-Europese naam in het Griekse pantheon ware en dat ouranós als woord niet Indo-Europees lijkt.

Nu staat het niet vast dat de voorstelling van regen als hemelse bevruchting –of zelfs uitdrukkelijk als zaadlozing– daadwerkelijk uit Indo-Europese tijden stamt. De Indiërs en Grieken of hun rechtstreekse voorouders zouden deze onafhankelijk van elkaar kunnen hebben ontwikkeld of er kan sprake van ontlening zijn. Maar zoals gezegd ligt zo’n voorstelling voor de hand, te meer met betrekking tot een godheid als Vader Hemel. En haar aantoonbare voorkomen in twee verschillende Indo-Europese overleveringen is in elk geval genoeg om het volgende aannemelijk te maken.

Ons eigen regen zou namelijk wel eens eenzelfde voorstelling kunnen herbergen. Het gaat samen met onder meer IJslands regn en Engels rain terug op Oudgermaans *regna-, een woord dat vooralsnog moeilijk te duiden is gebleken. “Verdere herkomst onbekend” volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands bijvoorbeeld. Dit *regna- vereist een voorvorm als *Hregh-no- (met *H als nader te bepalen g-achtige klank), maar zo’n wortel *Hregh is verder niet met zekerheid aan te wijzen. De woorden die anderszins voor diens bestaan worden aangedragen, Latijn ir-rigō ‘een vloeistof heenleiden, bevochtigen’ en Albaans rrjedh ‘vloeien’, zijn namelijk evengoed zo niet eerder met andere wortels te verbinden.

Voordat we dan verder gaan is het goed om iets op te merken over de aard en vorm van Indo-Europese wortels. Deze hadden doorgaans drie hoofdvormen: een zogenaamde e-trap, o-trap en nultrap, zoals in *dhues-, *dhuos-, *dhus- ‘ademen, bezield zijn’, ons bekend van dwaas. Deze afwisseling binnen wortels moet ooit door een verschil in klemtoon zijn ontstaan en is in de Germaanse talen nog duidelijk aanwezig in de verbuiging van de sterke werkwoorden. Het kon vervolgens voorkomen dat er op grond van de nultrap een afleiding werd gemaakt met een nieuwe e-trap op de ‘verkeerde’ plek. Bij de hier genoemde wortel kon zo naast woorden met de nultrap *dhus- de afleiding *dheus-o- ontstaan, welke zich langs Oudgermaans *deuza- ontwikkelde tot Nederlands dier, eigenlijk dus ‘het bezielde’. Door dit verschijnsel kan het verband tussen bepaalde woorden en wortels wel eens over het hoofd worden gezien.

Zo bekeken is het mogelijk om *regna- te duiden als voortzetting van *h3reǵh-no-, een afleiding met nieuwe e-trap bij de bestaande Indo-Europese wortel *h3erǵh-, *h3orǵh-, *h3h. Deze is vooral bekend van het oorspronkelijke woord voor ‘teelbal’, overgeleverd als onder meer Hettitisch arki-, Grieks órkhis en Middeliers uirgge, en schuilt ook in Litouws eržùs ‘hitsig’ en er̃žilas ‘hengst’ en in Hettitisch arkari, ārki ‘copuleren, bespringen, dekken’, een oud werkwoord in de nultrap. Een oude afleiding is bovendien Oudgermaans *arga-, dat eigenlijk zoveel als ‘besprongen, gedekt als een merrie’ betekende en vandaar (zoals nog in Oudnoords argr) ‘wulps’ met betrekking tot vrouwen en ‘onmannelijk’, ‘verdorven, slecht’ en ‘laf’ met betrekking tot mannen. Nederlands erg en arg (in argwaan en arglistig) komen ook van *arga-.

Indien de voorloper van regen werkelijk van deze wortel is afgeleid, is het lastig om vast te stellen in welke betekenis beide toen werden gebruikt. Voor de wortel kunnen we, mede gezien de zeer oude afleiding voor ‘teelbal’, ervan uitgaan dat deze al vroeg ‘bevruchten’ betekende. Aangezien zulke abstracte betekenissen zich meestal ontwikkelen uit concrete, kan ‘bespringen, dekken’ alsnog de oorspronkelijke zijn geweest, maar evengoed iets als ‘lozen’ of ‘gieten’. In dat laatste geval zou regen heel eenvoudig en alledaags iets als ‘gieting’ kunnen hebben betekend. We kunnen dan zelfs overwegen dat het woord de oorspronkelijke e-trap bevat en juist de andere afleidingen een ‘verkeerde’ e-trap (en o-trap).

Maar het is ook goed mogelijk, gezien de Indiase en Griekse voorbeelden en het grote belang van vruchtbaarheid onder de godsdienstige Indo-Europeanen en andere volkeren van weleer, dat het woord regen binnen de Germaanse overlevering ooit een bewuste, dichterlijke verwijzing was naar de hemelse bevruchting – naar het zaad vergoten door Vader Hemel, de beschikker van de kosmische orde.

Beeld
Door Bernd Thaller. Enige rechten voorbehouden.

Verwijzingen

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Bjorvand, H. & F.O. Lindeman, Våre Arveord, revidert og utvidet utgave (Oslo, 2007)

Daniélou, A., Hindu Polytheism (New York, 1964)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Mayrhofer, M., Etymologisches Wörterbuch des Altindoarischen, I-III (Heidelberg 1992-2001)

Orel, V., Albanian Etymological Dictionary (Leiden, 1998)

Philippa, M., e.a., Etymologisch woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)

West, M.L., Indo-European Poetry and Myth (Oxford, 2007)

Advertenties
3 reacties leave one →
  1. Annelies permalink
    30 oktober 2017 20:50

    Eindelijk, eindelijk zijn de namen Zeus en Jupiter niet meer volslagen losstaand. Wat ook de oorspronkelijkste betekenis of vorm van regen is – ik leer door deze blogs zoveel interessante mogelijke verbanden zien met en tussen talen die ik totaal niet spreek… Dank u wel!

    • Olivier van Renswoude permalink*
      31 oktober 2017 10:29

      Ben blij dat het in goede aarde valt!

Trackbacks

  1. Zonne | Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s