Wild en zijn tegendeel

Kon ik twee woorden uit onze taal verbannen, dan zou ik tweemaal natuur kiezen. In het Latijn is het nagenoeg vanzelf ontstaan als nātūra naast onder meer nātus ‘geboren’ en nātiō ‘afkomst, stam, volk’, maar binnen het Nederlands is het een gekunstelde inlassing van elders, geheel niet in de geest van het begrip zelf. En dat terwijl we reeds over onze eigen, diepgewortelde woorden beschikken: de aard in de zin van het aangeborene, en het wild voor al dat zonder menselijk ingrijpen bestaat en gebeurt. Dat tweede woord helpt ons bovendien in het bedenken van een vervanging voor cultuur.

Hoewel het wild een verzelfstandiging is van wild, is het omgekeerd niet mogelijk om dat woord overal in stede van natuurlijk te gebruiken. Een wilde bron kan nog wel, maar het is bezwaarlijk te zeggen dat iemand een wilde dood is gestorven waar een natuurlijke dood bedoeld wordt. Vandaar dat ik denk aan het plechtigere wildzaam waar wild niet gelegen is. We kunnen dit begrijpen als een afleiding van zelfstandig wild zoals handzaam van hand, dan wel van bijvoeglijk wild zoals langzaam van lang. En anders valt ook nog wilds te overwegen, zoals aards bij aarde of groots bij groot.

Vervolgens is natuurkunde zeer goed in te ruilen voor wildkunde, de wetenschap die gericht is op de werking van het wild in ruime zin. Het Nederlands is gerust bijzonder te noemen zoals het beschikt over benamingen met -kunde voor verscheidene geleerdheden. Zo spreken wij ten eerste van wiskunde en scheikunde waar de meeste andere talen enkel een vorm van mathematiek en chemie gebruiken. Met natuurkunde onderscheiden we ons ook, maar heel onzwierig is het de enige kunde-benaming die met een leenwoord is samengesteld.

In een eerder stuk legde ik dracht voor ter vervanging van cultuur. Daar zat weinig fut in en was zo gauw als het verscheen weer vergeten.

Nu is het tegendeel van wild in zekere zin tam. Dat woord is afkomstig van een wortel voor ‘bedwingen’ en betekent eigenlijk ‘bedwongen’ of ‘in een toestand van bedwinging’. Hoewel het vanouds wordt gebruikt met betrekking tot dieren en gewassen, in het kader van domesticatie en cultivatie, zou het ook kunnen verwijzen naar de (zelf)beheersing van mensen – beschaving als het ware. Vergelijkbaar is hoe Wels diwylliant ‘cultivatie; cultuur’ is afgeleid van het werkwoord diwyllio ‘cultiveren; verlichten; vereren’, eigenlijk ‘ontwilden’. En aldus, zoals het wild van wild, zou ik cultuur willen vervangen door de afleiding het tam van tam.

timmerHet mooie hiervan is dat het tegelijk is op te vatten als behorend tot de wortel van betamen ‘passen’, betamelijk ‘welvoeglijk’ en timmeren. Dat laatste komt van het verloren timmer ‘bouw; bouwwerk, gebouw, vooral van hout; bouwstof, met name hout’ (de evenknie van Engels timber en Duits Zimmer). Het sterke werkwoord hierbij was temen, tam, getomen ‘voegen; bouwen’, met nog de vergeten afleiding tomst ‘voeging’, later tonst ‘overeenkomst’. Heel dit betekenisveld kenmerkt evengoed cultuur en cultivatie. Merk, zelf komt cultuur van Latijn cultūra ‘verzorging; bebouwing; vorming’.

Voor de vaststelling van het meervoud van het tam is het goed om te weten dat de m van bijvoeglijk tam oorspronkelijk kort was. De verbogen vorm ware dus eigenlijk tame, waarbij de a in open lettergreep staat en gerekt raakt. In Engels tame en Duits zahm, zahme is die gerekte, lange a veralgemeend, doch in Nederlands tam, tamme alsnog de korte. Zulke veralgemening is echter niet noodzakelijk, dus zelfstandig tam kan zonder bezwaar tamen als meervoud hebben, zoals daken bij dak, en vandaar ook tameren, zoals naast volken tevens volkeren in gebruik is.

Is het oppervlakkig en armoedig, dan spreken we van een wantam. Is het verdwaald of ontaard, dan een mistam. Wanneer bijvoeglijk tam niet geschikt is voor ‘cultureel’ en ‘gecultiveerd’ zijn ondertussen tamzaam en tams te gebruiken, zoals in tamse veelvoud voor ‘culturele diversiteit’. Andere vormingen zijn bijvoorbeeld tamerwende voor ‘culturele revolutie’ en tamerling voor ‘gecultiveerde, ontwikkelde persoon’, en evenredig aan wildernis ten slotte tamernis ter aanduiding van nagenoeg geheel getemde streken als Nederland en Vlaanderen.

Waarde lezer, overweeg de zin, eenvoud en klankkracht van het wild en het tam. En zeg het voort!

15 gedachtes over “Wild en zijn tegendeel

  1. Vurrukkulluk leesvoer, al mijn problemen verdwijnen als sneeuw voor de zon wanneer ik de toepasselijk- en ontoepasselijkheden van wild overdenk! Leuke stukjes, hartelijk dank!

    1. Dat is een schitterend woord, alleen vind ik de bijbehorende bijvoeglijke afleiding aardschappelijk zo omslachtig. En het wordt verwarrend in sommige verbanden en samenstellingen, zoals aardschapskunde in stede van natuurkunde, omdat het woord ondanks diens afleiding van aard de indruk wekt dat het over de aarde gaat en dus niet de heelalwijde natuur.

      1. Beste Olivier en Walter,

        Twents bied u de oplossing; “Eard” aard(e) en Oard (ge)aard(heid).

        Dit maakt dan de mogelijkheid voor “Aardschap” => “Oardschip” / “Oardkunde” of “Oardwit”, tegenover die andre Aard- => “Eardschip” / “Eardkunde” en “Eardwit”. Dit kan natuurlijk vereenvoudigd gespeld worden naar het voorbeeld van de nieuwsaksischeschrijfwijze als: “Årdskip” tegen “Ærdskip”, dus stel ik voor dat de rest van Nederland eens een les Twents gaat volgen.

        Immers: “Tuvænsk is dn neye wærldspråke”.

        Jeroen H.

      2. In het Twents is inderdaad geen verwarring tussen de twee woorden. Maar hoe is dat een oplossing voor het Nederlands?

  2. Geachte heer van Renswoude, beste Olivier,

    Die ‘wilde dood’ zou mijns inziens niet misstaan op mijn grafsteen.
    Tamerling vind ik overigens een schitterend woord en diens betekenis teemt u geheel en al.

    Met vriendelijke groet,

    Maddie J. Suykerbuyck

    1. Beste Maddie,

      Dat is te veel eer, maar ik zal pogen de naam waar te maken. En wie weet hoeveel rake woorden er nog wachten om tot ons te komen – als we maar de juiste instelling hebben…

      Met hartelijke groet,
      Olivier

    1. Dat zou wat zijn! Maar bij die keuze verkies ik toch enigerhande Oudsaksisch met zijn zwierige boekstaf đ. Aan het begin van woorden werd dezelfde klank met th gespeld, maar daarvoor kunnen we alsnog þ aanwenden.

      1. Wis, den đ hef wal wat is dät nich; “dh” okwal stimloze “th”?

        Ðus is’t se anzeggd, âl up’t plat, van now ån.

      2. De đ stond in het Oudsaksisch voor zowel stemloze als stemhebbende /th/. Vergelijk het Oudengels, waar ð en þ inwisselbare boekstaven waren, ook aan het begin van woorden. Het hedendaagse IJslands daarentegen heeft nu steevast þ aan het begin van woorden en ð elders.

  3. Mooie vondsten, wild en tam in stede van natuur en cultuur.
    Maar met “wildkunde” kan ik niet uit de voeten, dit doet mij veeleer aan biologie of oekologie denken dan aan de fysica. Nou geldt hetzelfde ook wel in mindere mate voor het huidige natuurkunde.

    1. Voor mij werkt het, maar ik geef toe dat het een grote omschakeling vergt.

      Er zijn nog andere mogelijkheden. Zo had ik onlangs bedacht het leenwoord materie te vereenvoudigen tot mater, hetgeen evengoed als afleiding van meten is op te vatten. Materie wordt immers gekenmerkt door volume (grootte in de ruimte) en dus maat en metelijkheid.

      En zo kan de natuurkunde, die zich vooral met materie bezighoudt, ook materkunde heten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.