Eg gangi í tokuni

Aan het einde van haar wat onheilspellende lied Í tokuni zingt Eivør Pálsdottir over het dolen í endaleysu óvissuni ‘in het eindeloze onwisse’, een helderheid in het ons veelal nevelige Faeröers. Sommige streektaligen hier zullen meer van haar spraak begrijpen, waaronder de naam van het lied.

Verwantschap
Veel van de woorden die ze gebruikt, zoals we dadelijk gaan horen en lezen, zijn te herkennen vanuit het Nederlands, een taal die menigeen verwant weet aan het Faeröers. Beide zijn net als onder meer het Deens, Duits en Engels vertakkingen van het Oudgermaans, dat aan het begin van onze jaartelling gesproken werd in onze streken en verder naar het oosten en noorden, niet op de Faeröer noch in IJsland of Brittannië, streken die pas later door Germanen betrokken zijn.

Gelijk de andere Noordgermaanse talen wijkt het Faeröers in een bijzonder opzicht behoorlijk af van wat wij gewend zijn. Zelfstandige naamwoorden krijgen geen voorafgaand lidwoord maar een achtervoegsel dat al dan niet verbogen wordt. Zo is het bijvoorbeeld toka ‘mist’ en í toku ‘in mist’, doch bepaald tokan ‘de mist’ en í tokuni ‘in de mist’ enzovoort.

Dit zal te meer de aandacht van sommige lezers vangen, want inderdaad: Faeröers toka is de volle evenknie van Gronings en Drents dook ‘mist, nevel’. Mogelijk bestaat het ook nog in delen in Holland en Noord-Brabant, maar in de algemene taal is het niet in gebruik. De herkomst van dit woord is net zo moeilijk te doorzien als hetgeen waar het naar verwijst, maar we zullen na het lied een poging wagen.

Gangi í tokuni
Eina í djúpu kvirruni
Síggi ongar varðar
Burtur allir garðar
Rópi men eingin svarar
Loop in de mist
Alleen in de diepe stilte
Zie geen steenhopen
Weg alle hofsteden
Roep maar niemand antwoordt
Inn ímillum gloppini
Í mjørkaklæddu náttini
Hómi eg skuggar
Tykist sum okkurt rørir seg har
Rópi men eingin svarar mær
Tussen de spleten in
In de nevelgeklede nacht
Ontwaar ik vaag schaduwen
Lijkt alsof iets zich roert daar
Roep maar niemand antwoordt mij
Vinur, vinur sært tú meg?
Gangi her í tokuni
Hevur tú reikað líka sum eg
Í deyðadjúpu kvirruni?
Vriend, vriend zie je mij?
Loop hier in de mist
Heb je gedoold zoals ik
In de doodsdiepe stilte?
Sást tú gøtuljósini
Lýsa í bygdini?
Sást tú hvat tey gjørdu har?
Minnist tú hvussu støðan var?
Leitaði nakar eftir mær?
Zag je de straatlichten
Branden in het dorp?
Zag je wat ze deden daar?
Weet je nog hoe de toestand was?
Zocht er iemand naar mij?
Vinur, vinur sært tú meg?
Gangi her í tokuni
Hevur tú reikað líka sum eg
Í deyðadjúpu kvirruni?
Vriend, vriend zie je mij?
Loop hier in de mist
Heb je gedoold zoals ik
In de doodsdiepe stilte?
Hevur tú eins og eg
Gingið í tokuni
Burturvilst frá slóðini
Ytst á fjallatromini?
Kennir tú hetta einsemið?
Heb je net als ik
Gelopen in de mist
Verdwaald van het spoor
Buiten aan de bergrand?
Ken je deze eenzaamheid?
Vinur, vinur skilir tú meg?
Veitst tú nakran loyniveg?
Hevur tú reikað líka sum eg
Í endaleysu óvissuni?
Vriend, vriend begrijp je mij?
Weet je enige geheime weg?
Heb je gedoold zoals ik
In het eindeloze onwisse?
Vinur, vinur skilir tú meg?
Veitst tú ongan loyniveg?
Hevur tú reikað líka sum eg
Í endaleysu tokuni?
Vriend, vriend begrijp je mij?
Weet je geen geheime weg?
Heb je gedoold zoals ik
In de eindeloze mist?

Ook te herkennen
De varðar en garðar die aan het begin genoemd worden zijn meervoud van varði en garður. Het eerste woord verwijst naar iedere steenhoop die op de eilanden dienst doet als wegaanduiding en deelt zijn oorsprong met Middelnederlands warde, waerde ‘wacht, hoede, opmerkzaamheid’. Met het andere woord bedoelt men een tuin of stenen omheining, maar zoals in dit geval ook het boerenerf met huis. Het beantwoordt uiteraard aan ons gaard.

Het woord glopp ‘spleet’ zal men in meerdere streken hier herkennen, gezien evenknieën als Zaans glop ‘open ruimte’ en Drents glop, gloppe ‘opening, meestal in de heg’. Het vervolgens genoemde kvirra ‘stilte’ is een afleiding van kvirrur ‘stil’ en dat beantwoordt aan Fries kwier ‘bevallig, lieftallig’ (en Duits kirre ‘mak, gedwee’). En uiteindelijk is slóð ‘spoor, pad’ hetzelfde woord als Zeeuws sloeə ‘hazenspoor; vaargeul’ en Twents sloa ‘pad door het sneeuw’.

Moeilijk te zien
De ster hier is echter toka ‘mist, nevel’, dat zoals gezegd hoort bij Gronings en Drents dook. Het is ook het antwoord op een Gronings raadsel: n hoes vol en n laand vol, en nòg gain haandvol ‘een huis vol en een land vol, en nog geen handvol’. Samen gaan ze met onder meer IJslands þoka en Deens tåge terug op Oudgermaans *þukōn. Waar de verdere oorsprong ligt is niet helder.

De enige wisse verwanten, eerder afleidingen ervan, zijn Zweeds töcken ‘mist, nevel’ en Oudengels þuxian, þuhsian ‘misten, nevelen, duisteren’. Geleerden hebben voorgesteld dat het afkomstig is van dezelfde wortel als Nederlands duister, Fries tjuster, Oudsaksisch thiustri en Oudengels þíestre, als we mogen aannemen dat die teruggaan op *þeuhstrijaz (zie noot).

In sommige naslagwerken wordt *þukōn ‘mist, nevel’ gezien als de klankwettige voortzetting van ouder, Indo-Europees *tugeh2 bij de bekende wortel *teu(H)- ‘zwellen’. Dit is mogelijk, maar een dergelijke zogenaamde wortelduiding is minder aantrekkelijk dan aansluiting bij bestaande woorden, liefst in het Germaans zelf.

Te denken valt dan aan de groep van Faeröers toka ‘dwingen, dringen, duwen, vorderen’, Oudnoords þoka ‘bewegen; wijken’, IJslands þoka ‘langzaam bewegen, een beetje veranderen’ en Oudengels þocerian ‘rondrennen’. Dat laatste woord is verlengd en zijn betekenis is mogelijk ontstaan vanuit iets als ‘driften’. Al deze gaan terug op Oudgermaans *þukōną. Daarnaast bestaat Noors tjuka ‘tastend zoeken (in het donker); voortduwen’, van Oudgermaans *þeukaną. De onderliggende Indo-Europese wortel is *teug-, *tug-, anderszins bekend van onder meer Oudindisch toj- ‘stoten, voortdrijven’.

In dit geval zou de mist vernoemd zijn naar het vermogen om opeens aan te komen drijven en ook even snel weer te verdwijnen, zodat mensen verrast worden en dolen í tokuni.

Noot
Heidermanns (1993) stelt als volgt. Er was een grondvorm *þemstraz (de evenknie van o.a. Oudindisch támisra- ‘duister’) die zich ten eerste klankwettig ontwikkelde tot Middelhoogduits dimster en dinster. Door verhaspeling met *þeuk- ‘mist, nevel, duister’, een niet overgeleverde verwant van *þukōn, ontstonden twee nieuwe vormen. Het ene *þeuhstraz werd vervolgens verlengd tot *þeuhstrijaz en leidde tot o.a. Nederlands duister. Het andere *þeumstraz ontwikkelde zich tot Middelnederlands deemster en Middelhoogduits dienster.

Dit is zeer bezwaarlijk, met name het moeten aannemen van het bestaan van een *þeuk- ‘mist, nevel, duister’. Daarnaast blijkt uit de evenknieën buiten het Germaans dat de grondvorm evengoed *þemestraz geweest kan zijn. En die vorm kon zich gemakkelijk klankwettig ontwikkelen tot zowel *þimistr- als een verkort *þimstr-, waaruit deemster, dimster, dienster en dinster te verklaren zijn.

Gąsiorowski (2012) stelt dat *þemes- na verkorting tot *þims- kon veranderen in *þiws- en uiteindelijk *þius-, vanwaar dan duister e.d. Hij geeft geen andere voorbeelden van een dergelijke klankontwikkeling, dus ook deze duiding is niet overtuigend. Het moet evenwel gezegd worden dat hij deze in een noot geeft en er geen afzonderlijk stuk aan gewijd heeft. De herkomst van duister e.d. is dus nog onwis.

Verwijzingen

Blöndal Magnússon, Á., Íslensk orðsifjabók (Reykjavik, 1989)

Gąsiorowski, P., “The Germanic reflexes of PIE *-sr- in the context of Verner’s Law”, in B. Nielsen-Whitehead e.a. (eds.), The Sound of Indo-European: Phonetics, Phonemics, and Morphophonemics (Kopenhagen, 2012), blz. 117–28

Ghijsen, H., Woordenboek der Zeeuwse Dialecten (’s-Gravenhage, 1964)

Heidermanns, F., Etymologisches Wörterbuch der germanischen Primäradjektive (Berlijn, 1993)

Holthausen, F., Altenglisches etymologisches Wörterbuch, 2. Auflage (Heidelberg, 1963)

INL, Wurdboek fan de Fryske taal (webuitgave)

INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Kocks, G.H., Woordenboek van de Drentse dialecten, 2 delen (Assen, 1996–2000)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Laan, K. ter, Nieuw Groninger woordenboek, tweede druk (Groningen, 1989)

Mayrhofer, M., Etymologisches Wörterbuch des Altindoarischen, I-III (Heidelberg 1992-2001)

Pokorny, J., Indogermanisches etymologisches Wörterbuch (Bern, 1959)

Rix, H., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Vries, J. de, Altnordisches etymologisches Wörterbuch (Leiden, 1962)

Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk (’s-Gravenhage, 2003)

Young, G.V.C. & C.R. Clewer, Føroysk-ensk orðabók (Faroese-English Dictionary) (Kildare, 1985)

2 gedachtes over “Eg gangi í tokuni

  1. Op het Haspengouwse leemplateau in Limburg ontspringt de Demer en mondt uit in de Dijle in Vlaams-Brabant. Deze is afgeleid van de stam *tem- met de betekenis ‘donker’, ook bewaard in Nederlands ‘deemster’. Demer uit ouder *Tamara betekent dan ‘de donkere’ (rivier). Gysseling denkt eerder aan *tam- met de betekenis ‘uitbuigend, schitterend’, waarvan ook de Theems en Temse zijn afgeleid. Demer betekent dan eerder ‘de bochtige’. (Uit De Vlaamse Waternamen Deel I verklarend en geïllustreerd woordenboek, Peeters 2016)

    1. Gysseling is berucht om het uit de lucht grijpen van allerhande wortels, vaak met betekenissen als ‘uitbuigend’ of ‘schitterend’, in zijn duiding van stroomnamen.

      Aan Demer en andere Belgse stroomnamen heb ik overigens al eens een stuk gewijd.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.