De Huigen en het Humsterland

Welk Germaans volk werd er in de vroege middeleeuwen in Béowulf en andere werken bedoeld met de Huigen? En klopt het vermoeden van sommige geleerden dat de oude Friese gouwnaam Hugumarchi, nu het Humsterland in Groningen, een herinnering aan deze mensen bewaart?

Geschiedschrijvers
De naam van dit volk of geslacht duikt slechts enkele keren op in de overlevering en wel zodanig dat het uiteindelijk onduidelijk is wie of wat deze mensen waren en waar hun oorsprong te zoeken is. Sommige onderzoekers, waaronder de Amerikaanse geschiedkundige Walter Goffart, hebben betoogd dat de naam tamelijk laat in de middeleeuwen is bedacht en met terugwerkende kracht gebruikt werd voor mensen in eerdere eeuwen.

Onze eerste bron in dezen is de tiende-eeuwse Res gestae Saxonicae van de geschiedschrijver Widukind van de abdij Corvey, gelegen aan de Wezer in Westfalen. Deze man is niet te verwarren met (doch mogelijk een nazaat van) de Widukind die rond het jaar 800 als leider der Saksen in oorlog verwikkeld was met Karel de Grote, koning der Franken.

In het werk wordt verteld hoe ene Huga koning der Franken was en bij zijn dood alleen een dochter Amalberga had achtergelaten als rechtmatige erfgename. Zij was echter door hem gehuwd aan Irminfrid, koning der Thuringen, en de Franken hadden als vorst liever Thiadric, een bastaardzoon van Huga. Deze zou vervolgens met de hulp van de Saksen erin geslaagd zijn om Irminfrid te verslaan en het koninkrijk der Thuringen te veroveren.

Uit andere bronnen weten we dat dit tussen 531 en 534 gebeurd moet zijn en wel onder leiding van Theuderic I, zoon van Chlodovech, de eerste koning der Franken. (Thiadric is slechts een latere, noordelijke vorm van Theuderic.) Dat betekent dat Huga een bijnaam was van Chlodovech, of dat Widukind of een van zijn voorgangers dwaalde, en anders dat Widukind bewust de boel verdraaide. In elk geval was Amalberga weliswaar de vrouw van Irminfrid maar niet de dochter van Chlodovech; ze was een nicht van de Gotenkoning Theodoric de Grote.

Als tweede bron hebben we de jaarboeken van de abdij van Quedlinburg in wat nu Saksen-Anhalt is, geschreven in de vroege elfde eeuw. Hier is het niet Chlodovech maar zijn zoon die de opmerkelijke bijnaam heeft: Hugo Theodoricus iste dicitur, id est Francus, quia olim omnes Franci Hugones vocabantur a suo quondam duce Hugone. (‘Hugo heet deze Theodoric, dat is “de Frank”, omdat vroeger alle Franken Hugones werden genoemd, naar een wisse leider Hugo.’)

Zo gezien dient deze bijnaam dus om de Frankse Theodoric te onderscheiden van de hierboven genoemde Gootse Theodoric. Te meer, met Theodoric als voorloper van de Duitse naam Dietrich, is deze man moeilijk los te zien van een held van de latere Duitse overlevering: Hugdietrich, vader van Wolfdietrich. Hoewel het oudste gedicht over Hugdietrich uit 1230 stamt zal het verhaal zelf reeds lang in de mondelinge overlevering hebben bestaan, een herinnering aan Chlodovech en zijn zoon. Het is niet onaannemelijk dat de geschiedschrijvers daaruit geput hebben.

De naam
Hugo moet men destijds met lange klinker uitgesproken hebben, dus Húgo. Het was namelijk de lange /uː/, niet de korte /u/, die zich klankwettig ontwikkelde tot een Nederlandse ui. De Nederlandse voortzetting van de naam is dan ook Huig. Deze schuilt tevens in de achternamen Huigen en Huigens ‘zoon van Huig’ en in de tweeledige, enigszins verbasterde mansnaam Huibert, van ouder Húgberht.

Hoogstwaarschijnlijk is Húgo afgeleid van een werkwoord dat nog overleeft als Drents, Gronings hoegen, hugen ‘verlangend loeren, smachten, schooien’. Men hoegt of huugt op iets (of iemand) ‘zoals een hond op een zieke koe’. Het is een wolfse naam en waarschijnlijk zelfs een oude dichterlijke naam van de wolf in het algemeen. In de oude Germaanse wereld was het gewoon voor jonge mannen om als roedels op rooftocht te gaan en zo andere stammen te teisteren. Het woord wolf was dan ook een van de meest geliefde in de samenstelling van namen.

Elene
Gebruik van deze naam voor een volk of geslacht vinden we ook in de overlevering van onze overzeese westerburen. In het Oudengelse gedicht Elene, dat op zijn laatst in de tiende eeuw gemaakt is en mogelijk al in 750, wordt aan het begin verteld hoe de Romeinse keizer Constantijn de Grote slag leverde tegen de Húnas (Hunnen) en Hréðgotan (Goten), en tevens tegen de Francan ond Húgas (Franken en Huigen).

Het is bekend dat Constantijn in Gallië aan het begin van de vierde eeuw meerdere malen de overwinning behaalde op heerscharen van de Franken, die telkens een poging waagden om zuidwaarts over de Rijn uit te breiden. Ze waren een los verbond van eerdere Germaanse stammen in wat nu Nederland en Noordwest-Duitsland zijn en slaagden er later in om een plek te verwerven en namens het Rijk ‘de grenzen te bewaken’ tegen andere Germanen, voordat ze Gallië in Frankrijk veranderden.

Wie bedoelde deze Engelse dichter toen hij de Huigen noemde, los van de Franken? Had hij enig benul of herhaalde hij slechts wat hij van voorgangers gehoord had? Andere Germanen die Gallië bestookten en door Constantijn bestreden werden waren in elk geval de Chamavi, Bructeri, Cherusci en Alamanni. Van die laatste wonen de nazaten thans in Zuidwest-Duitsland, Zwitserland en de Elzas, de reden dat Duitsland Allemagne heet in het Frans.

Béowulf
Het tweede Oudengelse werk waarin de Huigen genoemd worden is het bekende heldendicht Béowulf, dat ergens tussen de achtste en de elfde eeuw geschreven moet zijn en door geleerden is vernoemd naar de held erin. Het speelt zich grotendeels af in Denemarken en Zweden, maar herinnert maar liefst vier verschillende keren de noodlottige rooftocht van Hygelác koning der Goten (van Göteland in Zweden) met zijn vloot en zijn neef Béowulf naar het zuiden. Ondanks de bijkomende aanwijzingen inzake de Huigen is het voor hedendaagse lezers moeilijk te begrijpen hoe de genoemde volken zich tot elkaar verhouden.

In hoofdstuk 18 wordt gezegd dat Hygelác met zijn rooftocht een vete met de Friezen ontketende en dat zijn leven en heergewaad daardoor in handen van de Franken(!) kwamen. In hoofdstuk 33 wordt uitdrukkelijk gezegd dat de rooftocht in Friesland was en dat er verdedigd werd door een volk genaamd de Hetware. Hoofdstuk 35 vertelt hoe Béowulf tijdens het gevecht ene Dæghrefn doodde, een krijger van de Húgas en hoe die geen buit meer kon geven aan de koning der Friezen. Ten slotte lezen we in hoofdstuk 40 dat de rooftocht te Friesland was, dat er tegen Húgas gevochten was, ook tegen Hetware, hoe de Friezen en Franken na Béowulfs dood wraak zullen nemen, en hoe de Merewíoing de Goten sinds die rooftocht niet gunstig gezind is.

Dat deze rooftocht geen verzinsel van de Engelse dichter was bewijst de vermelding door Frankse geschiedschrijvers, ten eerste Gregorius van Tours (±538–594) in de Historia Francorum. Daarin lezen we dat er rond het jaar 521 een Deense(!) vloot ergens in Gallië(!) landde ter plundering. Theuderic, dezelfde koning die volgens de bovengenoemde geschiedschrijvers ook Hugo heette danwel zoon van Huga was, stuurde daarop zijn zoon Theudebert om de Denen te onderscheppen. Die slaagde daarin en doodde de Deense koning Chlochilaich.

In een latere geschiedschrijving, de achtste-eeuwse Liber historiae Francorum, wordt het voorval herhaald en bovendien toegevoegd dat het zich afspeelde in de gouw van de Attoarii. Daar is een begin-h weggevallen, want elders komen we hen tegen als Hattuarii en reeds aan het begin van onze jaartelling noemt de Griekse geschiedkundige Strábōn hen als Chattuarii, in een tijd dat de Germaanse h nog werd uitgesproken als een wrijfklank zoals in ach.

Volgens gangbaar inzicht was hun woongebied in de zesde eeuw, door geschiedkundigen de Hettergouw genoemd, gelegen langs de Rijn in wat nu Limburg en omstreken is. Overduidelijk is het dezelfde naam als de in Béowulf genoemde Hetware, al is die in Oudengelse vorm. En juist die onafhankelijke Oudengelse vorm is een van de aanwijzingen dat de dichter van Béowulf niet uit die Frankse bron geleerd had van die rooftocht, en eerder putte uit een andere, rechtstreekse overlevering van het voorval. Hetzelfde geldt overigens ook voor Merewíoing in stede van Meroving, ter aanduiding van de Frankse koning, indertijd een afstammeling van Merovech, zoals ook Chlodovech.

In het laatste werk dat hier terzake doet, de Latijnse Liber Monstrorum uit de zevende of achtste eeuw in Engeland, wordt heel kort gewag gemaakt van ene Higlacus Getarum rex, oftewel dezelfde Hygelác koning der Goten. Die was volgens dit werk op zijn twaalfde al zo groot dat geen ros hem kon dragen. (De rossen van toen waren een stuk kleiner.) Hij werd gedood door de Franken(!) en zijn botten zijn bewaard op een eiland in de Rijn in de buurt van diens zeemonding. Ze worden zelfs als een wonder getoond aan reizigers van verre.

Friezen, Huigen?
De verschillende bronnen tezamen genomen lijkt het een veilige aanname dat de Gotenkoning op zijn rooftocht werd gedood door een Franks leger ergens aan de Rijn in wat nu Nederland is. Zoals gezegd waren de Franken een verbond van eerdere stammen. Gezien hun ligging ruwweg zullen de Hattuarii daar een van geweest zijn. Naburig waren evenwel de Friezen, die langs de kust aan beide zijden van de Rijn woonden. Het is mogelijk dat de dichter van Béowulf niet helemaal wist wat de verhoudingen waren of zijn toehoorders juist aan oude banden tussen Friezen en Franken herinnerde, banden die ons ontgaan.

De Friese landen aan weerszijden van het Vlie begonnen in de derde eeuw leeg te lopen, net in de tijd dat de Franken gevormd werden en zuidwaarts trokken. Het is dus aannemelijk dat de Franken voor een groot deel uit Friezen bestonden. Of dat die verhuisde Friezen eerst nog afzonderlijk werden gezien, naast de oorspronkelijke Franken, en dat ze later allemaal onder de Franken werden geschaard, ook door zichzelf. De achtergebleven Friezen in het noorden werden aangevuld door andere Germanen, vermoedelijk uit Drenthe, maar ook verder naar het noordoosten, en ongetwijfeld ook terugkerende Friezen.

Het is voorts mogelijk dat een geslacht van die weggetrokken Friezen bekend was geworden als Huigen, naar een vroege leider, de naam een dichterlijke en trotse verwijzing naar de wolven die hij en de zijnen geworden waren, jegens have en goed van volk in het zuiden. De reeds genoemde naamsvormen Huga en Thiadric lijken dat ook te staven, want -a als mannelijke uitgang en -ia- als voortzetting van ouder -eu- zijn klankontwikkelingen die vanouds de streektalen langs de kust kenmerken, zoals het Fries.

Met de beperkte gegevens die we in dezen tot onze beschikking hebben zijn dit weliswaar weinig meer dan gissingen, maar ze dienen niettemin om aan te geven dat de dichter van Béowulf niet noodzakelijkerwijs beticht hoeft te worden van verbeelding of verwarring. En zoals gezegd bevat het werk met onder meer Hetware, Húgas en Merewíoing naamsvormen die veeleer afkomstig zijn uit rechtstreekse, eigen overlevering dan langs het werk van Franken, die het bovendien over een Deense koning hebben, niet een Gootse.

Dat maakt van het Engelse heldendicht een onafhankelijke herinnering aan de rooftocht, aan de Huigen en alles eromheen, zoals ook betoogd door geleerden als Tom Shippey. Minder overtuigend is dan de inbreng van de geschiedkundige Walter Goffart, die stelt dat de Frankse schrijvers de naam Hugones met terugwerkende kracht door verbeelding of onkunde hebben verheven als geslachts- of volksnaam en dat die en andere namen vervolgens door de dichters van Elene en Béowulf zijn overgenomen. Goffart rept er niet van, maar zijn stelling vereist dat de dichters die namen verengelsten, en wel zo goed dat ze niet te onderscheiden zijn van hun verwachte vormen als ze uit rechtstreekse, eigen overlevering waren gekomen.

De Huigen en het Humsterland
Over de Huigen is nog niet alles gezegd. Hun naam is meerdere malen in verband gebracht met Chauci, de verlatijnste naam van een Germaanse stam die in de eerste eeuwen van onze jaartelling in het Waddengebied woonde, kennelijk westelijk tot in Groningen. De oorspronkelijke, Oudgermaanse vorm van hun naam was *Hauhōz en betekende ‘Hogen’, hoewel het niet duidelijk is in welke zin: de hooggeborenen, de hoog op heuvels wonenden of de hogen van lijf.

*Hūg- en *Hauh- zouden volgens deze duiding aan elkaar verwant zijn, van dezelfde wortel komen, en de Huigen zouden daarom zelfs met de Chauci te vereenzelvigen zijn. Dit is echter bij voorbaat moeilijk te aanvaarden, ten eerste omdat een dergelijke afwisseling van naamsvormen heel zeldzaam is, zo niet zonder weerga, ten tweede omdat er van deze wortel anderszins geen spoor is van woorden of namen met de stamvorm *hūg-. Te meer, de naam Huig-/*Hūg- is zoals gezegd heel goed te duiden als afleiding van een werkwoord voor ‘loerend verlangen, smachten’, zoals voortgezet door Gronings en Drents hoegen, hugen. En dat is een volstrekt andere wortel.

Los daarvan, geleerden als Maurits Gysseling en René Derolez hebben gemeend de oude Friese gouwnaam Hugumarchi te kunnen begrijpen als de ‘mark der Huigen’, oftewel de ‘grensstreek der Huigen’. Indien waar zou dat opgevoerd kunnen worden als steun voor de vereenzelviging van Huigen en Chauci, want die gouw ligt inderdaad net daar waar de westelijke grens van de Chauci eens eindigde volgens de gangbare opvatting.

De betekenis van Hugumarchi
Dat vergt een nadere beschouwing, te beginnen met de verschillende vormen waarin deze gouwnaam is overgeleverd. Naast Hugumarchi vinden we aanvankelijk onder meer Hugemerke, Hugmerchi, Humerki en Hummerck. De -ch- staat hier mogelijk voor /ts/, want indien er een /i/ op volgde werd de Germaanse k in de regel een Oudfriese ts, vaak gespeld als z. Inderdaad, later overgeleverde vormen zijn Hummerze en Hummerse. Later werd de uitgang -ster of -er voor inwoners erachter gevoegd en verlengd met -land, met uiteindelijk Humsterland zoals de streeknaam thans in Groningen luidt. (Op de kaart hierboven net rechts van het midden.)

Reeds in 1882 is de verbinding met enige volksnaam streng afgewezen door de Duitse geleerde Karl von Richthofen, een grondlegger op het gebied van het Oudfries en het Friese recht. Hij wijst erop dat het tweede lid in de samenstelling, een voortzetting van Oudgermaans *markijō, in Friese streken al vroeg een andere betekenis heeft gekregen, zoals blijkt in een andere samenstelling: hêmmerke (met hêm ‘heem’). Dat betekende ‘gemeenschappelijk land, dorpsgrond, dorpsgemeente’. Afzonderlijk kon het woord verwijzen naar ‘onverdeelde gronden’. Van de ‘grensstreek’ van een volk hoeft dus geen sprake te zijn.

Von Richthofen denkt voor het eerste lid in Hugumarchi aan een woord voor een paalwerk ten behoeve van de visvangst. Zo wordt in een negende-eeuwse oorkonde met betrekking tot de visserij aan de Wezer in het Saksische oosten gesproken van palorum quos incolae hocas vocant (‘palen die de bewoners hocas noemen’). Dit is ongetwijfeld een evenknie van Oudengels hóc ‘haak, haak aan het einde van een paal o.i.d. voor vangst’ en Nederlands hoek. De voorloper is Oudgermaans *hōkaz. En dat maakt ook gelijk een einde aan deze duiding, want dat woord zou zich met geen mogelijkheid klankwettig ontwikkeld hebben tot Oudfries **hug-, laat staan **hugu-. Inderdaad, de daadwerkelijk overgeleverde voortzetting is Fries hoek ‘vishaak’.

Waar slaat het eerste lid van Hugumarchi dan wel op? Om te beginnen, latere vormen als Homerslant en Hompsterlandt bewijzen dat de eerste klinker in het woord oorspronkelijk kort was. Een Germaanse lange zou geen o worden, terwijl een korte *u in de regel in veel gevallen verhoogd raakte tot een o. Een *u of *i in de volgende lettergreep kon dat echter verhinderen. In de vormen met -u- is die verandering verhinderd, maar in de vormen met -o- is de verhoging toch gebeurd omdat de *u in de volgende lettergreep kennelijk vrij vroeg ingeslikt of verzwakt raakte. De vormen konden naast elkaar bestaan door streekverschillen.

Naar het zich laat aanzien is de voorloper van hugu- vast te stellen als Oudgermaans *huguz, met een zogenaamde u-stamverbuiging. En zoals we weten van u-stammen: die werden in de dochtertalen vaak omgevormd tot i-stammen. Dat zou in dit geval neerkomen op *hugiz. Net die twee vormen zijn mogelijk als voorloper Oostfaals höge ‘heuvel’ en verouderd Duits Hug ‘heuvel’. Verkleiningen zijn bovendien Duits Hügel ‘heuvel’ en Oudnoords Hugl, de naam van een eiland in Hardangerfjorden, Noorwegen. Verwant zijn bovendien Zwitsers Hoger ‘bult’ en Oudnoords haugr ‘heuvel’, alsmede Nederlands hoog ‘verheven’ en zijn evenknieën in de zustertalen.

Dat betekent dat Hugumarchi oorspronkelijk verwijst naar hooggelegen dorpsgrond. Dit sluit goed aan bij de landschappelijke gesteldheid indertijd, want dit is een van de streken van Groningen die in de vroege middeleeuwen, toen de bedijkingen nog niet begonnen waren, regelmatig onderliepen bij hoogtij en waar nederzettingen gevestigd waren op kunstmatige heuvels: wierden. In Friesland heten ze terpen, letterlijk ‘dorpen’.

Besluit
In verscheidene vroegmiddeleeuwse bronnen stuiten we op vormen van de naam Huigen voor een wis volk of geslacht. Hiermee bedoelde men destijds de Franken zelf en anders een groep die in nauw verband met zowel de Franken als de Friezen stond. Een mogelijke oplossing voor deze verwarrende verhoudingen is dat de naam aanvankelijk sloeg op (de leider van) een groep van zuidwaarts getrokken Friezen, die later opgingen in de Franken, een verbond van eerdere stammen.

Verbinding met de Friese gouwnaam Hugumarchi, voorloper van de Groningse streeknaam Humsterland stuit op grote bezwaren, taalkundig en anderszins. We hebben daar veeleer te denken aan een oude benaming van ‘hooggelegen dorpsgrond’, zoals goed aansluit bij het landschap in die eeuwen.

Tot slot, gezien haar afleiding was de Oudgermaanse benaming *Hūgaz (zwak verbogen *Hūgō) oorspronkelijk wel een dichterlijke omschrijving van de wolf en dus ook voor de krijger volgens Germaanse verwachtingen. Het is daarom tekenend dat de Huigen en de andere, overwegend Germaanse vijanden van de Romeinse keizer Constantijn in het Oudengelse gedicht Elene ook worden omschreven als een wulf, en wel een die wælrúne ne máð ‘slachtgedachten niet verhulde’.

Canis lupus 77, Wolf, Saxifraga-Bart Vastenhouw

Beelden
Uitsnede van een 16e-eeuwse kaart. Beschikbaar gesteld door Beeldbank Groningen.
Wolf door Saxifraga / Bart Vastenhouw. Enige rechten voorbehouden.
Verwijzingen

Braune, W., Althochdeutsche Grammatik (Halle, 1886)

Chickering, H.D. Jr. (transl.), Beowulf: A Dual Language Edition (New York, 2006)

Derolez, R., “Cross-Channel language ties”, in Anglo-Saxon England, Vol. 3 (1974), blz. 1–14

Goffart, W., “Hetware and Hugas: Datable Anachronisms in Beowulf”, in C. Chase (ed.), The Dating Beowulf (Toronto, 1997), blz. 83–100

Gysseling, M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (webuitgave)

Miedema, H.T.J., “Hokwerd en Oldehove in Friesland”, in Naamkunde, jaargang 15 (1983)

Neidorf, L. (ed.), The Dating of Beowulf (Cambridge, 2014)

Nussbaum, A.J., “Severe problems”, in J. Jasanoff e.a. (eds.) Mír curad: Studies in Honor of Calvert Watkins (Innsbruck, 1989)

Orchard, A., Pride and Prodigies: Studies in the Monsters of the Beowulf-manuscript (Toronto, 2003)

Richthofen, K. von, Untersuchungen über Friesische Rechtsgeschichte, Theil II, Band 2 (Berlijn, 1882)

Rübekeil, L., Suebica. Völkernamen und Ethnos (Innsbrucker Beiträge zur Sprachwissenschaft, vol. 68) (Innsbruck, 1992)

Shippey, T., “The Merov(ich)ingian Again: damnatio memoriae and the usus scholarum”, in K. O’Brien O’Keeffe, K. & A. Orchard (eds.), Latin Learning and English Lore (Volumes I & II). Studies in Anglo-Saxon Literature for Michael Lapidge (Toronto, 2005), blz. 389–406

Thorpe, L. (transl.), Gregorius of Tours, The History of the Franks (Londen, 1974)

Vries, J. de, Altnordisches etymologisches Wörterbuch (Leiden, 1962)

32 gedachtes over “De Huigen en het Humsterland

  1. Wederom indrukwekkend, dank U wel!
    Dat verhaal van Hygelac heeft me van jongs af aan al bezig gehouden, als ook de vroegste geschiedenis van de Franken. Ik meen me ter herinneren dat in Byvancks ‘Nederland in den Romeinschen tijd’, ook werd gesproken over Frankische en Friese (of waren het Saksen) zeeroverij in de derde eeuw. In ieder geval moeten die Franken toentertijd dicht bij de kust hebben gezeten.
    Hebben de Chattuarii trouwens iets van doen met de Chatti?

    Met vriendelijke groet,
    Jeroen

    1. Dank, en dat is een goede vraag! Het tweede lid van de verlatijnste naam Chattuarii is te herkennen als Oudgermaans *warjōz ‘werenden, verdedigers, bewoners’. Günter Neumann meende vervolgens dat het eerste lid inderdaad verwijst naar de Chatti, in de zin dat de Chattuari zo heetten omdat ze ooit oud gebied van de Chatti hadden betrokken. Daar heb ik mijn twijfels bij, alleen al omdat we niet weten wat Oudgermaans *hatt- in dezen betekende.

  2. Schitterend stukje…wow! Ook in de uitdrukking ‘tegen heug en meug’, zou nog een verwant woord kunnen schuilen. Vaak verklaart men ‘heug’ als verkorting van ‘geheugen’, maar een oude, secundaire betekenis van ‘heug’ is ook gewoon ‘zin, lust’.

    1. Blij dat het in goede aarde valt! De verhoudingen zijn als volgt. Ten eerste was er *hugiz/*huguz, waarvan Nederlands heug. Daarnaast bestond een werkwoord *hugēną ‘kijken; zinnen; (her)denken’, waarvan Nederlands heugen en 16e eeuws Nederlands hugghen ‘gadeslaan’.

      Bij dat werkwoord is vervolgens *hūgēną gemaakt, dus met gerekte klinker, bekend van Gronings en Drents hoegen, hugen. Daar is ten slotte de naam *Hūgaz, *Hūgō van afgeleid.

      1. Enig idee of ‘condi mi dies vroet ghemaken, ic wille dat ghi mi Hughe heet!, iets te maken zou kunnen hebben met de Huigen? Betekenis: Noem mij maar Huig, als je me dit kan wijs maken. Zouden de Huigen een bepaalde (on)gunstige reputatie hebben gehad bij de buren? https://etymologiebank.nl/trefwoord/hugo

      2. Een mooie vondst die mij noopte tot verder zoeken. Ik vond deze uitdrukkingen, die beide zoveel betekenen als ‘de ene booswicht laat zich niet beetnemen door de andere’:

        Huig is tegen Haag vergaderd
        Huig kent Haag

        En in de betekenis van ‘twee gelijksoortige wezens hebben elkaar gevonden’:

        Huig is aan Huig geraakt
        Huig is bij Haag

        Daar kan ook sprake zijn van een ongunstige lading, gezien vergelijkbare uitdrukkingen als diefje en diefjes maat en de wolf en de gier zijn vergaderd.

        Overigens is Haag wel te zien als verkorte vorm van Hagen, geen kleine naam in oude Germaanse verhalen.

  3. Prachtverhaal waarvoor dank!
    Ook een verhaal die mij al een tijdje bezig houdt. Ik wil graag wat aanvullende verwijzingen/noties/ gedachten geven.

    Een eerste is het zeer lucide artikel van Elmar Seebold over de herkomst van de Friezen, Saksen en Franken (in een bundel van Ernst Taayke, Essays on the early Franks, zie google books). Kort gezegd komt het er op neer dat volgens hem dat onder de paraplu van de hoofdstam Franken restanten van de oude Frisii en Chauken etc waren te vinden die zich niet wilden voegen naar de Angel-Saksische indringers.

    En ik heb een donkerbruin vermoeden dat de Angelsaksische ‘impact’ (excuus Taaldacht 😉 voor delen van Noord-Nederland nog onderschat wordt. Dan heb ik het niet over Westergo, met Wijnaldum als mogelijk plek van een zeer aanzienlijk persoon, wellicht geen koning, maar toch. Daarvan is inmiddels de Angelsaksische invloed wel duidelijk. Tegelijk zien we dat dit in nauwe samenhang is gebeurd met de hoger gelegen gedeelten van Noord-Nederland met name Drenthe. Sterker nog dat daar vaak ‘het initiatief’ lag. Zo is bekend dat de boerderijbouw zich in de vroege middeleeuwen vanuit Drenthe zich verspreidde naar de wierden en terpen (óók naar Westergo). Dus dat ging van het zand naar de klei. Voor de kenners dan hebben we het over het Gasselte type.
    https://www.academia.edu/19784158/Gasselte_boerderijen_migratie_van_zand_naar_klei_Paleo_aktueel_26

    Nog veel illustratiever zijn de vondsten nog dieper in Drenthe namelijk in Zweelo en Aalden die zowel duiden op een zéér bloeiende en rijke Angelsaksische cultuur in het Drentse (zie de ‘prinses van Zweelo’). Die gebieden waren, aldus de betrokkenen archeologen, zeer nauw verbonden met het gebied van de terpen en wierden. Niet voor niets slingert de Hunze vanuit Drouwen naar de Waddenzee bij Zoutkamp. En zo is er meer. Er schijnt hier ook geen sprake te zijn van acculturalisatie want in de vijfde eeuw vertoonde de graven in Aalden nog behoorlijke restanten van een ‘strijderscultuur’. En wel op een manier dat die niet pas bij een gezeten samenleving, integendeel.

    (Zie artikel van JM Bos in Paleo Aktueel 2005.)

    Tenslotte zit hier ook een genetisch aspect aan. Een Franse whiz kid (overigens met wortels in Oost-Friesland en Friesland) heeft via een zogenoemde Qadm een vergelijking gemaakt (met bijna 1 miljoen SNP’s) tussen Deens DNA uit de ijzertijd en die van mijn Groninger vader en Drenthe moeder. Zijn conclusie: ‘astronomisch hoog verband’,’als twee druppels water’. En meerdere modellen wijzen op een zéér grote overeenkomst met het beschikbare Angel-Saksisch DNA. Daarbij vermoed ik overigens ook dat bij mijn vader, maar dat is vooral te koppelen aan ‘genetische groepen’ bij myheritage er ook een Chauken element in zit.

    1. Wij zitten grotendeels op één lijn, denk ik zo. Het stuk van Seebold is belangwekkend, maar ik heb er hier en daar mijn bedenkingen bij. Aan het einde schrijft hij:

      “Die ursprünglichen Franken sind die Bevölkerungsteile der Friesen, Chauken und Chamaven, die sich gegen die Landnehmer gewandt und sich zur Gegenwehr und zur Erlangung neuer Wohnsitze als Franken, als ‘Freie’ zusammengeschlossen haben (…)”

      Bij mijn weten liepen de oude Frieslanden al leeg vóór de komst van landnemers uit het oosten. Veel terpen zijn dan ook lange tijd onbewoond geweest. Een van de redenen om weg te trekken ware de verzwakking van Romeinse aanwezigheid (en dus handelsverkeer) in het onmiddellijke zuiden. Genauw een jaar geleden heb ik een ter zake doend stuk geschreven: Engelen en Saksen in de Friese landen. Inderdaad, ook Drenthe moet belangrijk geweest zijn in dezen.

      1. Dank voor je reactie. Dat leeglopen was voornamelijk in Westergo, Oostergo waarschijnlijk al een stuk minder en in Groningen (c.q. wierdengebied, de wierde van Ezinge bleef bijvoorbeeld aantoonbaar bewoond) en Ook-Friesland nog weer minder. Laat staan in Drenthe (waar de latere stad Groningen op de tip van de Hondsrug feitelijk ook nog onder viel). Overigens zijn er tekenen dat Groningen en de kop van Drenthe al in de Chauci sfeer zaten (andere materiële cultuur in de Romeinse tijd dan ten westen van e Lauwers).. Tenminste dat is wat ik van o.a. Annet Nieuwhof en Johan Nicolay kan opmaken. Dus ik neig toch wat meer richting Seebold. Wat zouden de verdere bedenkingen hierbij zijn?

        De Angel-Saksen hebben, zoals gesteld, grote delen van Noord-Nederland (evenals aan de overkant van de Noordzee) feitelijk ‘in beslag genomen’ goedschiks dan wel kwaadschiks (de ‘strijders’ graven in Aalden duiden toch ook behoorlijk op dat laatste). Het opmerkelijke is dat ze in Friesland onder de oude naam verder zijn gegaan, ‘een nieuw schip onder een oude vlag.’

      2. Klopt allemaal voor zover ik weet en dat betwist ik niet. In de uitspraak die ik aanhaalde wordt echter gesteld dat veel oorspronkelijke Friezen ook vanwege landnemers wegtrokken. Misschien in enkele gevallen, maar elders (inderdaad vooral Westergo en Oostergo) was er eerst leegloop, bleef er meer dan een eeuw leegte, en kwamen daarna pas de landnemers.

        Verder heb ik mijn bedenkingen bij Seebolds stellingen omtrent de Saksen, maar dat laat ik liever voor een andere keer.

  4. Dank je wel Olivier. Ik wonder nou vanwaar de begrip Hugonote kom wat kollektief verwys na die Franse Protestantse vluchtelingen wat mij eie voorsate na Zuid-Afrika gebreng het?

    1. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands is er vrij stellig over:

      In de vroege zestiende eeuw tijdens de Reformatie was er in Genève een opstand tegen de hertog van Savoye. Deze Zwitserse opstandelingen waren veelal protestants en werden eyguenots genoemd in het Geneefs-Frans. Dat woord komt van (een voorloper van) Zwitsers-Duits Eidgenossen ‘eedgenoten’, een aanduiding van Zwitsers in het algemeen.

      Een van de leiders van de opstand was Hugues de Besançon. Een verhaspeling van zijn naam Hugues en eyguenots belandde in het Frans als huguenots, gedragen door Franse protestanten als erenaam.

      (En uiteraard is Hugues zelf een Franse vorm van de Germaanse naam *Hūgō.)

  5. Trouwens ik zou de Hugas, en de relatie met Chauken niet helemaal afschrijven, ik doorgrond je redenatie ook nog niet helemaal, want juist in het volgende zitten elementen die dit wel veronderstellen, wat aanvullingen er bij gezet:
    “Naar het zich laat aanzien is de voorloper van hugu- vast te stellen als Oudgermaans *huguz, met een zogenaamde u-stamverbuiging. En zoals we weten van u-stammen: die werden in de dochtertalen vaak omgevormd tot i-stammen. Dat zou in dit geval neerkomen op *hugiz. En net dat woord is overgeleverd als Oostfaals höge ‘heuvel’ (en in mijn Gronings höchte, ook heuvel en als je overeind komt: ik kom in d’ höchte, en als ik het Anloo’s van mijn oma goed herinner was dat iets als “op d’ heugt” hoger gelegen buurt in Gasselte waar mijn overgrootouders woonden!) en verouderd Duits Hug ‘heuvel’. Verkleiningen zijn bovendien Duits Hügel ‘heuvel’ en Oudnoords Hugl, de naam van een eiland in Hardangerfjorden, Noorwegen. Verwant zijn bovendien Zwitsers Hoger ‘bult’ en Oudnoords haugr ‘heuvel’ (=C hau k????), alsmede Nederlands hoog ‘verheven’ en zijn evenknieën in de zustertalen.”

    1. Ik vrees dat ik je niet helemaal volg. Maar laat me het zo stellen:

      Bekend is het bestaan van de Germaanse wortel *heuh-, *hauh-/*haug-, *hug- in verwijzing naar verheffing. De vormverscheidenheid is vanwege vroegere klemtoonverschillen.

      Hiervan komen onder meer *heuhmō (Gotisch hiuhma ‘hoop’), *haugaz (Oudnoords haugr ‘heuvel’), *hauhaz (Nederlands hoog) en vandaar ook de stamnaam *Hauhōz, verlatijnst als Chauci.

      Van deze wortel komt ook *huguz/*hugiz ‘heuvel’ zoals te herkennen in Hugumarchi, een naam die in dat geval niets meer dan een landschappelijke beschrijving is. De verwantschap met de stamnaam *Hauhōz/Chauci is dus slechts talig.

      Van deze wortel kennen we echter geen vorm *hūg-, dus met lange klinker, en taalkundig zouden we dat ook niet zomaar verwachten. Vandaar is het bij voorbaat minder waarschijnlijk dat de naam *Hūg-/Huig- bij de bovenstaande wortel hoort.

      Ondertussen is *Hūg- zonder enig taalkundig bezwaar te begrijpen als een afleiding van *hūgēną, de voorloper van Gronings en Drents hoegen, hugen ‘verlangend loeren e.d.’ Dit werkwoord komt van een volkomen andere wortel dan die hierboven.

      1. Nou ja ik denk dat in allerbeste instantie er een bepaalde vervreemding bij het woord Huig ontstaat. Voor een Noorderling klinkt dat Hollands. De ui- diftong is hier niet gebruikelijk. Dus ik kijk er wat raar tegen aan.

        En daarnaast kan je ook doorschieten in een vorm van taalkundig pointillisme. Het verband lijkt mij, op z’n Duits, Hauchdünn 😉

        Want mocht je gelijk hebben dan hebben enerzijds de Chauken een nogal ‘verheven’ naam. En de ‘Huigen’ notabene op het grondgebied van de Chauken (dus vermoedelijk gelijkluidend) niet. Deze inwoners van Humstersland zouden dan de naam hebben van ‘schoffieloerders’. Woar joe veur dij luu oet Olhoof! 😉 Kan natuurlijk maar wel een wat sneue naast de Tacititus constatering dat de Chauken ‘de meeste nobele der Germanen’ waren…

        Kortom: ik zie het verband niet tussen *hūgēną en de Hugas (van Beowulf). Ik vermoed dat de Chauken en de Hugas dezelfde taalkundige oorsprong (in huguz/*hugiz) hebben. Neem alleen al in het niet vermelde Engelse woord: huge.

        Voor mij valt voorlopig die ton nog in duigen…en ik zie ook nog geen juiste hoepel.

      2. Huigen is inderdaad de algemeen Nederlandse vorm, zoals de voornaam Huig luidt. Een Groninger of Drent zou Hoegen en Hoeg zeggen.

        “En de ‘Huigen’ notabene op het grondgebied van de Chauken (dus vermoedelijk gelijkluidend) niet. Deze inwoners van Humstersland zouden dan de naam hebben van ‘schoffieloerders’.”

        Maar het is dus juist de vraag of er ooit Huigen in Humsterland en/of op het grondgebied van de Hogen woonden. Dat zijn gedane stellingen die mijns inziens niet gerechtvaardigd zijn, zoals ik boven heb geschreven. Hugumarchi/Humsterland bevat niet de naam van dat volk.

        “Ik vermoed dat de Chauken en de Hugas dezelfde taalkundige oorsprong (in huguz/*hugiz) hebben.”

        Dat is klankwettig niet mogelijk. De oorspronkelijke vormen van die stamnamen waren *Hauhōz en *Hūgōz/*Hūganiz. Andere klank dan in *huguz/*hugiz.

        “Neem alleen al in het niet vermelde Engelse woord: huge.”

        Dat had ik inderdaad moeten vermelden. Het Engels heeft het uit het Oudfrans, waarin het nog de vormen ahuge en ahoge had. Te begrijpen als a huge/hoge ‘op een hoogte’, dus een ontlening van *huguz/*hugiz ‘heuvel’.

  6. De vraag is of je de klankwetten ‘heilig’ moet verklaren. Je kan niet alles uit taalkundige veronderstellingen ‘bewijzen’.

    Volgens mij begint het er mee om aannemelijk te maken dat Hugas niet afgeleid zijn van de betekenis ‘hoog’, beter nog (letterlijk en figuurlijk) ‘verheven’. Door Tacitus ook nog eens onderstreept. Temeer omdat het in het geval van Hugas en Chauken om hoogstwaarschijnlijk hetzelfde volk gaat!

    Dan zou je ze dus eerst moet ontkoppelen. En dan ook nog een omslag maken van ‘verheven’ en nobel naar laag bij de grond ‘loeren’ hebzuchtig even met een ‘gloepstreek’ je kansen benutten. Dus van betekenis nobel naar schorriemorrie. Dus waarom die scheiding )in volk) en waarom die diametraal tegenovergestelde aanduiding (de verheven ‘Oost-Friese Chauken’ versus de ‘schoffieloerderige Groninger Chauken’?). Dan schieten klankwetten nog tekort als verklaring…het heeft ook sociale aspecten, het gaat om een naam van een volk en alles wat er om heen hangt.

    En dan ook nog eens een klankverschuiving (‘Huig’) die voor een Hollander, ook nog in latere tijden, te verklaren valt maar die in ’t hoge Noorden wezensvreemd was en nog steeds is….Die -ui en aanverwante verschuivingen is in die tijd en context een volstrekte anomalie.

    Dus ik zie geen aannemelijke reden voor wat je stelt.

    1. Ik beweer niet dat men in de vroege middeleeuwen ergens Huigen zei. Het is enkel de hedendaagse vorm zoals we die in het algemeen Nederlands zouden verwachten, zoals ook de bijbehorende mansnaam inmiddels Huig luidt in zijn algemeen Nederlandse vorm.

      De naam had oorspronkelijk een lange klinker, dus *Hūg-, en dat is geen onbelangrijk gegeven. Germaanse wortels hadden ablaut volgens regelmatige patronen als erfenis van het Indo-Europees, uiteindelijk als gevolg van verschillen in klemtoon.

      De hier besproken wortel voor ‘verheffen’ e.d. was *heuh-, *hauh-/*haug-, *hug- en had van zichzelf geen vorm met lange klinker. Willen we *Hūg- hiermee verbinden (en dus met Chauci), dan hebben we een taalkundige verklaring te geven voor die lange klinker. De bewijslast ligt dus bij degene die het verband legt. Oppervlakkige gelijkenis is niet voldoende, want dan vervallen we in vrije associatie.

      Nu, zou er een verklaring gegeven zijn en *Hūg- inderdaad van die wortel afkomstig zijn, dan is de naam nog altijd een andere afleiding dan *Hauhōz/Chauci. Het zijn taalkundig twee verschillende namen. Vereenzelviging van de twee volken ligt dus helemaal niet voor de hand.

      Verder, volgens de schrijver uit Quedlinburg heetten de Franken Hugones als vernoeming naar een vroegere leider Hugo. Misschien had hij daarin ongelijk, maar het staat vast dat Hugo (Oudgermaans *Hūgō, Nederlands Huig) als mansnaam bestond.

      Het is dus ten eerste die mansnaam die we te begrijpen hebben. Een betekenis als ‘verlangend loerende’ komt ons wellicht ongunstig voor, maar in het kader van Germaanse namen was daar niets geks aan, gezien hoe mannen graag vergeleken werden met wolven en hoe het leiden van rooftochten als deugd werd gezien, niet een zede. Bovendien, het onderliggende werkwoord moet oorspronkelijk meer iets als ‘zinnen’ betekend hebben, dus *Hūgō kon evengoed ‘zinnende’ wezen. Dat kan ook opgevat worden m.b.t. strijd, dus de ‘op strijd zinnende’ als een kenmerk van manhaftigheid destijds.

      Tot slot, vergelijk namen als Gandulf ‘verlangende wolf’, Grádulf ‘hongerwolf’ en Frikkio ‘gretige’. Óðins wolven heetten Geri ‘begerige’ en Freki ‘gretige’. Die laatste naam is een zwak verbogen evenknie van vrek ‘gierigaard’ en volgens o.a. Frank Heidermanns verwant aan de naam Frank. En de stamnaam die verlatijnst werd opgescheven als Germani is te duiden als een afleiding van de wortel van begeren.

      1. “Verder, volgens de schrijver uit Quedlinburg heetten de Franken Hugones als vernoeming naar een vroegere leider Hugo. Misschien had hij daarin ongelijk, maar het staat vast dat Hugo (Oudgermaans *Hūgō, Nederlands Huig) als mansnaam bestond.”

        Is de crux volgens mij. Hugo als leider van de ‘Humsterlandse’ Chauken. De oude Kornelis ter Laan, de auteur van het Groninger Woordenboek (“de dikke Ter Loan”) had het al over de Chauken als voorlopers van de Groningers, maar enige anti Friese sentiment was hem daarin niet vreemd.

        Terug naar Hugo de ‘prototype’ Frankische krijgsheer valt zeer zeker in de context van die tijd te plaatsen. Aan het einde van de Romeinse tijd waren de de Germaanse foederati de ruggengraat van het Romeinse leger geworden. Dit heeft tot een militarisering van de Germanen geleid. Dit is voorgezet na de Romeinse periode. Die krijgsheren wisten een Gefolgschaft om zich heen te verzamelen. Een van de succesvolste daarin was het geslacht van de Merovingen, de absolute krijgsheren en beeldbepalend voor de Franken.

        Met Clovis/ Chlodovech zijn we al generaties verder maar zien we nog steeds de krijgsheer in optima forma. Niet te beroerd om soldaten die aan de loyaliteit richting hem trachten te ontsnappen eigenhandig de kop af te hakken….

        Maar begon het met ‘ol’ Hugo een oude Chauk gezeten op een wierde in het Groningerland, de slimme, sluwe, moedige (zie -hug), de oude wolf onder de foederati die in het strijdgewoel boven kwam drijven? Nog steeds worden er een mogelijk verband gelegd tussen Merovingen – de Mer- en de zee. Was het de Waddenzee waar Hugemarki als een schiereiland aan lag. Ondenkbeeldig!?

        PS Dat Huig ik kan er maar niet aan wennen….

      2. 1. Hugo/Hugones/Húgas, 2. hugu (in Hugumarchi) en 3. Chauci zijn drie verschillende woorden/namen.

        Meroving is afgeleid van Merovechus/Meroveus, een verlatijnsing van Westgermaans *Mērawehaz. Dat eerste lid *mēra- betekende ‘vermaard’ o.i.d. als nevenvorm van *mēri- (Oudengels mǽre, Oudsaksisch mári ‘vermaard’) en is niet te verwarren met *mari- (Nederlands meer, Duits Meer).

        Andersom gezegd, als dat woord voor ‘zee’ in die naam schuilde zou die wel opgeschreven zijn als Marivechus/Mariveus o.i.d.

  7. Om uit het dilemma te komen zou het zo kunnen zijn dat er een samenloop van omstandigheden is, de Chauken in het Groningse hadden een befaamd krijgsheer met de naam Hugo (de latere Merovingen?). Een naam die naar Meertens een positieve klank heeft. Uw leider Hugo c.q. schoffieloerder lijkt mij geen “bella figura”.

    Meertens:
    Naamstam hug-
    Germaanse naamstam met de betekenis `denkende geest, verstand’. Vgl. Got. hugjan `denken’, *hugs `geest, verstand’; Oudhoogduits hugu, Middelhoogduits huge; Middelnederlands hoge, heuge, huege `gedachte, herinnering, beraad, opgewekte stemming, vrolijkheid’ (vgl. Ndl. tegen heug en meug, heugen en verheugen); Oudsaksisch hugi `gedachte, geest, verstand’; Oudfries hei en hugi, `zin, lust, moed’, hugia `heugen’, Nieuwfries hugje; Angelsaksisch hyge `geest, hart, moed’; Oudnoors hugr. Onzekere etymologie.

    En dan hebben we het nog niet eens over letterlijk hoger gelegen land, terugkomend in de huidige gemeente en streeknaam Het Hogeland.

    1. Misschien lagen de wortels van de oorspronkelijke *Hūgō (of meervoudig *Hūganiz/*Hūgōz) wel in Westergo of Noord-Holland, we weten het niet.

      De naam *Hūgō (Hugo, Huig) wordt vaak opgevat als verkorting van Germaanse namen die begonnen met *hugiz/*huguz ‘gedachte e.d.’, maar de klinkerlengte komt niet overeen. Ze zijn wel verwant, want de naam is te duiden als afleiding van het statieve werkwoord *hūgēną (Gronings, Drents hoegen, hugen) en dat is zelf een afleiding van het meer oorspronkelijke werkwoord *hugēną (Nederlands heugen e.d.), van dezelfde wortel als *hugiz/*huguz ‘gedachte e.d.’

      1. Misschien lagen de wortels van de oorspronkelijke *Hūgō (of meervoudig *Hūganiz/*Hūgōz) wel in Westergo of Noord-Holland, we weten het niet.

        Niets is uitgesloten, tegelijk zou ik mijn kaarten wel op de mark van Hugo (Hugemarki) zetten.
        Westergo was het meeste leeg in de vierde eeuw, geen machtsbasis. En Noord-Holland idem, het speelde in die tijd evenmin een rol van betekenis of zoals archeoloog Dijkstra over de migratieperiode dat als volgt onder (titel) woorden bracht….all quiet on the western front? Wat hij in feite met een ja beantwoorde.

      2. Zoals gezegd, de u in Hugu(marchi) was waarschijnlijk kort, terwijl die in Hugo (Nederlands Huig) oorspronkelijk lang was. Daarnaast, die uitgang -u in Hugu(marchi) wijst eerder op een u-stamverbuiging, terwijl Hugo e.d. een n-stamverbuiging dan wel a-stamverbuiging had. Twee verschillende woorden dus. De gouwnaam verwees niet naar dat volk.

        En ik had niet over het eigentijdse woongebied van de veronderstelde oorspronkelijke leider Hugo, maar over zijn wortels, het land waar zijn voorouders vandaan kwamen. Goeie kans dat hij afstamde van de mensen die weggetrokken waren.

  8. Dat begrijp ik heel goed, eens ook. Ik zeg ook niet dat Hugmarki afgeleid is van de Chauken. Wat ik stel is dat het afgeleid is van een mogelijke Chauksische krijgsheer Hugo, Hugemarki was zijn ‘zetel’. Hugones waren zijn Gefolgschaft. Hugemarki was een schiereiland lag aan de Waddenzee Mer-ovingen! Het geslacht was succesrijk en de Hugones gingen mogelijk op in de ‘grote stam’: de Franken. Dank voor deze gedachtenwisseling!

  9. Door de snelheid van het heen en weer tikken had ik een reactie gemist, excuus.
    “1. Hugo/Hugones/Húgas, 2. hugu (in Hugumarchi) en 3. Chauci zijn drie verschillende woorden/namen.”

    Ok akkoord.
    Dat kan dus m.i, duiden op:
    1. Krijgsheer Hugo met zijn Gefolgschaft Hugones/ Hugas.
    2. Verband met hooggelegen gebied (?).
    3. Chauci de naam van de bewoners van Groningen, kop van Drenthe en Oostfriesland (en oostelijker) in de IJzertijd en de Romeinse tijd.

    Hetgeen overigens een combinatie niet hoeft uit te sluiten: een Chauksische krijgsheer genaamd Hugo met als zetel Hugumarchi. Die-voordat je steigert- een gescheiden taalkundige betekenis hebben en houden…..oef….;)

    De bronnen om die stelling van mij te bevestigen hebben we echter niet, dus dit blijft een inschatting.

  10. Is het niet waarschijnlijker dat het allemaal verwant is aan het oude . Wat of betekend. (eng. Huge).
    Daar waar ik woon heb je dichtbij de Huigendijk. Grofweg de dijk tussen de Schermer en de Heerhugowaard. (de laatste het westfries gewoon de Waard genoemd.) Vaak wordt aangehaald dat de naam van die dijk en dat meer te maken zou hebben met een ridder van Floris V, nl. heer Hugo van Akersloot. Of zelfs Hugo van Assendelft ,baljuw op kasteel Radboud.
    Maar betekend het niet gewoon de Hoge dijk als in de Grote dijk?

    De aanleg van een groot waterstaatkundig werk als een 8 km lange dijk tussen de nog onbedijkte Scirmere en Huygenwaard was in die tijd toch een aardig waterstaatkundige klus geweest.
    Er werd daarbij dankbaar gebruik gemaakt van enkele hoger gelegen .

    Over Heerhugowaard het volgende;
    Deze naam heeft mij altijd wat geknutseld aangevoeld. De oude naam van deze droogmakerij is Huygen waard. Dus niks geen connectie met enige heer Hugo. Gewoon Huygenwaard of Grote waard
    Huijgenwaard betekend m.i. niets anders dan Grote waard.
    In 1248 n.l. vond een grote dijkdoorbraak plaats (bij Valkkoog, bij Schagen), waarbij de Grote Waert gevormd werd. Om te voorkomen dat de Noordzee zou doordringen tot de Schermer en Noord-Holland in twee stukken zou verdelen, heeft men daar toen een “dijk” gemaakt, gebruik makend van enige eilandjes tussen Schermer en de Waard ‘: de Huygen Dijck.
    In het dialect van mijn omgeving (westfries)wordt dan ook gezegd “de Huigedijk” als dat de dijk huig (hoog of groot) is en niet op zijn hollands de Huigen dijk, als dat de dijk van ene Huig of Hugo zou zijn.

    1. De oude mansnaam Hugo (oorspronkelijk uitgesproken met lange u) ontwikkelde zich klankwettig tot Huyge/Huijge/Huige/Huig in het Nederlands, zoals bijvoorbeeld huus veranderde in huis. De naam had een zwakke verbuiging, dus met de uitgang -n in de tweede (bezittelijke) naamval. De veertiende-eeuwse vermelding Heeren Huygen Waert is daarom goed te begrijpen als de ‘waard van Heer Hugo/Huig’.

      Ondertussen zie ik geen aanwijzing voor het bestaan van een bijvoeglijk huig in de zin van ‘hoog’. De klankovereenkomst tussen huig en hoog is niet voldoende. Engels huge is geen evenknie want komt van Oudfrans ahuge/ahoge, en dat is te begrijpen als a huge/hoge ‘op een hoogte’, een ontlening van Germaans *huguz/*hugiz ‘heuvel’ hierboven besproken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.