Tot het de punt van een polder werd was Urk ruim duizend jaar deel van een eiland dat tevoren door veen met het vasteland verbonden was. De naam Urk stamt uit die oudste tijd en heeft verwanten elders. We gaan op zoek naar hun oorsprong en betekenis.
Bewogenheid
De vroegste vermelding die we van Urk in de overlevering hebben is uit het jaar 966, wanneer keizer Otto I bij oorkonde laat weten wat hij schenkt aan het onlangs opgerichte klooster van St. Pantaleon bij Keulen: cuiusdam īnsulae medietātem in Almere, quae Urch vocātur, et ultrā amnem Nakala quicquid interiacet usque Vunningam, quod Gardolfus iam quondam comes vīsus est tenuisse in comitātū Ekbertī comitis. Dat is ‘de helft van een wis eiland in het Almere dat Urch heet, en alles wat er voorbij de stroom Nakala tot aan Vunninga ligt, wat graaf Gardolf ooit geacht is te houden in het graafschap van graaf Egbert.’
Inbegrepen, zo vervolgt de oorkonde, zijn alle weiden, wegen en wateren, de visplekken en de roerende en onroerende goederen. Van akkers wordt echter geen gewag gemaakt, in lijn met wat oudheid- en bodemkundigen hebben vastgesteld: de gronden boden daar weinig gelegenheid voor landbouw. De onderstaande zes kaarten tonen hoe het landschap er op verschillende tijden in de afgelopen tweeduizend jaar eruitgezien moet hebben en veranderd is, aanvankelijk met een overdaad aan veen rond een eenzame keileemhoogte, de plek van het dorp dat ons bekend is als Urk.
Het geweld van het water
Maar eerst—of eveneens—was Urk de naam van het eiland. Het had indertijd meerdere gehuchten en oorden, die in de eeuwen erna allemaal weggespoeld zijn bij stormvloeden, toen de bodem gekrompen en verzakt was omdat men het veen was gaan ontwateren voor teelt. De namen van deze oorden zijn in de vorige eeuw gebruikt voor nieuwe nederzettingen in de Noordoostpolder: Creil, Emmeloord, Ens, Espel, Nagele, Rutten en Tollebeek. Van deze was Emmeloord gelegen op Schokland, het enige andere deel van het oorspronkelijke eiland dat het haalde tot de poldertijd, toen de Zuiderzee eindelijk bedwongen was.
Nagele was een verdronken dorp dat zelf vernoemd was naar het brede water dat Nakala heet in de oorkonde hierboven en dat het eiland van het vasteland scheidde. Het was eigenlijk een samenvloeiing van enkele oostelijke stromen: de IJssel en de Kuinder maar ook de Zede en de Gene, nu het Meppelerdiep en het Zwarte Water. Nog lang kenden Urker vissers het water ten noordoosten van hun verdurende dorp als De Nagel, zoals ook op kaarten verscheen. Deze naam gaat vermoedelijk terug op een Germaanse evenknie van Grieks nḗkhō ‘zwemmen’ (zie noot) en moet aldus zeer oud zijn.
Vormen en voorstellen
Maar laat ons kijken naar die andere naam. De oudste vermelding Urch is een verhoogduitsing, een veelvoorkomend verschijnsel in keizerlijke en andere oorkonden toen, en wordt gevolgd door Urck in 968 en later. In de veertiende en vijftiende eeuw duikt de naam op als Orch, Orc en Orck, wel slechts andere spellingen, zoals burg vroeger als borg op schrift verscheen of deur als dore. In dezelfde tijd komt ook een enkele keer de merkwaardige vorm Orkel voor. En dan in de zestiende eeuw verwijst Arend toe Boecop in zijn geschiedschrijving naar het eilanddorp als Urrick, met een verruimde uitspraak die onder de bewoners zelf nog altijd gangbaar is en te vergelijken met hoe bijvoorbeeld Mark in sommige streken en kringen als Marrək uitgesproken wordt. Aldus is Urk min of meer altijd Urk geweest in de ruim duizendjarige overlevering die we ervan hebben, die ene jongere afwijking Orkel ten spijt. Er zijn geen echte aanwijzingen dat de naam verkort is uit iets langers.
Een van de eerste pogingen tot duiding van Urk wordt gedaan door de Friese taalkundige Foeke Buitenrust Hettema. Hij oppert in 1899 om de naam te herleiden tot een verondersteld *Urd-k, waarin de k een verkleiningsuitgang is en *urd een vorm van werd, de voorloper van waard ‘door water omgeven land’. Daar zijn weinigen in meegegaan, want een dergelijke vorm van dat woord heeft nooit bestaan en kan ook niet bestaan hebben, daar de w niet wegviel aan het begin van woorden in dit wijde taalgebied, gewis niet zo vroeg al. Ook ieder klinkerwisselend, verwant woord van dezelfde wortel zou een w gehad en gehouden hebben.
Van zijn vakgenoot J.W. Muller verschijnt vijftig jaar later een ander voorstel, vanuit de veronderstelling dat Oudiers orc ‘jong varken’ bij uitbreiding ook op de kleinere walvissen sloeg en leidde tot orka ‘zwaardwalvis’, in dezelfde trant als woorden als Oudengels mereswín en Middelnederlands meerswijn ‘bruinvis’, letterlijk ‘zeevarken’. Dit Keltische woord ware vervolgens dankzij Engelse of Noorse zeelieden in onze streken beland en samengesteld met ouder Fries ee ‘water’ (heden ie) tot *Orkee, dat uiteindelijk verbasterde tot *Orke en vandaar Ork, met Urk als nevenvorm. De betekenis ware dan ‘bruinviseiland’ of zelfs ‘varkeneiland’. Hiermee te vergelijken is dan de naam van de Orkney-eilanden. Het is een duiding die niet werkt, onder meer omdat orka waarschijnlijk langs het Latijn uit het Grieks of een andere taal in de Middellandse Zee komt.
In 2015 doet J.C. ter Laak een bijdrage in dit vraagstuk. Het lijkt hem mogelijk dat Urk verwant is aan de oude stroomnaam Werken, zoals nog bewaard is in de oordnaam Werkendam (Noord-Brabant). Daar zijn nog twee stroomnamen aan toe te voegen: enerzijds de tweemaal voorkomende Werecundia/Wercundia, bewaard in de oordnamen Werken (West-Vlaanderen) en Werkhoven (Utrecht), anderzijds de Wirck, nu de Werkerbach (Hessen). Verwant buiten het Germaans zijn onder meer Grieks orgáō ‘zwellen met heilzame vloeistof’, Sanskriet ūrjá- ‘kracht, sap’ en Hettitisch u̯arkant- ‘vet, dik’. Doch net als bij de duiding van Buitenrust Hettema zou ieder woord van deze wortel in het Germaans met een w moeten beginnen, dus Urk is er niet mee te verbinden.
Een nieuwe duiding
Ter Laak noemt terloops een belangwekkende oude evenknie van Urk: in 1418 wordt gerept van bezittingen op die Urq in of bij Didam in Gelderland. Waar dat genauw was blijkt niet, maar indertijd lag er ten zuiden van Didam een groot drasland, niet ver van de Oude Rijn. Hieraan herinneren de namen van het buurdorp daar: nu Oud-Dijk, vroeger Dijk en tevoren Waverlo. In andere oordnamen verwijst waver naar wateren en waterrijke gronden. Het is dus goed mogelijk dat Urq tevens naar dat drasland daar of tenminste een deel ervan verwees. En in elk geval is de indruk gewekt dat urk ooit bestond als een zelfstandig naamwoord.
De klinker is van enig belang. In de ontwikkeling van het Germaans tot het Nederlands en verwante streektalen werd de korte *u in gesloten lettergrepen doorgaans een o. Dus bijvoorbeeld *burdą, *surgō en *wulfaz werden met sleet van uitgang tot bord, zorg en wolf. Die *u kon echter een u blijven—zij het iets anders uitgesproken—indien de klinker in de volgende lettergreep een *i of *u was of ontbrak. Zo veranderden *lustuz, *skuldiz en *burgz bij ons in lust, schuld en burg. Hieruit volgt dat urk in beginsel het beste te herleiden is tot een Germaans *urkuz, *urkiz of *urks.
Nu wil het dat *urkiz de verwachte klankwettige voortzetting zou zijn van Indo-Europees *h2r̥ǵis, al bekend van o.a. Hettitisch harkiš ‘wit, stralend’ en Grieks argi- in samenstellingen als argiódous ‘wittands’, arginephḗs ‘witbewolkt’ en argikéranous ‘met helle bliksem’, die laatste ter aanduiding van de hoofdgod Zeús. Van de wortel in dezen kwamen nog vele andere afleidingen, waaronder h2r̥ǵn̥tom ‘zilver’ als voorloper van o.a. Latijn argentum, Keltisch *argantom en Jongavestisch ərəzatam, vermoedelijk ook Germaans *urkundą in Orcuntrura, nu Erkensruhr (Noordrijn-Westfalen), de naam van een bijstroom van de Roer die in Roermond uitmondt.
Niet zelden is water of waterrijk land vernoemd naar lichtweerkaatsing. Zo is meer wel verwant aan woorden als Oudnoords merla ‘schijnen, schitteren’ en Oudhoogduits mâri ‘schitterend; prachtig; beroemd’, zo zijn Oudkerkslavisch blato ‘moer’ en Albanees baltë ‘moer’ evenknieën van Litouws báltas ‘wit’, en zo is Litouws balà ‘moer’ een afleiding van bãlas ‘wit’. Te vergelijken zijn ook namen als het Witte Veen en het Blanke Veen in Drenthe. Urk kan dus heel goed oorspronkelijk verwijzen naar veen met betrekkelijk veel plassen, schikt eigenlijk ook het vaak zilveren IJsselmeer waar het dorp nu aan ligt.
Andere vormen en opzichten
Doch *urkiz had zich behalve tot urk ook tot ork kunnen ontwikkelen waar de uitgang vroeg genoeg afgesleten was en de *i niet van invloed was. Zo werd *skuldiz vroeger behalve schuld ook schold, later schoud. Dat verklaart een oude oordnaam als Urke, nu Ork (Noordrijn-Westfalen), gelegen te Spellen aan de drassige laagte waar de Mommbach de Rijn invloeit. Een oude vrouwelijke vorm, dus met andere uitgang, is tweemaal te herkennen als stroomnaam in het verfranste zuiden van de Lage Landen: de Orcha is inmiddels omgedoopt tot de Rieu de Maire in Orq (Henegouwen) en de Ruisseau/Courant de l’Hôpital in Orchies (Nord). Een vermoedelijk verlengde stroomnaam is de Orcana, nu de Orke (Hessen). Te vergelijken is de bekende Duitse stroomnaam Elve/Elbe, die doorgaans begrepen wordt als een evenknie van Latijn albus ‘wit’.
Lichtheid of witheid kan ook zulks als open plekken in bossen kenmerken, zoals vereeuwigd in voorbeelden als Lichtelaar (Oost-Vlaanderen) en Wittlaer (Noordrijn-Westfalen). In dat verband blijke ook de oude bosnaam Orclo, later Orkel (Gelderland), te zoeken bij Beekbergen op de rand van de Veluwe, al is er de mogelijkheid dat lo in dat geval verwees naar een ‘ven’, zoals het denkelijk ook deed in een samenstelling als Beverlo (Belgisch-Limburg). En hoe Orkel, de reeds genoemde nevenvorm van Urk, zich ertoe verhoudt is onduidelijk. Die is wellicht niets meer dan een dwaling van de schrijver.
Een verwant woord
We gaan weer terug naar het Indo-Europees, waarin van dezelfde wortel naast *h2r̥ǵis ook de afleiding *h2erǵus bestond. Die is alleen als grondwoord van verlengingen overgeleverd, waaronder Tochaars B ārkwi ‘wit’, Sanskriet árjunaḥ ‘wit, licht’, Grieks árguphos ‘blinkend wit’ en árguros ‘zilver’, Latijn argūtus ‘duidelijk, hel, schel’ en arguō ‘aantonen’ (eig. ‘verlichten, verhelderen’) en langs het Keltisch de stroomnaam Arguna, nu Argen (Baden-Württemberg). Ook Germaans *arkwinaz als voorloper van Oudnoords ørkn ‘grijze zeehond’ is ertoe te herleiden.
Ware dit *h2erǵus zelf ook tot ons gekomen, dan werd het eerst tot Germaans *arkuz en uiteindelijk in onze taal tot *ark. Dat is te vereenzelvigen met Arck, de naam van een oord dat ergens voor 1400 bij Nijkerk verdronken is aan de zuiderrand van de Zuiderzee en waaraan de hoevenamen Grote Ark en Kleine Ark nog herinneren. De natte meden ‘hooilanden’ eromheen stonden bekend als de Arckemeden, een naam die na de bedijking van het gebied verbasterd raakte tot de Arckemehen en inmiddels Arkemheen luidt voor een van de oudste polders van Nederland.
Andere oordnamen van belang zijn Arclo, nu Arkel (Zuid-Holland), vanouds gelegen op een groep duinen in de natte stroomvlakte van de Linge, en het daaraan gelijke Arkelo, wisselend met het zinsgelijke Arckeler, nu Arkel (Nedersaksen), naast Hoogstede aan de Vecht, niet ver over de grens met Drenthe. Verder naar het oosten bij Quakenbrück was een streek die ooit de Arke genoemd werd, tevens met Au(e) ‘stroomvlakte; beemd’ samengesteld tot Arkenau, waar nu twee hoeves nog Groß en Klein Arkenstede heten. De Burg daar bevond zich op een weide in het moer, schrijft Carl Ludwig Niemann in 1873.
Weer in Nederland komen we uit bij Archem/Arkem, nu Archem (Overijssel), eigenlijk een samenstelling met hêm ‘heem, thuis. De naam wordt ter plekke uitgesproken als Arkem en dus in weerwil van eerdere duiders is het eerste lid wel niet arg/erg ‘slecht’. Dit oord is gelegen aan de oever van de Regge maar ook naast een tachtig meter hoge zandige berg die wellicht ooit zeer licht afstak tegen zijn omgeving. Oorspronkelijk gelijk is Archem/Arken, later Arkink en nu Arkman (Overijssel), voor een erve tussen Borne en Bornerbroek, ooit in broeklandschap gelegen. Ver te zuiden stuiten we op de oude oordnamen Arkenna, nu Arquennes (Henegouwen), Archene, nu Archennes/Eerken (Waals-Brabant), en Ercinium, nu Erchin (Nord). Er zijn nog meer van zulke namen aan te wijzen, en vast niet alle zullen toebehoren, maar deze volstaan om de verbreiding te verluchten.
Ark in dezen is echter ook anders geduid. In 1911 meent Heinrich Pottmeyer het woord te kunnen vereenzelvigen met arca ‘grenswal’, dat opduikt in de vroegmiddeleeuwse Latijnse geschriften van de Franken en van de Goten in Spanje. Daar beide volkeren Germaans zijn vermoedt hij dat het woord ook Germaans is. Het nieuwe en grote Mittellateinische Wörterbuch schaart dit arca evenwel toch onder Latijn arca ‘kist’, wellicht in verband met beschoeiing, en het is zeer de vraag of enig geval hierboven iets met grenswallen of kisten te maken heeft. Evenmin aantrekkelijk is een verband met Middelnederlands arcke ‘kleine sluis of val- of schuifdeur van de sluis’, naast grontarcke ‘houten gewelf, de boog waaronder het rad van een door water gedreven molen draai’. Dat wordt gezien als een ontlening van een vrouwelijke vorm van Latijn arcus ‘boog’, maar arca ‘kist’ lijkt evengoed mogelijk.
Ondertussen schuilen vormen van Germaans *arkuz ‘wit, stralend’ wellicht ook in enkele vroegmiddeleeuwse namen van mannen en vrouwen, met name Archelm, Arcemir/Arcamar, Arcumund, Arcesind, Arcoin en Arculf. Het zou in sommige gevallen, wel niet alle, kunnen gaan om een verbastering van *erknaz ‘waar; wis; heilig, rein’ of om *arguz, een woord dat mogelijk ‘mannelijk’ of anders ‘verdediging’ betekent.
Besluit
De naam Urk sloeg ooit (tevens) op het omvangrijke eiland waar het huidige dorp slechts een klein deel van was en dat in het begin van de middeleeuwen nog met het vasteland verbonden was. Het landschap daar werd gekenmerkt door uitgestrekt veen, zonder twijfel met grote, lichtweerkaatsende wateren. In dat opzicht en taalkundig is Urk uitstekend te herleiden tot een woord voor ‘wit’ in het Indo-Europees, de voorloper van het Germaans en daarmee het Nederlands en verwante streektalen. Dit geldt ook voor Ork en Ark, te vatten als een nevenvorm van Urk en een andere afleiding van dezelfde wortel, en het geldt voor enkele andere namen die met ark en ork samengesteld zijn, al zouden die in sommige gevallen kunnen verwijzen naar lichte grond.
De vorm Nakala is een verhoogduitsing, zoals Ekbert van Egbert in dezelfde oorkonde, of met woekerklinker ontstaan uit *Nakla, verscherpt uit *Nagla, waarvoor vergelijk Oudsaksisch swikli als jongere nevenvorm van swigli ‘stralend’, later overlevend als Gelders-Overijssels swikle (en Westfaals swickle) in het oude kinderrijm krûnekrane, swikle zwane, in andere uitvoering witte zwane. Anderszins kon *Nagla zich ook tot Nagele ontwikkelen. Bijna gelijk in oorsprong zij de stroomnaam Neile in Nedersaksen, van ouder *Negila, met i-omluid uit *Nagila. Tezamen zijn ze klankwettig te herleiden tot Voorgermaans *nh2gh(e)léh2 bij de Indo-Europese wortel *neh2gh–, die ook opduikt in Grieks nḗkhō ‘zwemmen’. Deze wortel is op zijn beurt een verlenging van *(s)neh2–, bekend van o.a. Latijn nō ‘zwemmen’ en Oudnoords nór ‘schip’. Toebehorend langs het Keltisch is de stroomnaam Nagold in Baden-Württemberg, zo Greule (2014).
Beelden
Vuurtoren van Urk door Minto Witteveen. Enige rechten voorbehouden.
Paleogeografische kaarten uit Vos e.a. (2018). Enige rechten voorbehouden.
Verwijzingen
Adams, D.Q., A Dictionary of Tocharian B, second edition (Amsterdam, 2013)
Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)
Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)
Beuker, G.J., “Die ersten Urkunden von 1209–1664”, in In der Gildschaft Scheerhorn. Hoogstede, Chronik eines Dorfes und seiner Ortsteile Arkel, Bathorn, Berge, Hoogstede, Kalle, Scheerhorn und Tinholt (Hoogstede, 2009)
Blöndal Magnússon, Á., Íslensk orðsifjabók (Reykjavik, 1989)
Buitenrust Hettema, F., Friese plaatsnamen, tegelijk een bijdrage tot de oude aardrijkskunde van Friesland = Nomina Geographica Neerlandica 4 (1899)
Derksen, R., Etymological Dictionary of the Slavic Inherited Lexicon (Leiden, 2008)
Derksen, R., Etymological Dictionary of the Baltic Inherited Lexicon (Leiden, 2015)
Förstemann, E., Altdeutsches Namenbuch, 1. Band: Personennamen, 2. völlig umgearbeitete Auflage (Bonn, 1900)
Gallée, J.H., Woordenboek van het Geldersch-Overijsselsch dialect (Deventer, 1895)
Gallée, J.H. & H. Tiefenbach, Altsächsische Grammatik, 3. Auflauge (Tübingen, 1993)
Greule, A., Deutsches Gewässernamenbuch (Berlijn, 2014)
Gysseling, M., Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (vóór 1226) (webuitgave)
Hekket, B.J., Oost Nederlandse familienamen (Enschede, 1975–1983)
Henstra, D.J., Friese graafschappen tussen Zwin en Wezer. Een overzicht van de grafelijkheid in middeleeuws Frisia (ca. 700-1200), bezorgd door A.T. Popkema (Assen, 2012)
Kloekhorst, A., Etymological Dictionary of the Hittite Inherited Lexicon (Leiden, 2008)
Laak, J.C. ter, De taal van het landschap. Pilotproject Toponiemen in de Berkelstreek (Amersfoort, 2005)
Muller, J.W., “Urk”, in Nomina Geographica Neerlandica 12 (1948), blz. 92–6
Naarding, J., “Genne, Genemuiden, Gellemuiden, Zele, Sellemuiden, Zeneke”, in Driemaandelijkse bladen 12 (1960), blz. 21–3
Niemann, C.L., Geschichte der alten Grafschaft und des nachherigen Münster’schen Amtes Kloppenburg (Münster, 1873)
Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)
Post, A. “Het territorium Urk”, in Urcker Kronieken, jaargang 2020, nr. 1 (2020)
Pottmeyer, H., “Eenige nasporingen over de plaatsnamen der provincie Antwerpen. VII. Aartselaar en Zinkval”, in Bijdragen tot de Geschiedenis, bijzonderlijk van het aloude Hertogdom Brabant 10 (1911), blz. 33–48
Prinz, O. & J. Schneider, Mittellateinisches Wörterbuch bis zum ausgehenden 13. Jahrhundert, I. Band. A–B (Berlijn, 1967)
Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)
Schönfeld, M., Veldnamen in Nederland, 2e druk (Arnhem, 1950)
Schönfeld, M. & A. Van Loey, Schönfelds Historische Grammatica van het Nederlands, achtste druk (Zutphen, 1970)
Tiefenbach, H., Altsächsisches Handwörterbuch / A Concise Old Saxon Dictionary (Berlijn, New York, 2010)
Toner, G. e.a., Dictionary of the Irish Language (DIL) (webuitgave)
Torp, A. Nynorsk etymologisk ordbok (Kristiania, 1919)
Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)
Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans, Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu (Amsterdam, 2018)
Vreugdenhil, V., “Het verdronken land van Urk”, in Historisch-geografisch tijdschrift 17(1) (1999), blz. 15–24
Wodtko, D. e.a., Nomina im Indogermanischen Lexikon (Heidelberg, 2008)
Woeste, Fr., Wörterbuch der westfälischen Mundart (Norden/Leipzig, 1882)
Zeiler, F.D., Nollen, krochten, blinken: duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin (1995)
Zeiler, F.D., “Nagele”, in Kamper Almanak 2019 (2019), blz. 147–54





