In de bodem langs de Muur van Hadrianus zijn meer dan zestig wijstenen gevonden, lang geleden opgericht voor goden, met een naam die alleen vanuit het Germaans te begrijpen is en vermoedelijk meegebracht was door manschappen uit de Lage Landen.
Strijders en stenen
De bouw van de Muur van Hadrianus, strekkend van zee tot zee, begon in 122 n.Chr. om de Romeinse bezetting van het eiland Brittannië te bestendigen tegen de aanvallen van de inheemse Picti in het hoge noorden. Aan en bij de Muur werden meerdere vestingen en torens gebouwd, vaak bemand door strijders uit andere delen van het Rijk en diens bondgenoten. Velen waren afkomstig van Germaanse stammen als de Frisii, Tvihanti, Batavi en Tungri, met hun bakermat in Friesland, Twente, de Betuwe en de omgeving van Tongeren in Belgisch-Limburg. Deze mensen hadden in verschillende mate zeden van de Romeinen overgenomen.
Bij de Muur richtten de manschappen en hun ondersteuners stenen op ter ere van meerdere goden. Zo wijdde ene Hnaudifridus een steen aan de godinnen Baudihillia en Friagabis en is bij een bron naast de brokstukken van een andere vesting een voor Ahuardua gevonden. Deze vier zijn ondanks Latijnse spelling en uitgangen overduidelijk Germaanse namen, de laatste een samenstelling met *ahwō ‘water’, de voorloper van a(a) in Nederlandse stroomnamen en een evenknie van Latijn aqua
Veelvuldig genoemd
Voornamelijk langs het middendeel van de Muur, van Carvoran in Cumbria tot Corbridge in Northumberland, zijn ruim zestig betrekkelijk kleine en eenvoudige wijstenen gevonden met dezelfde godennaam, zoals gebruikelijk altijd in de derde naamval, in vormen als (Deo ‘aan de god’) Veteri, Viteri, Vitiri, Vetiri, Vetri en Vitri, en in meervoud Veteribus, Vitiribus enzovoort, soms ook vrouwelijk (Deabus ‘aan de godinnen’) Vitiribus. Ze lijken op het eerste gezicht al dan niet verbasterde vormen van veteri en veteribus, verbuigingen van Latijn vetus ‘oud’.
Doch opmerkelijk genoeg gaat er in een minderheid een H aan vooraf, getuige Hveteri, Hvitri, Hveteribus, Hviteribus en Hvitiribus. Volgens taalkundige Patrizia de Bernardo Stempel moet deze H los gelezen worden, als een afkorting van Brits *henos ‘oud’, de voortzetting van Keltisch *senos. De ontwikkeling van *h uit *s aan het begin van woorden is inderdaad kenmerkend voor het Brits, blijkens Middelwels hen ‘oud’ tegenover Oudiers sen ‘oud’, maar kan zich niet eerder dan de zesde eeuw voltrokken hebben volgens het nauwgezette onderzoek naar Britse klankontwikkeling door Patrick Sims-Williams. De wijstenen daarentegen stammen uit de tweede en derde eeuw. De Bernardo Stempel geeft ook geen vergelijkbare gevallen van afkortingen op wijstenen en gaat voorbij aan een vorm die haar duiding logenstraft: (Deo Sancto) Vheteri.
Aldus wordt het duidelijk wat andere geleerden reeds begrepen hebben: de verschillende vormen zijn pogingen tot spelling van een Germaanse naam die met *Hw- begon, een klankreeks die de Romeinen en Britten niet kenden en de Germanen zelf ook niet gewend waren te spellen, aangezien ze nauwelijks in hun eigen taal geletterd waren. De oorspronkelijke vorm was vermoedelijk iets als *Hwitir- of met lange klinker *Hwītir- en werd verhaspeld met vormen van Latijn vetus ‘oud’. Norbert Wagner wees erop dat vulgäre Inschriften destijds wel vaker een e op de plek van een lange *ī hadden, noemde origenem, felius en peregreno als Latijnse voorbeelden.
Doorgronding
Voor de herkomst kunnen we het beste beginnen bij de oude Indo-Europese wortel *ḱu̯ei̯t- ‘helder oplichten’. Naar het inzicht van Guus Kroonen bestond hierbij een bijvoeglijk naamwoord met de volgende verbuiging: *ḱu̯éi̯t-ōr (1e nv.), ḱu̯it-nó-s (2e nv.), *ḱu̯it-én-i (7e nv.) enz. Het was een van de zogenaamde r/n-stammen. Deze zou zich klankwettig ontwikkeld hebben tot Germaans *hwīþōr (1e nv.), *hwittaz (2e nv.), *hwideni (3e nv.) enz. Door gelijktrekking werd de eerste naamval naar twee verschillende vormen omgewrocht: *hwītaz en *hwittaz, de voorlopers van onder meer Engels white en Nederlands wit. Zulke gelijktrekking was schering en inslag in de geschiedenis van het Germaans.
Daarmee is *Hwīter- of *Hwiter- op de wijstenen langs de Muur van Hadrianus te begrijpen als een oude verbuigingsstam van dit vertrouwde kleurwoord en betekent een inschrift als Deo Hvitri dus letterlijk ‘aan de witte god’. Dit eerder dan ‘aan de god Wit’, want het is wel een aanduiding, geen echte naam, daar sommige stenen mannelijke of vrouwelijke meervoudsvormen bevatten. Het is evenwel aannemelijk dat deze aanduiding aan een god en groep goden in het bijzonder voorbehouden was. In een enkel geval staat er (ook) een andere godennaam op: Deo Mogonti Vitire Sancto. Hier wordt de elders ook genoemde doch anderszins onbekende Keltische god Mogons ‘Grote’ ofwel vereenzelvigd met een Germaanse god, ofwel vereerd met een Germaanse aanduiding.
Aan het oostelijke uiteinde van de Muur, in South Shields vlakbij zee, is op de plek van de oude vesting Arbeia de opmerkelijkste van deze stenen gevonden, met het inschrift Deo Ansu Vitiri. Hierin is Ansu onmiddellijk te herkennen als een verbogen vorm van Germaans *ansuz ‘god’. Dit woord verdween in onze streken al vroeg uit de taal, leefde echter nog lang voort als eerste lid van namen, waaronder Oudnederlands Anshild (met hild ‘strijd’) en Anshelm (met helm ‘bedekking, bescherming’) en Oudfries Óslêf (met lêf ‘nazaat’) en Ósgêr (met gêr ‘speer’) in de oordnaam Ósgêresgêst ‘zandgrond van Ósgêr’, inmiddels verbasterd tot Oegstgeest in Zuid-Holland. In het hoge noorden bleef het als afzonderlijk woord in gebruik, in de vorm van Oudnoords áss, meervoud æsir.
Gelijkenis
Bernard Mees heeft onlangs in boek en blog gewezen op een overeenkomstige beschrijving van de god Heimdallr in de Oudnoordse overlevering. Die heet hvítastr ása ‘witst der goden’ in het gedicht Þrýmskviða en wordt hvíti áss ‘de witte god’ en mikill ok heilagr ‘groots en heilig’ genoemd door de dertiende-eeuwse IJslandse dichter Snorri Sturluson in Gylfaginning. Andere goden heetten niet ‘wit’, tot men na de kerstening Jezus zag als Hvíta-Kristr.
Heimdallr heet in het oude gedicht Vǫluspá de vader der mensheid en is het meest bekend van de later opgestelde Rígsþula. Daarin wordt verhaald hoe hij eens door het land over de wegen wandelde en bij drie huizen langsging, waar hij zich als Rígr voorstelde en raad aan de bewoners gaf. Daarop werd in elk huis een kind geboren en bij naamgeving met water besprenkeld: in het eerste de lelijke, korte, donkere knaap Þræll ‘Dienstman’, in het tweede de rossige, kloeke jongen Karl ‘Vrijman’ en in het derde de strijdbare Jarl ‘Edelman’ met lichte haren en blakende wangen. Het blijken de voorouders der standen in de samenleving. Jarls jongste zoon Konr ‘Telg’ verwerft onder meer de wijsheid der rúnar of ruinstaven en krijgt uiteindelijk zelf ook de naam Rígr—denkelijk een ontlening van Oudiers ríg ‘koning’.
Maar voor ons hier het meest belangwekkend in verband met de Muur van Hadrianus, diens wachthouders en hun witte goden is waar Mees ons verder aan herinnert: de witte Heimdallr stond ook bekend als de ‘wacht der goden’, de vǫrðr goða in de oudere gedichten Grímnismál en Lokasenna, alsmede volgens Snorri. Die zegt ook dat Heimdallr vanuit zijn woning Himinbjǫrg ‘Hemelberg’ de regenboogweg Bilrǫst (nevenvorm Bifrǫst) naar de hemel bewaakt tegen de bergreuzen, dat hij minder slaap dan een vogel vergt, dat hij zowel dag en nacht honderd mijl voor zich uit kan zien en dat hij gras op aarde en wol op schapen hoort groeien en alles wat luider is. Hij heeft bovendien een tromp genaamd Gjallarhorn en diens geschal wordt in alle werelden gehoord. En volgens de Vǫluspá ligt het raadselachtige hljóð—‘gehoor’ of ‘(stem)geluid’—van Heimdallr onder de heilige wereldboom verborgen.
Voorgeschiedenis
Met dit alles ligt het voor de hand dat hij een van de belangrijkste goden is. Groot zijn de gelijkenissen met Óðinn, die als reizende god met zijn broeders Vili en Vé de eerste man en vrouw schiep uit twee aangespoelde bomen. Óðinn is Alfǫðr—‘Alvader’ of ‘Alschikker’—en kijkt vanuit zijn hoge zetel Hlíðskjálf uit over de wereld van mensen, ziet zo iedermans daden en weet alles. Hij, in onze taal Woen geheten, is tevens en wel oorspronkelijk een zienergod die reeds tweeduizend jaar geleden een andere god kwam te overschaduwen en diens eigenschappen en hoedanigheden overnam. Die god is Týr, bij ons Tuw, die te boek staat als de heer van recht en oorlog doch met een naam die ‘God, Hemelse’ betekent in een ver verleden de voortzetting van de Indo-Europese hoofdgod *Di̯ḗu̯s ph2tḗr ‘Vader Hemel, Vader God’ is. Diens naam komt net als bijvoorbeeld Latijn dies ‘dag’ van een wortel met de betekenis ‘schijnen’.
Deze hoofdgod werd Zeús (patḗr) bij de Grieken, Iuppiter bij de Romeinen en Dyáuṣ Pitā́ bij de Indiërs. Die laatste was nog van belang doch in voorstelling en verering naar de achtergrond verdwenen wanneer we hem tegenkomen in de ruim drieduizend jaar oude Ṛgvedá, een omvangrijke Indiase liederbundel ter loving van de goden. De invloedrijke godsdienstwetenschapper Georges Dumézil achtte vooral Dyáuṣ Pitā́ vergelijkbaar met Heimdallr, zag hen beide de rol van de god des begins vervullen. Het laat zich gewis niet bewijzen dat Heimdallr in de mythologische bewogenheid eigenlijk een verschijning van de oorspronkelijke hoofgod is, maar we krijgen wel de indruk dat hij ooit eens eine weit höhere Stelle im Kulte eingenommen haben muß, zoals de zeer geleerde Jan de Vries het verwoordde.
Besluit
Terugkerend naar de witte god en de witte goden en godinnen van Germanen die de wacht hielden op de Muur van Hadrianus in de tweede en derde eeuw n.Chr. vinden we ons slechts met mogelijkheden: dat ze de god bedoelden die in de latere Oudnoordse overlevering bekend stond als Heimdallr, de wachter der goden en de witste van hen allen; dat deze god indertijd misschien wel één en dezelfde was als Tuw; en dat door afstamming van deze hemelse vader de goden gezamenlijk als de ‘witten’ gezien werden, zoals Jarl en zijn vorstelijke telgen de lichtsten waren.
Tot slot zijn bij nader inzien twee zaken nog van belang, ten eerste dat men op één steen sprak van een enkele *ansuz, wellicht zelfs als toenaam gebruikt. Dit woord staat weliswaar in de zin van ‘god’ te boek doch is buiten het Germaans vermoedelijk verwant aan Luwisch ḫamšaš ‘kleinkind’ en Hettitisch ḫāššaš ‘afstammeling, telg’, ḫāši-/ḫaššanzi ‘baren, verwekken’ en ḫaššuš ‘koning’. Dat laatste lijkt zelfs een evenknie van *ansuz, dat aldus eerst wel verwees naar een koning en voorvader, net wat Heimdallr was. De andere zaak is dat zijn Oudnoordse aanduiding vǫrðr (goða) ‘wacht (der goden)’ een evenknie heeft aan Oudengels weard ‘wacht, hoeder’, een woord dat ook voor vorsten gebruikt werd, na de kerstening zelfs voor de Heer in verbindingen als heofenríces weard ‘hoeder des hemelrijks’ en rodores weard ‘hoeder des uitspansels’.
Verwijzingen
Berkel, G. van & K. Samplonius, Nederlandse plaatsnamen verklaard (2018)
De Bernardo Stempel, B., “Continuity, translatio and identificatio in Romano-Celtic religion: the case of Britain”, in R. Häussler & G. Bauchhenß (eds), Continuity and innovation in religion in the Roman West 2 (2008), blz. 67–82
Dumézil, G., Gods of the Ancient Northmen (Berkely, 1977)
Goldberg, M., “The cult of Vitiris and Ptolemy’s Votadini: vernacular religion in northern Britain’, in Understanding Roman Frontiers. A Celebration for Professor Bill Hanson (Edinburgh, 2015), blz. 196–211
Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)
Mees, B., The English Language before England. An Epigraphic Account (New York / London, 2022)
Nieuwenhuijsen, K., Namen in de Lagen Landen voor 1150 (webuitgave)
Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)
Simek, R., Lexikon der germanischen Mythologie, 3. Auflage (Stuttgart, 2006)
Sims-Williams, P., The Celtic Inscriptions of Britain: Phonology and Chronology, c. 400-1200 (Oxford, 2003)
Sturluson, S., Edda, translated by A. Faulkes (Londen, 1987)
Vries, J. de, Altgermanische Religionsgeschichte, I-II, 3. unveränderte Auflage (Berlijn, 1970)
Vries, J. de (vert.), Edda. Goden- en heldenliederen uit de Germaanse oudheid, 10e druk (Deventer, 1999)
Wagner, N., “Freio et Friatto und Hviteribus”, in Historische Sprachforschung 111-1 (1998), blz. 177–83
Een gedachte over “De witte goden der wachthouders”