Skip to content

Namen van Nederlandse stammen: Chauci

29 augustus 2015

stammen
Germaanse stammen in de Lage Landen in de tweede eeuw na Christus

Toen de Romeinen rond het begin van onze jaartelling oprukten in de Lage Landen waren deze bewoond door verschillende Germaanse stammen. De namen van deze stammen zijn tot ons gekomen in gelatiniseerde vorm. Maar wat betekenen zij? In een reeks gewijd aan de duiding van deze namen, deze keer: de Chauci.

Kleine geschiedenis
Na de Frisii in 12 voor Christus te hebben onderworpen, vallen de Romeinen onder Drusus datzelfde jaar het gebied van de Chauci binnen. Deze leven dan ruwweg tussen de Eems en de Elve, van de kust tot ver in het binnenland. Zeventien jaar later zet Tiberius de krijgstocht van zijn broer Drusus voort en bestendigt daarmee het gezag over de Chauci. Als de Romeinen dan in 9 na Christus een verpletterende nederlaag lijden tegen de opstandige Cherusci en andere Germaanse stammen is het onduidelijk of de Chauci een rol in deze slag spelen. Zij blijken dertig jaar later evenwel een van de toen verloren legioenstandaarden in hun bezit te hebben. Tegen die tijd zijn en blijven zij vijand van Rome: zo belagen zij in 41 met boten de Gallische kust, in 47 nogmaals (onder leiding van ene Gannascus van de Cananafates) en voegen zij zich in 69 bij de Batavi als die in opstand komen.

De Romeinse geschiedschrijver Plinius vertelt in 77 met enige overdrijving over de armzalige levensomstandigheden van de Chauci die aan de kust op wierden wonen, hoe zij zich bijvoorbeeld met regenwater moeten bedruipen. Hij omschrijft ook de boten waarmee zij op rooftocht gaan: uitgeholde bomen die soms wel dertig man kunnen vervoeren. Zijn volksgenoot Tacitus schetst ruim twintig jaar later een veel vleiender beeld: de Chauci genieten hoog aanzien onder de Germanen en staan bekend om hun rechtvaardigheid en tucht en hoe zij hun buurstammen niet lastigvallen met rooftochten, hoewel zij beschikken over vele weerbare mannen en rossen. We mogen dit met een korrel zout nemen, aangezien de Chauci tussen 50 en 60 de Ampsivarii grotendeels hadden verdreven. Bodemvondsten bevestigen dat hun invloed zich rond die tijd begon uit te breiden naar het westen, in wat nu Groningen en Drenthe zijn.

Hoewel zij aanvankelijk weinig gelaagd of gecentraliseerd lijken te zijn geweest, komen er vanaf 100 na Christus invloedrijke adellijke geslachten op onder de Chauci, getuige de rijkere graven en gebouwen. Het is ook in deze tijd dat zij met grotere hevigheid de kusten van het Romeinse Rijk beginnen te teisteren en bij uitstek de Germaanse zeerovers van hun tijd worden. Hun vaartuigen zijn dan niet langer uitgeholde bomen, maar buitgemaakte Romeinse schepen en zeilschepen van eigen maak. Met name tussen 170 en 200 gaan zoveel nederzettingen en landgoederen langs de kust in Brittanië en Gallië in vlammen op, dat de Romeinen genoodzaakt zijn om een reeks verdedigingswerken op te zetten en voorgoed te bemannen.

In de eeuwen die volgen raakt de naam Chauci buiten gebruik en worden zij samen met enkele oude buurstammen –waaronder de Thrihanti, Tvihanti, Angrivarii, Aviones en waarschijnlijk ook de Cherusci– bekend als Saxones, oftewel Saksen. In hoeverre dit nieuwe volksverband vrijwillig tot stand is gekomen is niet bekend, maar hun latere, gewelddadige uitbreidingen en zeer strenge klassenmaatschappij geven te denken.

saks

Als Saksen blijven zij –nu samen met Franken– het Rijk vanaf de zee belagen, waardoor de Romeinen aan het einde van de derde eeuw hun verdedigingswerken behoorlijk moeten uitbreiden. Deze staan later bekend onder de naam litus Saxonicum, oftewel ‘Saksische kust’. De zwaarte van de vestingen die dan verrijzen wijst erop dat de Romeinen meenden dat de Saksen en Franken goed uitgerust waren en in staat tot grootschalige invallen vanuit schepen.

Aan het einde van de vierde eeuw hebben de Romeinen niet meer de middelen om hun aanwezigheid in Brittannië voort te zetten en laten zij de inmiddels geromaniseerde bevolking verweesd achter. Groepen Saksen beginnen zich daar vervolgens te vestigen. Onder meer ook groepen Engelen, afkomstig uit wat nu het Duits-Deense grensgebied is, strijken neer. Zij waren voordien waarschijnlijk ook deel van de Germaanse zeerovers en door Romeinen op één hoop met ‘Saksen’ gegooid. Volgens de overlevering waren al deze Germanen uitgenodigd door de Britse vorst Vortigern, om de geromaniseerde bevolking te beschermen tegen invallen van de Picten uit het hoge noorden. De Engelen en Saksen slaagden hier bijzonder goed in en namen zelfs de macht over. Ze stichtten vervolgens meerdere koninkrijken, waaronder die van de Middelseaxe, Éastseaxe, Súþseaxe en Westseaxe, oftewel die van de Middelsaksen, Oostsaksen, Zuidsaksen en Westsaksen (thans de gebieden Middlesex, Essex, Sussex en Wessex). Uiteindelijk smeedden deze ‘Germaanse Britten’ zich –mede vanuit de latere strijd tegen de binnenvallende Denen– tot één volk, de Engelsen, in één koninkrijk, Engeland.

Op het vasteland hadden de Saksen in de vroege Middeleeuwen zoals gezegd een zeer strenge klassenmaatschappij. De afstand tussen de edelen en de vrijen was groter dan elders en op een huwelijk tussen mensen van verschillende standen stond de doodstraf. Ze kenden nochtans geen koningen en waren nog heidenen, in tegenstelling tot de inmiddels Christelijke Franken, met wien ze aanvankelijk een redelijke verstandhouding hadden. In 531 onderwierpen zij bijvoorbeeld gezamenlijk het rijk van een buurstam, de voorzaten van Thüringen. In de volgende 250 jaar kwam het echter tot het ene geschil na het andere, tot de Franken onder Karel de Grote in 772 de oorlog verklaarden aan de Saksen onder Widukind. De Franken behaalden binnen enkele jaren de zege en het rijk der Saksen werd een hertogdom onder het gezag van de Franken. Karel had een zeer bloedige strijd gevoerd en de Saksen met geweld bekeerd, in weerwil van geestelijken die een vreedzame kerstening voorstonden. Er volgden nog wel opstanden van vrije Saksen, maar de edelen bleven grotendeels trouw aan de Franken.

Voordat de Saksen hun onafhankelijkheid verloren woonden zij in wat thans Nedersaksen, Holstein, Westfalen en delen van Saksen-Anhalt in Duitsland zijn en wat thans Overijssel, Drenthe en delen van Groningen en Gelderland zijn. In al deze gebieden werd ongeveer van de vijfde tot de elfde eeuw het Oudsaksisch gesproken. Deze taal ontwikkelde zich vervolgens tot het Middelnederduits, de voorloper van de hedendaagse Saksische of Nederduitse streektalen van Nederland en Duitsland.

Duiding
Algemeen wordt aangenomen dat Chauci net als de spellingen Cauchi en Cauci een latinisering is van Oudgermaans *Hauhōz, het meervoud van *hauhaz, de voorloper van o.a. Nederlands hoog, Duits hoch en Engels high. De Chauci zijn dus letterlijk de ‘Hogen’. Het is evenwel onduidelijk in welke zin. De eerste mogelijkheid is ruimtelijk, en wel dat de naam aanvankelijk sloeg op de kustbewoners onder hen die immers hoog op wierden woonden om niet door de vloed weggespoeld te worden. Anderszins sloeg de naam wellicht op hun gestalte. Hoewel het onder de Romeinen een gemeenplaats was dat de Germanen rijzig waren, is het opmerkelijk dat Caius Velleius Paterculus –dienend onder Tiberius– schreef over de “enorme lichaamsbouw” van de Chauci tegen wien hij had gevochten. Maar het is in lijn met de beschrijving van Tacitus ook mogelijk dat ‘hoog’ hier als ‘verheven’ en ‘edel’ moet worden opgevat.

Achter de Latijnse spelling Saxones schuilt Oudgermaans *Sahsaniz (enkelvoud *Sahsō), waarvan o.a. Oudengels Seaxan, Seaxe, Duits Sachsen en Middelnederlands Sassen. De klankwettige Nederlandse vorm zou Zassen luiden; de nu gangbare vorm Saksen is eigenlijk Oostnederlands. De naam is naar alle waarschijnlijkheid afgeleid van Oudgermaans *sahsan, de benaming van een éénsnijdend steekwapen dat het midden hield tussen een mes en een zwaard en dat kenmerkend was voor de Saksen, hoewel het ook door andere Germanen werd gedragen. Het woord komt van een wortel met de betekenis ‘snijden’ en is verwant aan o.a. *sagō, *sagisnō en *sagjaz, de voorlopers van Nederlands zaag, zeis en zegge (een grasachtig gewas). Een zeer oude samenstelling van *mati- ‘eten’ + *sahsan leidde tot Oudengels meteseax, Oudhoogduits mezzisahs, mezzirahs, Duits Messer en –sterk verbasterd– Nederlands mes.

~

Lees verder over andere stamnamen in deze reeks.

~

Beeld
Beschikbaar gesteld door het Rijksmuseum Oudheden, Leiden. Enige rechten voorbehouden.

Verwijzingen

Haywood, J., Dark Age Naval Power: Frankish & Anglo-Saxon Seafaring Activity (Hockwold-cum-Wilton, 2006)

Lendering, J., De randen van de aarde (Amsterdam, 2000)

Neumann, G., “Chauken”, in Reallexikon der Germanische Altertumskunde, Bd. 4 (1981)

Nieuwhof, A., “De late prehistorie en protohistorie van holoceen Noord-Nederland”, in Nationale Onderzoeksagenda Archeologie 12 (2005)

Nieuwhof, A., “Anglo-Saxon immigration or continuity? Ezinge and the coastal area of the northern Netherlands in the Migration Period”, in Journal of Archaeology in the Low Countries 4-2 (2013)

Tacitus, P.C., Germania, vertaald en besproken door J.B. Rives (Oxford, 2002)

Robinson, O. W., Old English and its Closest Relatives (Stanford, 1992)

Advertenties
One Comment leave one →

Trackbacks

  1. Wijkingen! | Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s