Skip to content

Namen van Nederlandse stammen: Cananefates

30 april 2013

Germaanse stammen in de Lage Landen in de tweede eeuw na ChristusGermaanse stammen in de Lage Landen in de tweede eeuw na Christus

Toen de Romeinen rond het begin van onze jaartelling oprukten in de Lage Landen waren deze bewoond door verschillende Germaanse stammen. De namen van deze stammen zijn tot ons gekomen in gelatiniseerde vorm. Maar wat betekenen zij? In een reeks gewijd aan de duiding van deze namen, deze keer: de Cananefates.

Kleine geschiedenis
Ten westen van de Batavi, in het wijdere mondingsgebied van de Rijn en de Maas, wonen de Cananefates. Zij gelijken de Batavi in oorsprong, taal en moed, doch doen voor hen onder in aantallen, zo meldt de Romeinse geschiedschrijver Tacitus. Net als de Batavi leveren de Cananefates van meet af aan ruiters aan het Romeinse leger, en midden in hun land staat Forum Hadriani, thans Voorburg. In deze rol als hulptroepen moeten zij in 28 na Christus meehelpen opstandige Frisii benoorden hen te bedwingen. Tot hun spijt, want in de slag die volgt in het heilige woud van de godin Baduhenna richten de Frisii een ware slachting aan.

Boot/Duiker van de CananefatesTwintig jaar later loopt een der Cananefates genaamd Gannascus weg uit Romeinse dienst om een groep Chauci te leiden in hun plundertochten op Gallië, met levibus navigiis, ‘lichte vaartuigen’. Volgens Plinius de Oudere, die in dezelfde tijd leeft en de streek heeft bezocht, bestaan de schepen van Germaanse zeerovers uit uitgeholde boomstammen, waarvan sommige wel dertig man kunnen vervoeren. Is de eik groot genoeg, dan kan het zelfs met zeil worden uitgerust. Ook de Cananefates maken en varen zulke boten, maar zij onderscheiden zich van andere Germanen door hun gewoonte om oude boten ook nog eens om te bouwen tot duikers en zo een greep te houden op hun waterrijke land.

Net als de Frisii voegen de Cananefates zich in 69 na Christus bij de Batavi in dier opstand tegen de Romeinen. De Cananefates worden in dezen geleid door ene Brinno, een edelman wiens roem ver strekt in die streken. Zij brengen de Romeinen aanvankelijk ernstige schade toe, maar worden uiteindelijk verslagen. En net als de Batavi blijven zij nadien ruiters leveren aan het Rijk.

Maar wanneer de Romeinen zich in de derde eeuw na Christus terugtrekken wordt het te moeilijk om het inmiddels hevig ontgonnen landschap te behoeden voor de grillige zee. De Cananefates verdwijnen uit de geschiedenis en moeten grotendeels verder landinwaarts zijn getrokken om net als de Batavi op te gaan in de Franci/Franken: een nieuw en groot Germaans stammenverbond.

Duiding
Menig Nederlander op leeftijd zal als schoolkind te horen hebben gehad dat de naam Cananefates zo veel als ‘konijnenvreters’ of ‘konijnenvangers’ betekent. Maar helaas, konijnen kwamen nog niet zo ver noordelijk voor in die tijd. Andere duidingen zijn niet veel beter, zoals het voorstel dat de naam uit een voor-Germaanse taal stamt.

De mijlpaal van keizer DeciusDe duiding van de naam hang ook af van de lezing. Er zijn namelijk meerdere vormen overgeleverd in verscheidene bronnen, waaronder Cananefates, Cannanefates, Canninefates, Cannenefates, Canafates en Cannafates. De eerste, Cananefates, lijkt echter de meest oorspronkelijke, want gevonden op inschriften die door geletterde Cananefates zelf zijn achtergelaten, zoals op de mijlpaal van keizer Decius. Over het tweede lid wordt weinig getwist: -fates is een latinisering van Oudgermaans *faþīz, meervoud van *faþiz ‘heer’, een woord dat wij ook vinden in Gotisch faþs ‘heer’.

Peter Schrijver en Lauran Toorians stemmen hier mee in maar duiden het eerste lid van de naam als een Keltisch(!) woord *kannīnā- dat ‘look’ betekent en anderszins zijn voortzetting vindt in o.a. Oudwels cennin ‘look’. De oorspronkelijke vorm zou dan niet Cananefates maar Canninefates zijn, en daarmee een Keltisch-Germaans mengwoord dat ‘look-heren’ betekent. Zij vergelijken dit met voorbeelden uit de Keltische overlevering waar mannen worden beschreven als preien: rechtopstaand. Een mengwoord is op zichzelf echter weinig waarschijnlijk, helemaal aangezien het Oudgermaans een eigen woord voor ‘look’ had (*laukaz). Bovendien weten we te weinig over de Cananefates om te kunnen bevestigen dat look voor hen enige rol van betekenis had.

Veel aannemelijker is nochtans de oudere duiding die Günter Neumann verkiest: dat Cananefates, de vorm die zoals gezegd ook het meest oorspronkelijk lijkt, een latinisering is van Oudgermaans *Kananēfaþīz, waarbij *kananē het genitief meervoud is van Oudgermaans *kanō ‘uitgehold stuk hout, boot’, een woord dat we terugvinden in Middelnederduits kane ‘boot’, Hoogduits Kahn ‘boot’, Ouddeens kane ‘boot’ en Oudnoords kani ‘houten kom’. Daarnaast is er het verwante Oudgermaans *kōnjōn, vanwaar Oudnoords kæna ‘bootje’. De Cananefates/*Kananēfaþīz zijn dan de ‘boten-heren, heren der boten’, een benaming die taalkundig past, maar ook wordt ondersteund door wat we daadwerkelijk van hen weten: namelijk dat zij boten bouwden en voeren, en deze ook nog eens kunstig ombouwden tot duikers.

De vormen met dubbele n in Romeinse geschriften, zoals Tacitus’ Canninefates, kunnen het gevolg zijn van invloed van Latijn canna ‘riet’ en/of door verwarring met een samengetrokken Oudgermaanse nevenvorm als *Kannēfaþīz naast *Kananēfaþīz.

Had deze volksnaam het van Oudgermaans tot hedendaags Nederlands volgehouden, dan zou hij luiden: Kanenveden.

~

Lees verder over andere stamnamen in deze reeks.

~

Verwijzingen
Haywood, J., Dark Age Naval Power: Frankish & Anglo-Saxon Seafaring Activity (Hockwold-cum-Wilton, 2006)
Lendering, J., De randen van de aardeDe Romeinen tussen Eems en Schelde (Amsterdam, 2000)
Neumann, G., “Kananefaten”, in Namenstudien zum Altgermanischen (Berlijn, 2008)
Orel, V., A Handbook of Germanic Etymology (Leiden, 2003)
Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)
Ridder, T. de, “De oudste deltawerken van West-Europa”, in Natuurwetenschap & Techniek, 5 (2001) (webuitgave)
Schrijver, P., “De etymologie van de naam van de Cannenefaten”, in Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik, 41 (1995), blz. 13-22
Tacitus, P.C., Annales, vertaald door Ben Bijnsdorp (webuitgave)
Tacitus, P.C., Germania, vertaald en besproken door J.B. Rives (Oxford, 2002)
Tacitus, P.C., Historiae, vertaald door A.J. Church en W.J. Brodribb (webuitgave)
Advertenties
8 reacties leave one →
  1. 22 mei 2013 21:37

    Zou er misschien ook een verband kunnen zijn met “Kennemer”-land? Wellicht van eenzelfde wortel?

    • Olivier van Renswoude permalink*
      22 mei 2013 22:31

      Goed punt!

      Kennemerland is een uitbreiding; de eerste overgeleverde vormen zijn Kinnehêm (omstreeks 725) en Kinhêm (855). Het tweede lid hêm is de voorloper van Nederlands heem ‘woonplaats’.

      Neumann, dien ik in het stuk aanhaalde, denkt in navolging van Rudolf Much dat de volksnaam inderdaad in deze streeknaam schuilt, zij het reeds in sterk verbasterde vorm.

      Ik ben daar zelf minder zeker van. Aardrijkskundig en vormelijk zou het kunnen passen, maar er zitten aardig wat eeuwen tussen en ik vermoed dat er andere duidingen van deze streeknaam mogelijk zijn.

  2. Rob permalink
    18 juni 2013 17:19

    Hallo Olivier,

    Het is al weer lang gelden dat ik (als “Abramelin”) hier reakties plaatste, maar hier dan toch weer één.

    Zoals je misschien nog weet was (en ben) ik nogal aardig druk met een bekende negentiende eeuwse Nederlandse falsificatie genaamd “Oera Linda Boek”. Hoewel het voor mij vaststaat dat het inderdaad een falsificatie is, moet ik tooegeven dat ik gedurende al die jaren aardig wat geleerd heb met betrekkiing tot (onze) taal en geschiedenis.

    Wat ik op die manier tegenkwam was de theorie van Theo Vennemann over Fenicische/Punische invloeden in de Germaanse talen (zie ook “Noordwestblok”).

    Om niet te lang om de hete brij heen te draaien plaats ik een link naar een door mij ingezonden stuk betreffende die connectie:

    http://www.unexplained-mysteries.com/forum/index.php?showtopic=227240&st=1965#entry4548059

    Dat de Fenicischs/Hebreeuwse invloed op onze taal een mogelijkheid is, blijkt uit wat sommigen voor de etymologie van de godinnennaam “Nehalennia” naar voren brachten:

    [i]Sommigen herleiden de naam Nehalennia terug naar het Hebreeuwse woord ‘nahal’, wat geleiden betekent, en ‘aniah’ wat schip betekent. Hier komt dan de betekenis ‘geleid het schip’, degene die het schip/de schepen geleidt vandaan.[/i]

    http://www.neeltjejans.nl/index.php/nl/parkinfo/herkomst-naam

    En het Hebreeuws en Fenicisch zijn nauw verwante talen, net zoals de volkeren die die talen spraken (beiden zijn Kanaänieten).

    En nou komt ’t :

    Canannefat = Knn nft, or Canaan Nefat?

    Als je die ingezonden tekt van mij leest zul je zien dat het een reële (?) mogelijkheid is dat Feniciërs hier inderdaad zijn geweest, en, God weet, gestrand zijn en zich aan de Nederlandse westkust hebben gevestigd, meer dan 2000 jaar geleden.

    Die bootjes die jij noemde zouden kunnen zijn vernoemd naar het volk dat er daar aan de kust in rondvoer, de zogenaamde Kanaänieten, een volk dat zichzelf “Knn” (Kanana) noemde.

    Nou, hier mag je het dan weer mee doen,Olivier, haha !

    Groeten,

    Rob (“Abramelin”).

    • Olivier van Renswoude permalink*
      1 juli 2013 15:11

      Beste Rob,

      Mijn verontschuldigingen voor het late antwoord. Ik ben de laatste tijd niet toegekomen aan zaken Taaldachtig.

      Met het werk van Vennemann ben ik slechts zijdelings bekend. Het Germaans heeft veel eigenaardigheden, maar ik denk niet dat het nodig is deze te duiden als (ten dele) het gevolg van Semitische invloeden. De talige aanwijzingen hiervoor zijn niet sterk te noemen en zonder ondersteunend bewijs in de vorm van bodemvondsten en opmerkingen in de schriftelijke overlevering is de zaak verre van overtuigend.

      Ik heb weinig kennis van het Hebreeuws, maar de verbinding van Nehalennia met Hebreeuws nahal en aniah, als die woorden daadwerkelijk zo bestaan, lijkt me zo op het eerste gezicht meer een wilde gok dan weloverwogen. Hoe wordt bijvoorbeeld verklaard dat nahal in Nehal- en aniah in -ennia is veranderd? Zijn er nevenvormen of vervoegingen van nahal en aniah die dit mogelijk maken?

      Daarnaast, de ene Semitische taal is de andere niet. Wat voor het Hebreeuws geldt hoeft niet te gelden voor de taal van de zeevaarders die volgens deze opvatting onze streken aandeden. Bestonden nahal en aniah ook in díé Semitische taal? Zo ja, in welke vormen? En zijn die vormen dan nog te verbinden met Nehalennia? Vragen die niet of nauwelijks te beantwoorden zijn, waarmee dit voorstel niet veel waarde heeft. Zo ook met Cananefates.

      Noem een willekeurige naam in een willekeurige taal en deze zal lijken op een woord of een samenstelling van woorden uit een andere willekeurige taal. Zolang er verder geen sterke aanwijzingen zijn dat onze streken in die tijd zijn bezocht en bewoond door Semitische zeevaarders hebben we weinig aan de gelijkenis tussen enerzijds namen als Nehalennia en Cananefates en anderzijds woorden uit andere, verre talen.

      Met vriendelijke groet,

      Olivier

      • Rob permalink
        9 juli 2013 22:10

        Olivier,

        Ik ben afgesneden van gas en licht, en ik maak nou gebruik van de computer van mijn buurman. Dat ding is zo langzaam als dikke xxxxxx.

        Wat ik nog wel kwijt wil is, dat de Feniciers in Engeland zijn geweest, en hoogst waarschijnlijk ook contact hebben gemaakt met andere landen rond de Noordzee.

        En er zijn bewijzen dat mensen van Kreta en Mycene hier (Duitse Bocht) zijn geweest (rond 1100 BCE) en in Skandinavia (1700 BCE), dat alles gebaseerd op inscripties en barnsteen zegels en scheepsartikelen.

        IK kan je nu geen linken geven, maar reken erop dat ik je die geef zodra ik weer opp mijn eigen computer zit.

  3. Lambert Petit permalink
    14 september 2015 20:51

    Hallo, een geschiedenisleraar heeft de naam KENNEMERLAND in Nederland verklaard als afkomstig van Canenefaten. (Caninefaten). Is dat zo? Ik lees er bij uw artikel niets over.
    Dag.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      14 september 2015 21:29

      Klopt, Fedor had het hierboven ook al opgemerkt. In aanvulling op wat ik toen antwoordde:

      Volgens het Oudnederlands Woordenboek is het eerste lid in Kennemerland (voorheen Kin(ne)hêm) hetzelfde woord als (of een nevenvorm van) keen, dat voornamelijk in de betekenis ‘spleet’ wordt gebruikt, maar in Holland vanouds ook ‘geul of kreek in buitengronden, gorzen of slikken’. Voorbeeld: alle kenen, kreken ende sloten in denzelven moer gelegen (1430). Het gaat net als Oudengels cinu ‘spleet, ravijn’ terug op Oudgermaans *kinō (v.), een afleiding van het werkwoord *kīnanan ‘splijten, scheuren’.

      Daar wens ik mij bij aan te sluiten. Te meer: als de streeknaam werkelijk van de volksnaam ware afgeleid, dan hadden we in de schriftelijke overlevering van de streeknaam een spoor van -fates/-*faþīz verwacht. Maar die komen we niet tegen.

Trackbacks

  1. Baduhenna | Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s