Die Urheimat

Het is een moeilijk vraagstuk dat al eeuwen speelt en om maatschappelijke redenen omstreden is geworden, maar wie onze taal en geschiedenis wil doorgronden kan er niet omheen: waar lag de bakermat van het Germaans?

Omwenteling
Ons verhaal begint vijfduizend jaar geleden op de Noord-Europese Laagvlakte en Zuid-Zweden. Daar heerst dan sinds lang de Trechterbekercultuur, genoemd naar de vorm van haar aardewerk. Ze behelst een netwerk van gemeenschappen die afstammen van zowel de oorspronkelijke jagers en verzamelaars te lande als de boeren die duizenden jaren tevoren vanuit Anatolië het Avondland introkken. In het westelijke deel van de Laagvlakte hebben ze hun sporen nagelaten: grafkamers van grote zwerfkeien die ooit met aarde bedekt waren en die wij nu als hunebedden kennen.

Een eeuw later zal alles veranderen. Een vreemd doch ver verwant volk treedt binnen, afkomstig van de Steppe bezijden de Zwarte Zee en hoofdzakelijk afstammend van Oost-Europese jagers en verzamelaars. Het zijn nu vooral herders en ze onderscheiden zich ook nog eens door een sterke krijgersgeest en –baanbrekend– het rijden van paarden. Hier en nagenoeg overal elders waar ze komen zullen ze hun bloed, taal en zeden verspreiden: ruim vóór onze jaartelling worden van India tot het uiterste westen van Europa vormen van hun taal gesproken. Om die reden wordt dit steppevolk de Indo-Europeanen genoemd – inmiddels door geleerden verbonden met de Jamnacultuur.

touwbekercultuur
De Touwbekercultuur duurde van ongeveer 2900 tot 2450 voor Chr.

Hun stijl is ook anders, zodat de oude Trechterbekercultuur door hun komst verandert in de Touwbekercultuur, dat bovendien een veel groter gebied beslaat. Op de Laagvlakte vellen ze hele bossen, ten gunste van graslanden voor hun kuddes, en in het westelijke deel werpen ze ondertussen talloze van hun eigen soort grafheuvels op: één de man, zoals in hun oude thuisland. Dat is anders dan bij de hunebedden van de oude boeren; die werden voor gezamenlijke bijzetting gebruikt.

Uitbreiding
Enkele eeuwen later, omtrent 2500 voor Chr., breken wederom roerige tijden aan. In het westelijke deel van de Laagvlakte wordt de Touwbekercultuur opgevolgd door de Klokbekercultuur, die in dezelfde tijd ook verschijnt in Zuidwest-Europa, waar overigens nog niet of nauwelijks Indo-Europeanen zijn ingeweken. Het nieuwe aardewerk, tezamen met andere kenmerkende voorwerpen, moet dus door handel of kleine groepen verspreid zijn, al is het onduidelijk waar de oorsprong ligt. Nederland is een sterke mogelijkheid.

Brittannië ontvangt de nieuwe Klokbekercultuur daarentegen middels een ware volksverhuizing vanuit de Lage Landen. De oude eilanders –redelijk nauw verwant aan de oude hunebedbouwers op de Laagvlakte– zullen uiteindelijk bijna geheel vervangen worden door de binnenkomende Indo-Europeanen, die trouwens inmiddels zelf ook aardig wat bloed van boeren en jagers en verzamelaars door hun aderen hebben stromen. Groepen oude eilanders blijven nog wel enige tijd bestaan en leggen omtrent 2300 voor Chr. de laatste hand aan hun sterrenkundige meesterwerk en zwanenzang: Stonehenge.

De Basken en toenmalige aanverwanten handhaven hun eigen, niet-Indo-Europese taal te midden van de Kelten. Het is echter niet wis of het Baskisch er eerder was, als overblijfsel van de oude boerentaal, of dat het tezamen met het Indo-Europees (of in diens kielzog) uit het oosten was gekomen.

Ook op het vasteland breiden de Indo-Europeanen zich uit: zuidwaarts. Hoewel het nog erg vroeg in de geschiedenis is lijkt het erop dat zij die de Laagvlakte vanuit Nederland hebben verlaten de onmiddellijke voorouders van de Kelten zijn. Die bewonen immers de Britse eilanden, Gallië, Iberië en de streken in en om de Alpen tegen de tijd dat de schriftelijke overlevering begint. Tegelijk is het aannemelijk dat Nederland tamelijk ontvolkt raakt door deze grote verhuizingen en geleidelijk door andere Indo-Europeanen vanuit het oosten weer wordt gevuld.

In het noorden wordt ondertussen de rest van Scandinavië betrokken door groepen zeevaardige Indo-Europeanen van de Klokbekercultuur. Tot dan toe woonden er in Noorwegen en alles boven Zuid-Zweden nog allerlei afzonderlijke gemeenschappen van vissers en jagers en verzamelaars. Grote delen van het schiereiland worden nu echter bij het netwerk van het vasteland betrokken, met als gevolg een betrekkelijke eenheid. Toch zal Scandinavië –volgens oudheidskundigen als Kristian Kristiansen– daarna verschillende keren afgesloten raken, zich onderscheiden, en vervolgens weer betrokken worden bij het vasteland.

Germaans
Door de grote afstanden en de invloed van erop overschakelende sprekers bestond het Indo-Europees inmiddels uit verschillende streektalen. Uit één hiervan –ergens– is het Germaans ontwikkeld, onder andere doordat men daar de oorspronkelijke klanken stelselmatig net iets anders ging uitspreken. Zo werden *p, *t en *k verschoven tot *f, *þ en *h als ze aan het begin van woorden stonden of meteen na de klemtoon kwamen, en tot *b, *d en *g in andere gevallen, waardoor bijvoorbeeld *ph2tḗr veranderde in *fadēr ‘vader’. (Latijn pater zit dus dichter bij de oorspronkelijke vorm.) De klemtoon, die in de oude taal op verschillende plekken lag, werd vervolgens vastgezet op het begin van woorden, met uitzondering van duidelijke voorvoegsels. Ook de woordenschat week inmiddels behoorlijk af. Niettemin zullen naburige streektalen, hoewel niet gekenmerkt door al deze veranderingen, op het jonge Germaans hebben geleken.

Waar is dit gebeurd? Waar is de bakermat van het Germaans? Volgens een oude, nog immer gangbare opvatting is het Zuid-Scandinavië, te verstaan als Denemarken, Zuid-Zweden en Zuid-Noorwegen. Vandaar moet het Germaans verspreid zijn naar zuidelijkere stammen op de Laagvlakte. De gedachte is in lijn met wat de Gotische geschiedschrijver Jordanes reeds in de zesde eeuw na Chr. verkondigt: Scandza (het Scandinavische schiereiland) is de baarmoeder der volkeren. Het was toen echter lange tijd gebruikelijk om te denken dat ‘barbaren’ vanuit het verre noorden komen.

Er is evenwel steun voor deze opvatting. Zo lijkt het erop dat alle aardrijkskundige namen in Zuid-Scandinavië van Germaanse oorsprong zijn. Het tegengestelde is bekend van Zuid-Duitsland en Zwitserland en is ook lange tijd beweerd over de Lage Landen. Die zouden deel uitmaken van een Nordwestblock waar Germaans noch Keltisch werd gesproken, maar iets ertussenin of anderszins Indo-Europees. Daarvoor is onder meer gewezen op het woord *apō ‘rivier’ in hier voorkomende stroomnamen (thans samengetrokken in o.a. Gennep, Jisp, Velp en Weesp). Het oorspronkelijke, Indo-Europese woord was *h2ep- ‘rivier, stromend water’, dus we zouden vanwege de klankverschuivingen Germaans *afō of *abō verwachten. Dan ware *apō niet Germaans en de streken waarin het voorkomt dus ook niet. Er is echter wel degelijk een verklaring voor binnen een Germaans kader (zie noot) en ook de andere, minder sterke bewijsgronden voor dit Nordwestblock zijn inmiddels vakkundig ontkracht.

De Romeinen schreven *Flewą op als Flevum, met Latijnse uitgang zoals ze plachten te doen met vreemde namen. Met diens verbogen vorm Flevo is in de twintigste eeuw het misbaksel Flevoland gemaakt.

Oude delen
Integendeel, Nederland lijkt zeer oud Germaans gebied, in elk geval boven de Rijn. Dat bewijze alleen al *Flewą, de oude naam van de voorloper van het IJsselmeer en de Zuiderzee. De naam heeft zich inmiddels ontwikkeld tot Vlie (zoals *knewą tot knie) en slaat nu slechts op het water tussen Vlieland en Terschelling. Woorden die met *f beginnen (klankwettig verschoven uit de Indo-Europese *p) zijn kenmerkend voor het Germaans. En de onderliggende wortel *pleu- ‘zwemmen’ heeft alleen in het Germaans de betekenis ‘stromen’ gekregen. De bekende Duitse wortelkundige Günter Neumann schreef dan ook dat de naam “eine einwandfreie germanische Etymologie” heeft. We kunnen nog tegenwerpen dat zulke aardrijkskundige namen gegeven kunnen zijn door Germanen die niet heel lang tevoren in het gebied zijn neergestreken, maar dat kan evengoed over Scandinavië gezegd worden.

Ondertussen toont de vorm zelve van de naam Rijn dat de onmiddellijke voorouders van de Germanen aan, om of in de buurt van deze machtige stroom woonden. Immers, de Oudgermaanse vorm *Rīnaz is met de kenmerkend Germaanse klankontwikkeling < *ei ontstaan uit ouder, gewestelijk Indo-Europees *Reinos, al is het onbekend wanneer dit is gebeurd. De overgeleverde Gallische vorm Rēnos toont daarentegen de Keltische ontwikkeling < *ei. Dus als de vroegste Germanen niet in de buurt van deze rivier hadden gewoond en haar naam van de Kelten hadden overgenomen, zouden ze *Rēnaz in stede van *Rīnaz hebben. En wij vandaar *Raan in stede van Rijn.

Over Nederland kunnen we verder nog we zeggen dat er –vooral in de binnenlanden, op de zandgronden en langs de rivieren– veel aardrijkskundige namen bestaan wier ondoorzichtigheid zelve op zeer hoge ouderdom wijst en dus ook op doorgaande bewoning. Daarvan verraden zij die met de klanken *f, *þ of *h beginnen –een kenmerk van het Germaans– evenwel hun Germaanse herkomst. Enkele voorbeelden zijn Velsen (< Felisa) in Noord-Holland, Vecht (< Feht) in Utrecht, Dochteren (< Thuchterthe) in Gelderland, Dulder (< Thuleri) in Overijssel, Hijken (< Hiken) in Drenthe en Houten (< Haltna) in Utrecht. Die laatste naam is overigens niet afgeleid van hout ‘boomstof’ (< holt).

(Een verbogen vorm van) *Walhōz ‘Kelten’, later ook ‘Romanen’, leeft in het Nederlands voort als Walen ‘Walloniërs’ en in het Engels als Wales. Het woord schuilt bovendien in walnoot, letterlijk ‘Keltische noot’.

De Germaanse Urheimat kan ook niet ver van de Kelten zijn geweest. Dat bewijze de naam die zij voor de Kelten in het algemeen hadden: *Walhōz. Die heeft het Germaans namelijk van zijn onmiddellijke voorloper geërfd, uit de tijd van vóór de Germaanse klankverschuiving. De vorm was toen nog *Wolkōs, als ontlening van (de voorloper van) Volcae, de naam van meerdere Keltische stammen op het vasteland. Anders gezegd: als het Germaans in het hoge noorden was geboren en zich daarna had verspreid naar het zuiden, waar de Volcae en andere Kelten woonden, dan zouden ze die *Wolkōz noemen (of *Walkōz, daar het Oudgermaans geen korte *o had), niet *Walhōz.

Julius Caesar, niet de meest betrouwbare geschiedkundige, maar ook niet iemand wiens mededelingen zomaar weg te wuiven zijn, schreef dat de Galliërs van weleer ooit de Rijn waren overgestoken en in het zuiden van Germanië land hadden ingenomen. Met name de Volcae Tectosages hadden aldus bijzonder waardevolle Germaanse gebieden in handen gekregen. Diezelfde gebieden vielen evenwel kort tevoren onder de oude La Tène-cultuur, die door oudheidskundigen als Keltisch wordt beschouwd. Dat zou betekenen dat de Volcae Tectosages er juist inheems waren, in weerwil van Caesar. Aan de andere kant, de bijnaam Tectosages is afgeleid van een werkwoord dat anderszins is overgeleverd als Oudiers techtaigid ‘in bezit nemen’. Dat zegt wat. Duidelijk is in elk geval dat de oude betwiste gebieden tussen Kelten en Germanen vrij zuidelijk lagen en dat de Urheimat er niet ver vandaan te zoeken is.

Goten
Een volgende aanwijzing voor haar ligging is te vinden bij de Goten en andere Oost-Germanen. De Hervarar saga og Heiðreks, een Oudnoords verhaal dat gegrond is in echte gebeurtenissen lang tevoren op het vasteland, vertelt ons dat de Gotische koning Heiðrekr in de oorlog met de Hunnen komt te sterven in de bergen genaamd Harfaða fjǫll (ook Harvaða fjǫll). Dit Harfaða is duidelijk klankwettig verschoven uit een vorm van Karpaten, de naam van het Midden-Europese hooggebergte. Dat betekent dat deze bergen in het bewustzijn van de eerste Germanen waren en dus niet al te ver van de Germaanse Urheimat kunnen hebben gelegen.

Van de Goten is echter lang aangenomen dat ze ooit een lange trek vanuit Scandinavië hebben afgelegd, naar de beweringen van de reeds genoemde zesde eeuwse geschiedkundige Jordanes. Daarvan is geen bewijs in de vorm van bodemvondsten of iets dergelijks, maar Gotland, de naam van het Zweedse eiland, zou hun naam bewaren. Het onderliggende Oudgermaanse woord *gutō lijkt echter (net als de verwante vorm *gautaz) aanvankelijk een vrij algemeen doch dichterlijk woord voor ‘man’ te zijn geweest. Anders is het moeilijk te verklaren dat er elders in de Germaanse wereld zoveel tweestammige namen met *gutō en *gautaz zijn gemaakt. En wat Jordanes’ verhaal betreft: dat is te vergelijken met de loze bewering in de Liber Historiae Francorum dat de Franken van de Trojanen afstammen. De Nederlandse taalkundige Frederik Kortlandt heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat de Goten altijd al op het vasteland hadden gewoond.

Scherper in beeld
In zijn ruim duizend bladzijden tellende Namenkundliche Studien zum Germanenproblem (1994) en enkele vervolgstukken rekent de Duitse naamkundige Jürgen Udolph af met de gedachte dat de Urheimat in Scandinavië lag. Ook die andere gangbare opvatting, dat het Germaans in de zesde eeuw voor Chr. is ontstaan in de Jastorfcultuur benoorden de Elbe en in Jutland, moet het ontgelden. Na een lange beschouwing en vergelijking van stroomnamen, oordnamen en andere aardrijkskundige namen in de Germaanse wereld besluit Udolph dat juist in Midden-Duitsland de namen vaak archaïsch zijn en juist daar de hoogste verscheidenheid en Kontinuität heerst. De namen in Zuid-Scandinavië daarentegen lijken weliswaar allemaal Germaans, maar ook betrekkelijk jong van vorm en met een beperktere woordstof gemaakt – blijk van een uitloper, niet de bakermat. Hij heeft hierin overigens instemming van onder meer Kortlandt gekregen.

Vooral “der Raum zwischen Harz, Thüringer Wald und Erzgebirge” heeft volgens Udolph “in besonderem Maße an altertümlichen germanischen Namen Anteil” (blz. 921). En ook “Westfalen und der südwestniedersächsische Raum um Osnabrück, Bersenbrück und Bentheim” zijn rijk aan “höchst altertümlichen Namen” (blz. 931). Scherper kan hij het niet krijgen. En het moet ook wel een redelijk klein gebied zijn geweest, omdat anders de betrekkelijke eenvormigheid van het Oudgermaans moeilijk te verklaren is.

Ruimer genomen ziet hij voor de Germaanse bakermat de volgende grenzen: in het noorden de Aller, die in de Wezer uitmondt en waarachter uitgestrekt veen lag, in het oosten de Elbe, met haar moerassige rechteroever, en in het zuiden het Thüringer Woud en Ertsgebergte, die te meer een natuurlijke hindernis vormen. In het westen lag daarentegen een veelal open land tot aan de kust. Er moet zelfs sprake zijn van een “frühe Ausbreitung nach Westen und über den Rhein in die Niederlande und in das nördliche Belgien” (blz. 932). Een andere vroege uitbreiding ware dan de Jastorfcultuur aan de overzijde van de Elbe, gevolgd door Scandinavië.

Digital StillCamera
Topstuk van de westelijke Únětice-cultuur is de bronzen hemelschijf die in 1999 is gevonden te Nebra (Saksen-Anhalt).

Hoewel Udolph onder meer wijst op de goede, vruchtbare bodem van Zuid-Nedersaksen –zeer gunstig voor een bakermat– heeft hij zich bewust niet gericht op de vaststellingen en opvattingen van andere vakgebieden, zoals de oudheidskunde. Daar wil hij zijn naamkundige bevindingen juist mee konfrontieren. Het is evenwel opmerkelijk dat zijn kerngebied overeen blijkt te komen met het westelijke deel van de invloedrijke, metaalbewerkende Únětice-cultuur, die overigens ook Tsjechië besloeg tot aan de Karpaten. Haar tijdsbestek strekte van 2300 tot 1600 voor Chr., wat nog te vroeg lijkt voor de vorming van het Germaans, maar het zouden de aanstalten kunnen zijn. Dat is ook net de opvatting van Wolfram Euler en Konrad Badenheuer in Sprache und Herkunft der Germanen (2009).

Besluit
De tijd zal ons leren of Udolph en de zijnen gelijk hebben. Maar waar de Urheimat ook lage, de uitbreiding van het eerste Germaans betrof niet wezensvreemde stammen. Het waren indertijd tamelijk naverwante Indo-Europese stammen die gemakkelijk aansluiting konden vinden dankzij reeds bestaande netwerken en zeer oude gemeenschappelijke wortels in de westelijke Touwbekercultuur, en daarvoor de Trechterbekercultuur. Die komen dan ook aardig overeen met de volwassen Germaanse wereld tegen het begin van onze jaartelling, wanneer de Romeinen er uitgebreid kennis mee maken.

Noot
Proto-Indo-Europees *h2ep- ‘rivier, stromend water’ is bekend van Oudindisch āpa-, Avestisch āfs, Tochaars A en B āp, Oudpruisisch ape en Oskisch aapam. Er was echter een nevenvorm *h2eb- ‘rivier, stromend water’, getuigen Hettitisch ḫapaš, Palaïsch ḫāpnaš, Latijn amnis (< *abnis) en Oudkeltisch *abū. Het woord *apō ‘rivier’ (dan wel *apōn) in stroomnamen in de Lage Landen en delen van Duitsland is de klankwettige Germaanse voortzetting van die nevenvorm *h2eb- en dus geen blijk van niet-Germaans gebied. De klank *b kwam aanvankelijk niet voor in het Proto-Indo-Europees, maar is te verklaren als het gevolg van assimilatie aan een naamvalsuitgang, bijvoorbeeld van de instrumentalis: *h2eb-bhi < *h2ep-bhi. Aldus onder meer Michael Meier-Brügger in Indogermanische Sprachwissenschaft (2010).

36 gedachtes over “Die Urheimat

      1. Wes þú hál, Oliver.

        Hwær cann ic on þæm woruldwidanwebbe þá EaldorGemanisce Spræce leornian hú tó sprecenne and tó wrítenne?

        Hú tó leornienne Ænglisc cann mann findan hér on https://www.wikihow.com/Learn-Old-English and on http://www.ang.wikipedia.org. Ænglisc gramammaticcræft findeþ mann hér on https://en.wikipedia.org/wiki/Old_English_grammar and on https://de.wikipedia.org/wiki/Altenglische_Grammatik. On http://www.u.arizona.edu/~ctb/wordhord.html “Circolwyrde Wordhord”.

        Gotisce Spræce leornian findeþ mann hér on webstede http://www.gutrazda-hrabnaskufta.com/index.php.

        Hwelca EaldorGemaniscan Spræca spricest and wrítest þú, Oliver? Ic sprece and wríte Niðerlendisc, Héah-Þéodisc and níw-Ænglisc.

      2. Voor het Oudgermaans heb ik toch vooral gesteund op echte boeken. Met name het betrekkelijk nieuwe From Proto-Indo-European to Proto-Germanic van Don Ringe is waardevol. Zoals de titel al verraadt is het geen handboek maar een beschrijving/reconstructie van de ontwikkeling van de taal. Daarbij geeft hij wel de verbuigingen en vervoegingen.

        In dezelfde reeks (A Linguistic History of English) is enkele jaren geleden ook The Development of Old English uitgekomen, tevens van Don Ringe, met uitgebreide aandacht voor het Westgermaans. Wederom met alle verbuigingen en vervoegingen.

        Onmisbaar zijn uiteraard de woordenboeken, in dit geval de wortelkundige. Aanvankelijk gebruikte ik vooral A Handbook of Germanic Etymology van Vladimir Orel, maar sinds 2013 is ook An Etymological Dictionary of Proto-Germanic van Guus Kroonen uit. Orel behandelt meer woorden, maar Kroonen geeft veel meer inzicht.

        Digitale exemplaren van een of meer van bovenstaande boeken zullen inmiddels wel vast ergens rondslingeren op het web, zoals archive.org.

  1. U schrijft dat de naam die de Germanen voor de Kelten in het algemeen hadden, *Walhōz was’ geȇnt op zijn onmiddellijke voorloper uit de tijd van vóór de Germaanse klankverschuiving. De vorm was toen nog *Wolkōs, als ontlening van (de voorloper van) Volcae, de naam van meerdere Keltische stammen op het vasteland.
    Taalkundig kan uolk- in het Germaans inderdaad resulteren in walh-, maar de gebieden waar de benaming Waal werd gegeven liggen geografisch en chronologisch te ver uit elkaar om de theorie vol te houden dat alle Germanen overal alle Kelten zo noemden naar de naam van de Volcae alleen: Waal, Wallonië in België, Wallis in Zwitserland, Wales in Engeland, Wällisch in Zuid-Tirol, Walachije in Roemenië.

    De Franken die zich in de 4de eeuw in de Kempen vestigden, ontmoetten een Latijnsprekende Gallo-Romeinse bevolking die hoofdzakelijk bestond uit nazaten van Kelten die reeds meer dan 500 jaar eerder het huidige België hadden gekoloniseerd. Deze Kelten schakelden tijdens de Romeinse bezetting geleidelijk over van Keltisch naar Latijns taalgebruik. De laatste sporen van Keltisch taalgebruik in Gallië situeren zich in de 5de eeuw n.C.

    De Gallo-Romeinse Kelten noemden zichzelf toen niet meer Keltoi, hun eigen Keltische naam, maar Galli, de Latijnse naam. Bij het overnemen van leenwoorden uit elkaars taal wisselden Germanen en Gallo-Romeinen de klanken G of GU voor W, en omgekeerd. Enkele voorbeelden: Wilhelm = Guillaume, weer = guerre, wesp = guêpe, wafel = gauffre, enz. Zo noemden de Germanen de Galli = Walen en (Pays de) Galles = Wales. De plaatsnaam Wasmes (bij Doornik) werd in 1103 nog Guasme geschreven. Nog in 1123 schrijft men in het bisdom Kamerijk de namen Walter en Werembold als Gualterus en Gueremboldus. In 1136 wordt Antwerpen Andeguerp en Antwerps Andeguerpensis geschreven (in de Gesta abbatum Trudonensium).
    Reeds Voltaire vertelde in de Encyclopédie dat Gallus en Walch eenzelfde naam zijn.
    Alfred Michiels

    1. Dank u wel voor uw bericht. Als ik het goed begrijp maakt u bezwaar tegen de gedachte dat Germanen alom verscheidene niet-Germaanse stammen *Walhōz noemden met specifiek de Volcae in hun achterhoofd.

      Dat is inderdaad bezwaarlijk, doch niet wat ik bedoelde. De Pre-Germanen woonden dichtbij de (Pre-)Volcae en noemden hen daarom *Wolkōs. Gaandeweg, hetzij voor hetzij na de verschuiving tot *Walhōz werd deze benaming verruimd om ook te verwijzen naar stammen die zoals de Volcae waren, oftewel Kelten. Na verloop van tijd werd de oorspronkelijke, specifieke verwijzing (naar de stam der Volcae) vergeten: *Walhōz betekende nu alleen nog maar ‘Kelten’ in het algemeen, dus overal waar de Germanen Kelten tegenkwamen noemden ze die *Walhōz, of dit nu België, Zwitserland, Engeland, Zuid-Tirol of Roemenië was. (Door de romanisering van menige Keltische stam kon het woord bij uitbreiding ook op Romanen slaan.)

      Vergelijk hoe alle Fransen de benaming Allemands voor alle Duitsers gebruiken, terwijl die oorspronkelijk op een enkele, dichtbijzijnde Germaanse stam sloeg: de *Alamanniz (gelatiniseerd als Alamanni).

    1. Ha, en dat geloof ik dan weer niet. Er zijn in hunebedden resten van verbrande mensen gevonden, alsmede wapens en opsmuk. De gebeurlijke steenkringen om de hunebedden heen hebben geen praktische functie en zijn bezwaarlijk los te zien van de eigentijdse langgraven in Noord-Europa. Als hier geen sprake is van bijzetting met grafgiften, dan valt veeleer te denken aan heiligdommen/offerplaatsen dan koelkamers, die overigens op een eenvoudigere wijze te maken zijn dan met reusachtige stenen. Megalieten elders in Europa waren in elk geval duidelijk grafkamers.

      1. Er zijn nooit menselijke resten gevonden in een hunebed voor zover ik weet. Ik ben er een tijdje mee bezig geweest. Ik woon naast zo’n ding. Mijn hond piest er elke dag tegen aan.

      2. In het grootste hunebed (D27 te Borger) zijn menselijke resten gevonden in de vorm van stukjes verbrand bot. Maar ik lees bij Van der Sanden dat koolstofdatering in dat geval op de bronstijd heeft gewezen, dus na de Trechterbekercultuur van de bouwers. Bij hem is er evenwel geen twijfel dat ze als grafkamers gebouwd zijn. In de zure zandgrond waar de hunebedden staan blijft echter niks over van onverbrande menselijke resten.

        “Mijn hond piest er elke dag tegen aan.”

        Foei!

  2. Hoe zagen de Germanen dan uit? Moet ik dan aan mensen met blond haar en blauwe ogen denken? Het valt mij op dat veel Friese en Saksische inwoners uit de noordelijke en oostelijke provincies van ons land vaak blond, of rossig haar met blauwe ogen hebben en hun gezichten zijn vaak langwerpig. Mogen wij als autochtone Nederlander met deze kenmerken ons nog steeds Germanen noemen? Ik ben er best wel trots op dat ik als man met blond haar, blauwe ogen en een langwerpig gezicht een Germaanse taal spreek, die wel heel erg versimpeld is in de loop der eeuwen. Ik heb het dan over het huidige Nederlands.

    Het Oudgermaans van rond het begin der jaartelling en het Latijn zijn als Indo-Europese talen verwant aan elkaar. Ook in de grammatica als het om naamvallen en werkwoordsvervoegingen gaat, alleen had het Oudgermaans er maar 4. Konden de Romeinen en de Germanen dan elkaar enigszins verstaan? Op zijn minst moeten zij wel hebben kunnen vaststellen dat het Latijn en het Oudgermaans verwant aan elkaar zijn.

    1. Het fenotype van de mensen in het door Udolph aangewezen gebied? Ik weet het niet, maar ik gok niet al te anders dan dat van de huidige bewoners, afgezien van inwijkelingen van de laatste 60 jaar.

      Ik denk dat de Romeinen en Germanen op zijn minst overeenkomsten tussen hun talen opmerkten, bijvoorbeeld bij het tellen: ūnus, duo, trēs tegenover *ainaz, *twai, *þrīz. Misschien dat de scherperen onder hen vervolgens bevroedden dat er ooit een gemeenschappelijke oertaal was. Maar al met al zullen ze elkaar niet of nauwelijks verstaan hebben.

      Wel schrijft Sidonius Apollinaris eind vijfde eeuw aan zijn vriend Syagrius dat hij verwonderd is met welk gemak hij (Syagrius) het Germaans heeft opgepikt, en dat oude Germanen verbijsterd zijn dat hij (Syagrius) hun letters kan duiden.

  3. Mooie blog weer Oliver!. Je verhaal wordt ook ondersteund door a(ancient) dna onderzoek. De haplogroep R1b (y-dna) migreert vanuit het gebied van de Únětice-cultuur noordwaarts en brengt niet alleen het brons naar Scandinavië, maar ook de Germaanse taal. Deze haplogroep wordt gezien als de motor achter de Noordse Bronstijd en Jastorf-cultuur.
    De Getica van Jordanus wordt overigens door de meeste historici en archeologen als onbetrouwbaar gezien en nemen ze met een korrel zout. Over het algemeen wordt aangenomen dat het overgeschreven is van een Romeins functionaris, Cassiodorus, die aan het hof van Theodorik in Ravenna de afkomst van de Goten heeft verfraaid, zo niet verzonnen.

    1. Dank je voor deze aanvulling! Hebben we het dan vooral over R1b-U106? Die haplogroep is toch wel grootste gemene deler in de latere Germaanse wereld. Al is het opmerkelijk dat diens aandeel in Midden-Duitsland tegenwoordig juist laag lijkt te zijn. Dan hebben we uit te gaan van een stichtereffect.

  4. Inderdaad R1b-U106. R1b is de grootste gemene deler in Europa, maar alleen U-106 wordt gezien al behorende tot de Germaanse tak. De andere R1b subgroepen worden vereenzelvigd met de Kelten.
    R1b-U106 is niet de grootste gemene deler in de Germaanse wereld.
    Het aDNA van de Germaanse stammen is een mix van R1b-U106, R1a, I1 en in kleinere mate I2 en G2a. I1 en I2 zijn niet Indo-europees, zijn de haplogroepen van jagers en verzamelaars. G2a zijn de landbouwers uit Anatolië. R1a is met de Touwbekercultuur in Centraal-Europa eerder aangekomen. R1a is de dominante haplogroep in Oost-Europa en wordt gezien als drager van de Baltisch- en Slavische talen.
    Het aandeel van R1b-U106 in Scandinavië is bijvoorbeeld grofweg 30%, R1a ook en I1 ook. In de Benelux komt bijna geen R1a voor, maar in Noord- en Midden-Duitsland daarentegen wel.
    I1, 12 en G2a, zo is wel duidelijk, komen niet in aanmerking als aandrager van de Germaanse taal. R1a was eerder in Scandinavië. Maar dat is niet te rijmen met een een gemeenschappelijke Keltisch-Germaans oertaal. R1a zou dan in Ierland en in Frankrijk de dominante haplogroep moeten zijn, maar die komt daar niet voor, is te verwaarlozen of is pas terug te vinden na ineenstorting van het Romeinse rijk. Blijft over R1b-U106 die noordwaarts trekken en de motor zijn achter de Noordse bronstijd.
    Er zijn geen archeologische aanwijzigingen dat de migratie families betrof. Het lijkt er op dat grote groepen mannen zijn vertrokken en hun wil en taal hebben opgelegd aan de al aanwezige bevolking .
    Dat het aandeel R1b-U106 in Midden-Duitsland tegenwoordig veel lager is klopt, het betreft immers aDNA en niet die van de huidige bevolking. Na twee millenia migraties, inclusief de Dertigjarige oorlog, vluchtelingen van achter de Oder-Neisse ziet de yDNA kaart er heel anders uit.

    1. Juist, tot op zekere hoogte had ik me al ingelezen, maar het helpt om het zo op een rijtje te zien.

      “R1b-U106 is niet de grootste gemene deler in de Germaanse wereld.”

      Ik bedoelde dat R1b-U106 de enige haplogroep is die in alle Germaanse landen in aanzienlijke mate voorkomt. Zeker niet overal de grootste, maar wel de rode draad, als het ware.

      Ook ben ik hier en daar gestuit op de stelling dat R1b-U106 middels de Sögel-Wohldegroep naar Nederland is verspreid, meer dan 1600 voor Chr. (hallo hoofdman van Drouwen). Het punt is alleen dat de ‘geboorte’ van het Germaans –lees: de kenmerkende klankverschuivingen– doorgaans wordt geschat op pas 500 voor Chr. Al is dat gegrond op een gemiddelde mate van taalverandering. Ik houd het voor mogelijk dat de ‘geboorte’ inderdaad veel vroeger dan dat was, en dat daarna een lange tijd van betrekkelijke bestendigheid in de Germaanse wereld heerste.

      1. Ik denk ook dat de geboorte van het Germaans ouder is dan 500 v Chr. Die zal niet meteen in het begin van de Noordse Bronstijd zijn meegenomen, maar in een later stadium. Het idee van een eenmalige migratie 1.700 voor Chr. is te statisch. Veeleer is er sprake van meerdere migratiegolven naar het noorden. Eén daarvan heeft het Germaans mee genomen.

    2. “R1a is met de Touwbekercultuur in Centraal-Europa eerder aangekomen.”

      Van R1b-P312 wordt dat inmiddels ook gedacht. Ze waren geworteld in de Touwbekercultuur voordat velen van hen in het kader van de nieuwe Klokbekercultuur de oversteek naar Brittannië maakten omtrent 2500 voor Chr. Dit in tegenstelling tot de opvatting dat ze vlak daarvoor in een afzonderlijke inwijking naar Nederland waren gekomen. Die inwijking lijkt juist andersom, van het noordwesten naar het zuidoosten.

      Dan verwacht ik dat ook R1b-U106 vanaf het begin bij de Touwbekercultuur hoorde.

      1. De Indo-Europese steppevolkeren zijn via twee routes Midden-Europa binnen gekomen. Via de Oekraïne-Polen en via de Zwarte zee-Donau. R1a via de eerste route in ieder geval. R1b, zo lijkt het, via de Donau. De Touwbekercultuur kent maar een klein aandeel aDNA met R1b. Er is mij geen onderzoek bekend die R1b (of in het bijzonder R1b-U106) in zijn geheel linkt aan de route Oekraïne-Polen. Integendeel langs de Zwarte Zee-Donau route is tal van aDNA van RIb gevonden.
        Ik ken het onderzoek van noordwest verschuiving naar zuidoost van de Klokbekercultuur. Er is alleen een merkwaardig fenomeen aan de hand. De Klokbekers die over steken naar Engeland zijn voor bijna 100% R1b-P312 terwijl de Klokbekers op het continent ook bestaan uit G2a, I2 en het veel oudere T1a. Een zuidoost migratie van Klokbekers betekent niet automatisch een zuidoost migratie van R1b-P132. In tegendeel, R1b-P312 lijkt steeds westelijker te trekken richting Atlantische kust en Pyreneeën.
        Ik houd het er op dat ook R1b-P312 via de Donau is gekomen.
        Out of the box zou R1b beide routes (Oekraïne-Polen en Zwarte zee-Donau) genomen kunnen hebben, maar die theorie ben ik nog niet tegengekomen.

      2. “De Touwbekercultuur kent maar een klein aandeel aDNA met R1b.”

        “Ik houd het er op dat ook R1b-P312 via de Donau is gekomen.”

        Zo begreep ik het aanvankelijk ook, maar hoe verklaren we dan het onlangs door Davidski te Eurogenes aangewezen gegeven dat het Rijnlandse Klokbekervolk (met diens R1b-P312) autosomaal zo naverwant was aan Touwbekervolk in Duitsland en Scandinavië? Die Rijnlanders lijken dus vooral van eerder (Enkelgraf-/)Touwbekervolk af te stammen. Is hun P312 dan het gevolg van een kleine groep mannen die vanuit het zuidoosten het Rijnlandse Touwbekerland is binnengekomen en gaan overheersen? Was het tijdvenster daarvoor groot genoeg?

      3. “Is hun P312 dan het gevolg van een kleine groep mannen die vanuit het zuidoosten het Rijnlandse Touwbekerland is binnengekomen en gaan overheersen?”. Ja, dat denk ik wel, en vervolgens verder zijn gaan trekken.
        Wat ik Davidski’s analyse vreemd vind is dat hij archeologisch culturen als uitgangspunt neemt en de hele groepen met elkaar vergelijkt. Hier is op zich niets mis mee. Echter bestaan die groepen vaak uit verschillende haplogroepen. De Klokbekermannen koppelt hij 1 op 1 aan P312. Dit klopt niet, want G2a, I2 en het veel oudere T1a zijn ook terug te vinden onder de Klokbekermannen. Alleen opvallende is dat P312 verder trekt naar Nederland, Engeland en verder.
        Vervolgens vergelijkt hij de Klokbekers met de Touwbekers en die blijken genetisch heel veel met elkaar gemeen te hebben. Genetisch liggen R1a en R1b(-P312) dicht bij elkaar, dus je krijgt de uitkomst die je verwacht.
        Dan maakt hij hele grote sprongen. Volgens Davidski is P312 daarom mee gekomen met het Touwbekers. Genetisch klopt het plaatje, maar dat wil niet zeggen dat P312 met de Klokbekers is meegekomen. Haplogroep P312 is al veel eerder ontstaan voordat P312 en de Touwbekers in Midden-Europa aankwamen. De oudste vindplaats van P312, zo meen ik mij te herinneren, is ten noorden van de Zwarte Zee. Daar hebben de routes van de diverse steppevolkeren zich gesplitst richting Midden-Europa.Veel overtuigender zou zijn analyse geweest als hij P312 in de Touwbekers had weten aan te wijzen, wat hij niet gedaan heeft.
        Desniettemin is zijn analyse prikkelend. Ik ben benieuwd of zijn analyse bijval krijgt van diverse wetenschappelijke instituten.

      4. Bedankt voor deze waardevolle bespiegelingen, Rudmer. Ik zal me verder inlezen. Voorts lijkt het me nu vooral een kwestie van wachten op nieuwe DNA-gegevens uit de onderhavige tijd en streken.

  5. Houten(<Haltna) in Utrecht wordt genoemd als voorbeeld van een heel oude naam. Er wordt gezegd dat de naam niet te maken heeft met de stof 'hout' uit planten. Waar komt de naam dan vandaan? (Ik woon in Houten).

    1. Het zijn weliswaar twee verschillende woorden, en Houten is evenmin een afleiding van hout ‘boomstof’, maar ze lijken uiteindelijk wel aan elkaar verwant.

      Hout komt van ouder holt, van Oudgermaans *hultą en uiteindelijk gewestelijk Indo-Europees *kl̥dóm. Verwanten in andere Indo-Europese talen zijn bijvoorbeeld Russisch kolóda ‘boomstam’ (< *koldeh₂) en Oudiers coll ‘verwoesting’ (< *koldom). In het Germaans bestond, getuigen o.a. Oudfries halt en Oudnoords haltr, bovendien *haltaz ‘verminkt, kreupel’, wel eigenlijk ‘gehouwen’ (< *koldos).

      Dus allemaal met betrekking tot de bezigheid van ‘houwen, kappen’.

      En in dat kader is het mogelijk dat Houten, ouder Haltna, teruggaat op iets als Oudgermaans *haltunjō, met een betekenis als ‘plek waar gekapt wordt’, als afleiding van het hierboven genoemde *haltaz (of anders van een verloren woord *haltuz ‘kap’).

      (Het achtervoegsel *-unjō kon gebruikt worden om een plek aan te geven. Vergelijk Oudsaksisch wóstunnia ‘woest gebied’, van *wōstunjō bij *wōstuz ‘woest’.)

  6. Brons of de metalen voor brons kwamen 2000-1700BC uit Engeland en midden Europa, uit ertsen die ook gebruikt werden bij de Únětice-cultuur. Het zou kunnen dat brons en mensen samen reisden.
    Zie:
    https://www.sciencedaily.com/releases/2019/07/190724144144.htm
    The road to Scandinavia’s bronze age: Trade routes, metal provenance, and mixing
    Date: July 24, 2019
    Summary:
    The geographic origins of the metals in Scandinavian mixed-metal artifacts reveal a crucial dependency on British and continental European trading sources during the beginnings of the Nordic Bronze Age, according to a new study.
    https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0219574

  7. On þære websidan “http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/ja2” -ja- – stendeþ þæt folgiend gewrít:

    “-ja- (suffix)
    Oud plaatsnaamvormend verzamelsuffix, bij voorbeeld 10e Hriadi (→ Reide)1 < germ. *hreud-ja- 'plaats waar riet groeit' bij *hreuda- 'riet'. Dit suffix treedt regelmatig op bij waternamen ter aanduiding van een aan dat water gelegen nederzetting en als stapelsuffix achter andere suffixen, zoals bij → -ingi en → *-iþi.
    Oudste attestaties in plaatsnamen: 698-699 kopie 1191 Tadia (→ †Thede)2, 779 kopie 12e eeuw in Budilio (→ Budel)3, 855 kopie ca. 900 in uilla Hreni (→ Rhenen)4, 918-948 kopie 11e eeuw UUerkendia (→ Werkhoven)5, 949 in pago Ganipi (→ Gennep2)6, 970 kopie 1480 Thuli (→ Tuil)7.
    Lit. 1Künzel e.a. 1989 297, 2Idem 345, 3Idem 103, 4Idem 298, 5Idem 390, 6Idem 146, 7Idem 351.¨".

    Is þéos wordendung -ja- gewunelic se ja-stemn swá hrugjaz, harjaz, and swa forþ?

    1. Het is waarschijnlijk één en hetzelfde achtervoegsel, inderdaad, maar het geslacht kon verschillen per functie. In onder meer het geval van verzamelingen en groepen was *-ja- in de regel onzijdig. Bovendien werd het vaak tezamen met het voorvoegsel *ga- gebruikt. Bijvoorbeeld: van Oudgermaans *bergaz was afgeleid *gabergiją > Westgermaans *gabergī > Oudhoogduits gibirgi > Duits Gebirge.

      Een zeer waardevol boekje in dezen is Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre van Hans Krahe en Wolfgang Meid.

  8. Met veel aandacht gelezen. Ik ken als wetenschappelijke bron voornamelijk het boek: de geschiedenis van het Nederlands. Als kind sprak ik voornamelijk Limburgs dialect. Het is me vaak opgevallen als ik naar een Zweedse film keek hoeveel woorden daar hetzelfde zijn als in het Limburgs. Anders dan Hoogduits. Ook in Luxemburg en zelfs in dorpjes in de Vogezen viel me dat soms op. Ook in Limburg is de taal uiteraard geevolueerd en dat gaat tegenwoordig zelfs in rap tempo. Maar ik heb het gevoel dat er nog veel oude Indo-Europese restanten juist daar bewaard zijn gebleven

    1. Op zich zijn het Zweeds, Nederlands, Limburgs en Duits allemaal even Indo-Europees en heeft elke (streek)taal de nodige woorden die elders niet meer voorkomen.

      Welke woorden hebben het Zweeds en het Limburgs gemeen die het Nederlands niet heeft? Komt de betrekkelijke gelijkenis niet vooral door het gebruik van tonen?

      Wel weet ik dat Oudgermaans *mauraz ‘mier’ en *þeuraz ‘stier’ behalve in het Noors en IJslands alleen in het Limburgs voortleven: moer (in moeremet) en duur. Al wordt van het tweede woord vermoed dat het vanuit een middeleeuws Noormannenkamp (te Asselt dan wel Elsloo) in het Limburgs terecht is gekomen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.