De omvochten vorstin Helénē, om haar schoonheid vermaard, heette net als andere Griekse vrouwen en godinnen leukṓlenos ‘blankarmig, witarmig’ in de Iliás en de Odússeia. Het is een samenstelling van een bijzonder slag, met verwanten in onze eigen taal.
Een lange tijd geleden
De Iliás en de Odússeia worden vanouds toegeschreven aan Hómēros, een dichter die omtrent 800 v.Chr. aan de westkust van Anatolië geboren ware, maar spelen zich vier eeuwen eerder af aan het einde van de bronstijd in en om Griekenland. Men sprak toen nog oudere vormen van Grieks, met name het Myceens, dat in een ander schrift dan het Griekse alfabet geschreven werd en genoemd is naar de machtskern Mukênai (Mycene). Volgens het verhaal was dit het oord waar koning Agamémnōn zijn heem en zetel had. Diens broer Menélaos was koning van Lakedaímōn in Spártē en echtgenoot van Helénē, een vrouw van schoonheid zonder weerga.
Het vertelt dat zij op een dag door Páris over zee was meegenomen naar diens stad Troíē in het noordwesten van Anatolië. Dat ontketende een tien jaar durende oorlog die eindigt in de verwoesting van Troíē en in haar terugkeer. Opgravingen hebben het bestaan van stad en strijd bevestigd, maar Helénē was oorspronkelijk wel de goddelijke zonnedochter of het oerbeeld van de ontvoerde bruid, beide met evenknieën elders in de Indo-Europese wereld. Hómēros noemt haar in elk geval een dochter van Zeús alsook de zuster van de Dióskouroi ‘jongens van Zeús’, de hemelse tweeling.
De haren, de armen
Helénē heet meermaals ēǘkomos (Il. 3.329 e.v.) en eens kallíkomos (Od. 15.58), beide ‘schoonlokkig, met mooi haar’. Hómēros zegt evenwel niets over de kleur daarvan en wekt zo de indruk dat ze donker haar had, zoals de meeste Grieken toen en nu. Haar man Menélaos wordt immers telkens uitdrukkelijk beschreven als xanthós ‘lichtharig’, ergens tussen geel, gulden, blond, rossig, roodbruin en bruin in. Dat woord beschrijft soms ook de haren van de helden Akhilleús (Il. 1.197, 23.140) en Odusseús (Od. 13.399, 13.431). De rond 600 v.Chr. levende dichteres Sapphṓ noemt Helénē daarentegen wel xanthós (flard 23).
Helénē is volgens Hómēros ook leukṓlenos ‘blankarmig, witarmig’ (Il. 3.121, Od. 22.228). Hij benut dat woord vaak en alleen voor vrouwen, zowel goddelijke als sterfelijke, voor Hḗrē (Il. 1.55 e.v.), Andromákhē (Il. 6.371 e.v.), Nausikáa (Od. 6.101 e.v.) en dier moeder Arḗtē (Od. 7.233 e.v.) maar ook voor hun amphípoloi ‘dienstmaagden’ (Od. 6.239) en de dienstmaagden en dmōiaí ‘slavinnen’ van Pēnelópeia (Od. 18.198, 19.60). Het strookt met hoe Griekse vrouwen indertijd afgebeeld werden in bijvoorbeeld wandschilderingen, zoals die hierboven uit Mukênai, en was dus niet aan edelvrouwen voorbehouden, niet noodzakelijk een kenmerk of beschrijving van hoge stand.
Ontleding
Het eerste lid van deze samenstelling is leukós ‘licht, wit, blank’ en Hómēros maakt daar ook los volop gebruik van, voor lammeren, zonlicht, rustige zee, doorschenen water, melk, sneeuw, kleigrond, bergtoppen, botten en tanden enzovoort. Hij gebruikt het voor de armen van Aphrodī́tē, wanneer ze die om haar dierbare zoon Aineíās slaat en hem zo in de strijd beschermt (Il. 5.314), en voor de armen van Pēnelópeia, die ze klemt om de hals van haar geliefde man Odusseús bij hun hereniging ten langen leste (Od. 23.240). Eerder lezen we nog dat Athḗnē het lichaam van Pēnelópeia verkwikt en leukóteros ‘lichter, witter, blanker’ maakt dan pas gezaagd elpenbeen, ivoor (Od. 18.196).
Dit leukós is van een Indo-Europese wortel die welvertegenwoordigd was, bij ons o.a. in Germaans *leuhtaz ‘schijnend, niet donker’, de voorloper van licht. (Van geheel andere herkomst echter is Germaans *linhtaz ‘vlot, niet zwaar’, vanwaar Nederlands licht.) Het andere lid van leukṓlenos is (een vorm van) ōlénē ‘onderarm’, en dat is weer een rechtstreekse evenknie van Germaans *alenō ‘onderarm’, dat zich met de nodige verslijting ontwikkelde tot Nederlands el ‘lengte van de onderarm’ en in diens oude betekenis nog schuilt in elleboog.
Een bijzonder slag
Nu is leukṓlenos belangwekkend als een samenstelling die in de taalkunde een bahuvrīhi heet. Deze heeft een zelfstandig naamwoord als tweede lid en duidt daarmee (iets of iemand met) een eigenschap of kenmerk aan. Ze is geërfd uit het Indo-Europees en vernoemd naar het toonbeeld: Sanskriet of Oudindisch bahuvrīhí- bestaat uit bahú- ‘veel’ en vrīhí- ‘rijst’ en betekent dus niet ‘veel rijst’ maar ‘met veel rijst, veel rijst hebbend’, oftewel ‘rijk, vermogend’. Soms is een bahuvrīhi gelijkvormig aan een gewone samenstelling, zoals in het geval van Grieks kallípais ‘iemand met mooie kinderen’ naast kallípais ‘mooi kind’.
Van belang is ook dat een bahuvrīhi vaak een andere verbuiging en uitgang heeft dan het grondwoord waar nodig. Zo zien we het bijvoeglijke leukṓlenos bij het zelfstandige ōlénē ‘onderarm’ en bijvoorbeeld ook de boven genoemde woorden ēǘkomos en kallíkomos ‘met mooi haar’ bij kómē ‘haar’. In sommige gevallen was er geen wijziging nodig, getuige tanúpeplos ‘met vloeiend gewaad’ bij péplos ‘gewaad’, gezegd van Helénē (Il. 3.228).
De Germaanse talen hadden dezelfde erfenis. Van gelijke zin als leukṓlenos is Oudnoords hvítarmr, gezegd van een te winnen vrouw in het gedicht Hávamál. Een oud voorbeeld in onze eigen taal is eenhoorn, evenkie van Oudhoogduits einhorn en Oudengels ánhorn. In bijvoeglijke gevallen is er in het Nederlands in de loop der eeuwen vaak -ig of -s aan toegevoegd en is bovendien de klemtoon naar achteren verlegd. Vergelijk armhartig, lankmoedig en baarvoets/barrevoets met Oudengels earmheort, langmód en bærfót.
Tot slot
Het achtervoegsel -lijk in woorden als mannelijk en vrouwelijk is mogelijk ook uit een bahuvrīhi ontstaan, en wel met lijk in de oudere betekenis ‘gedaante, vorm, evenbeeld’, voordat die zich ontwikkelde tot ‘lichaam’ en uiteindelijk tot ‘dood lichaam’. Te vergelijken is Grieks -eidḗs ‘-gelijkend, -lijk’ naast eîdos ‘gedaante, vorm’ in woorden als theoeidḗs ‘godgelijkend, goddelijk’. Dat gebruikt Hómēros onder meer voor Páris en diens vader Príamos, en voor Tēlémakhos, zoon van Odusseús. Doch de schone Helénē met de lichte ellen, dochter van Zeús, “leek in aanzicht vreselijk op de onsterfelijke godinnen” (Il. 3.158).
Verwijzingen
Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)
Bosworth, J. & T.N. Toller, An Anglo-Saxon Dictionary (Oxford, 1989)
Edmunds, L., Stealing Helen: The Myth of the Abducted Wife in Comparative Perspective (Princeton, 2015)
Homeros, Ilias, vertaald door B. Bijnsdorp (webuitgave)
Homeros, Odyssee, vertaald door B. Bijnsdorp (webuitgave)
Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn, 1969)
Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)
West, M.L., Indo-European Poetry and Myth (Oxford, 2007)
Mooi stuk! Twee opmerkingen. 1) Dat de genoemde adjectiva tot een andere buigingsklasse behoren dan het oorspronkelijke substantief, klopt niet. De genoemde voorbeelden hebben toevallig een vrouwelijk substantief van de a-declinatie als grondwoord. Het nieuwe adjectief is van de meest gebruikelijke o/a-declinatie (o voor mannelijke en onzijdige vormen, a voor de vrouwelijke). Met dan weer de bijzonderheid, dat in het Grieks samengestelde adjectiva geen aparte vrouwelijke vormen hebben. Maar dat geldt voor alle samengestelde adjectiva, niet alleen voor deze specifieke groep. (Het vrouwelijk van dunatos, ‘mogelijk’, is dunatê, maar het vrouwelijk van adunatos, ‘onmogelijk’, blijft ‘adunatos’. 2) De genoemde groep bestaat ook nog in het Fries, met de klemtoon links, en zonder uitgang: woorden als ’trijeoer’, ‘ienearm’, ‘mûskleur’ en ‘goudpel’ kunnen als substantief maar ook als adjectief worden gebruikt. Dat het om adjectiva gaat en niet om composita hoor je aan de klemtoon: ‘in goudpel hoanne’ (een goudpel haan) heeft klemtonen op ‘goud’ en ‘hoan’, terwijl ‘krielhoanne’ (krielhaan) alleen een klemtoon op ‘kriel’ heeft.
Ten slotte een vraag: in het Hindeloper Fries (Hylpers) bestaat naast ‘licht’ (adj. met de betekenis ‘niet zwaar’) en ‘lócht’ (subst. ‘licht’) ook nog de vorm ‘lêcht’ (adj. met de betekenis ‘niet donker’). Hebben we daar nog dezelfde -e- van ‘leukos’, of wil ik het nu te mooi maken?
Dank!
1) Het verschil in verbuiging was niet de regel maar gebeurde wel vaak, en ik bedoelde binnen de Indo-Europese talen over het algemeen. Zie bijvoorbeeld Oudengels heorte ‘hart’ (onzijdige n-stam) en earmheort (a/ō-stam). In het geval van Grieks ōlénē (eerste verbuiging) en leukṓlenos (tweede verbuiging) was het verschil volgens een meer algemene regel voor samenstellingen, doch het was er niettemin.
2) Maar worden die woorden ook verbogen? Bijvoorbeeld, zegt men de goudpelle hoannen of de goudpel( )hoannen?
3) Ik weet niet zo veel van deze taal, maar Hindeloopens lêcht ‘niet donker’ lijkt me een klankwettige voortzetting van Oudfries liácht ‘hetz.’, zelf van Germaans *leuhtaz (met e nog). Algemeen Fries ljocht ‘niet donker’ daarentegen heeft een onverwachte klankstand, naast gewestelijke vormen als ljecht en ljacht.
Beste Olivier,
Over 1): ik blijf bij mijn punt, dat de wisseling van verbuigingsgroep hier puur toevallig is. Was het woord voor ‘arm’ mannelijk geweest met o-verbuiging, dan was er ook geen wisseling.
Over 2): dergelijke adjectiva worden niet verbogen, evenmin als afgeleiden van geografisch namen en ‘lofter’ en ‘rjochter’.
Over 3): dank, ook voor het zoveelste bewijs dat ik toch echt eens Oudfries moet leren …
ik denk hierbij ook aan het West-Vlaamse woordje ‘lucht’ (luht) dat we zowel voor de lucht als voor het licht gebruiken. We krijgen soms grappige opmerkingen (van niet-Westvlamingen) als we zeggen ‘stik moa de luht an’.