Skip to content

Oen

5 juni 2014

princeregentVan alle scheldwoorden in onze taal is oen toch wel een van de mildsten. Diens klank is al weinig dreigend, eerder vertederend, maar belangrijker nog: bij oen weten de meeste mensen behalve de lading ‘sufferd, dwaas’ niet waar ze eigenlijk voor worden uitgemaakt. De meeste scheldwoorden hadden immers oorspronkelijk een eigen betekenis voordat ze als scheldwoord gebruikt werden. Wat mag een oen dan wel niet wezen?

Wie het web afstruint leest aldra dat oen een woord is voor een gesneden ezelhengst. En ja, het oude Griekse woord voor ‘ezel’ was ónos en ezels komen oorspronkelijk uit Zuid-Europa. Wie een ander een oen noemt, noemt die dus eigenlijk een ezel. Zaak opgelost! Toch?

Wel, er kleven bezwaren aan. Ten eerste, bij ontlening van Grieks ónos zouden we als Nederlandse vorm eerder on of oon verwachten. Voor de vorm oen zou het ontleend moeten zijn langs een Franse streektaal waar de uitspraak van -on- op die van Nederlands -oen- leek. Vergelijk hoe in de Middeleeuwen naast baron de vorm baroen gangbaarder was, beide van Oudfrans baron.

Een groter bezwaar is dat de oudste vorm van oen (als scheldwoord) oene is. Die -e zouden wij niet verwachten als het woord inderdaad van Grieks ónos komt.

Kwalijkst is dat er van oen in de betekenis ‘gesneden ezelhengst’ helemaal geen melding wordt gemaakt in De Costers wortelkundige Groot Scheldwoordenboek uit 2007 noch in de Dikke van Dale (dertiende uitgave, 1999) noch in het gezaghebbende Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) of het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW). We vinden oen daar enkel als scheldwoord en de oudste overlevering stamt volgens het WNT uit 1631:

Mijn Keuningh, mijn Prins, mijn hart, mijn Graef, mijn Joncker, Hoe sel ickje omnarmen mijn soetert, mijn rysenbry, Mijn struyfmont, k’hebje so lief als Suycker-kandy: Nou geefmen ien soen mijn murrewert, o je bent sulcken oene, ‘k Sweer dat ickje te nacht sal half doot soene (…)

Het is goed mogelijk dat een gesneden ezelhengst –met Grieks ónos in het achterhoofd– is vernoemd naar het scheldwoord en niet andersom. Vergelijk hoe hij ook wel een kluns wordt genoemd, eveneens een vernoeming en niet andersom.

Wat zou dan wel de herkomst van oen zijn? De Coster en het WNT weten geen raad, al meldt laatstgenoemde dat het woord vanouds vooral in “Hollandsche” teksten wordt gevonden. Verband met de Friese (mannelijke) voornaam Oene wordt onwaarschijnlijk geacht. Om te weten of dat een terechte vaststelling is dienen wij eerst de herkomst van de naam Oene te achterhalen, en daarvoor moeten wij zo’n twee duizend jaar terug de tijd in.

In het Oudgermaans bestond het werkwoord *ananan ‘ademen, leven, bezield zijn’, dat buiten het Germaans verwanten heeft als Latijn animus ‘ziel’ en Grieks ánemos ‘wind’. De verleden tijd van Oudgermaans *ananan was *ōne ‘(ik/hij/zij) ademde, leefde, was bezield’, het voltooid deelwoord *ananaz ‘geademd, geleefd, bezield’. Het zou in het hedendaags Nederlands anen, oen, geanen luiden, dus met een verbuiging zoals dragen, droeg, gedragen. (Het toevoegen van ge- aan het voltooid deelwoord is een latere, Westgermaanse ontwikkeling.)

Welnu, in het Oudgermaans waren naamwoorden met een strekking lijkend op dat van een onvoltooid deelwoord, zoals nu lopend bij lopen, vaak eenvoudiger te maken door ze rechtstreeks van de wortel af te leiden. In dit geval *anaz ‘ademend, levend, bezield’ en met de klinker van de verleden tijd en andere uitgang het gelijkbetekenende *ōniz, oftewel Nederlands an en oen als ze het tot nu hadden volgehouden. Vermoedelijk is *ōniz, met een tussenbetekenis als ‘zielig’, de voorloper van Gronings uin ‘kleinzerig’. Vergelijk voor de klankontwikkeling die van *grōniz tot Gronings gruin en Nederlands groen.

Van *anaz en *ōniz was de zwakke verbuiging *anō en *ōnō, beide ‘(de) ademende, levende, bezielde’. Hiervan komen waarschijnlijk de Friese namen Ane (nevenvorm Anne) en Oene. Aardig wat Germaanse namen zijn dergelijke zwakke verbuigingen van bijvoeglijke naamwoorden. Vergelijk de Friese namen Ake (nevenvorm Akke) en Oeke, beide ‘leidende, voorname’, bij het werkwoord *akanan (*ōke, *akanaz) ‘leiden, drijven’.

Het “Hollandsche” scheldwoord oen, ouder oene, is dan oorspronkelijk één en hetzelfde woord als de Friese naam Oene. Maar waar het als naam in de loop der tijd alle betekenis verloor, had het als woord de betekenisontwikkeling van ‘ademende, levende, bezielde’ naar ‘zielige’ (en/of ‘meelijwekkende’) tot ‘dwaze, dwaas’. Het woord zielig heeft zelf een vergelijkbare ontwikkeling doorgemaakt: van ‘des ziels, bezield’ tot ‘meelijwekkend’ en zelfs ‘verachtelijk’. Of bedenk hoe het werkwoord bezielen ook wel de betekenis heeft van ‘als dwaze kracht werken in’.

Zo van: “wat bezielt je, oen!”

Ter aandacht
Het werkwoord anen, oen, geanen en de bijvoeglijke naamwoorden an en oen zijn opgenomen in de nog immer aanzwellende lijst van vergeten woorden.
Verwijzingen
Coster, M. De, Groot Scheldwoordenboek (2007)
Förstemann, E., Altdeutsches namenbuch (Bonn, 1900)
INL, Middelnederlandsch Woordenboek, webuitgave
INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal, webuitgave
Krahe, H. & W. Meid, Germanische Sprachwissenschaft III: Wortbildungslehre (Berlijn 1969)
Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)
Laan, K. ter, Nieuw Groninger Woordenboek, tweede druk (Groningen, 1989)
Ringe, D., From Proto-Indo-European to Proto-Germanic (Oxford, 2006)
Schaar, J. van der (bewerkt door D. Gerritzen), Prisma Voornamen (Utrecht, 2002)
Searle, W.G., Onomasticon Anglo-Saxonicum (Cambridge, 1897)
Advertenties
8 reacties leave one →
  1. Dirk permalink
    5 juni 2014 22:34

    In de jaren ’70 van de vorige eeuw was mijn vader getuige-deskundige in een rechtszaak. De verdachte gebruikte herhaaldelijk het woord ‘oen’. De – nogal deftige – rechter kende het woord blijkbaar niet en vroeg op enig moment terloops aan de griffier: “Wat is dat, een oen?” waarop de griffier met zijn gezicht in de plooi antwoordde: “Edelachtbare, dat is een kalkoen met kalkgebrek.”

    • Olivier van Renswoude permalink*
      8 juni 2014 17:00

      Ha, beetje flauw, maar knap bedacht, zo terstond!

  2. Luc Vanbrabant permalink
    9 juni 2014 11:22

    Een mooi verhaal!
    Bij het struinen in mijn woordenboeken ben ik op een woord gebotst dat als kelderrestje slaapt in een donkere kamer van mijn West-Vlaams. Het heeft niets te maken met die oen van hierboven, maar daar het ook over ‘oen’ gaat, denk ik dat enkele zinnetjes over die tweede ‘oen’ wel moeten kunnen.
    Ik citeer fragmentarisch uit ‘De Bo’ (Westvlaamsch idioticon 1892)
    1- ‘oen’ (ook noen):
    De oens van eenen wagen (de oenen van een koetse) zijn de twee armen van de voortrein waar het dikste einde van den dijsel tusschen vastligt. Een oenebout is een spil in de oen.
    2- ‘noen’ (noene): hetzelfde als ‘oen’ met de voorgevoegde n.
    over noene: in wanorde
    een mutse staat over noene: staat scheef
    over noene kijken: scheel zien
    ’t Staat al tuit over noene bij dat kleed : Dat kleed is scheef en krom gelapt.
    We zitten hier in de buurt van ‘dwaas’.
    Toch denk ik dat er bij de tweede uitleg verwarring moet zijn met het woordje ‘noen’ (middag) in de zin van ‘het is er over’, het is ‘over de helft’… Vooral als ik het woordje ‘oenekerf ‘ opmerk.
    3- Een oenekerf (noenekerf) was een kras in het hout van een deurlijst of raam, die werkte als een soort zonnewijzer bij de armen. Wanneer het middag was, scheen de zon er vlak in en was er geen schaduw te zien. Met wat fantasie kan men begrijpen waarom dit woord ook oneerbiedig werd gebruikt als synoniem voor ‘aarskerf’: Iemand een schop onder zijn oenekerf/noenekerf geven.
    Bestaan die betekenissen ook in andere streken?

    • Olivier van Renswoude permalink*
      21 juni 2014 15:23

      Beste Luc,

      Mijn verontschuldigingen voor het late antwoord.

      Ha, dat zijn ook mooie oenen! Ik kende ze nog niet en zit te denken of ze voor een aannemelijkere duiding van oen ‘dwaas’ kunnen zorgen. Bij de eerste wordt het moeilijk, maar inderdaad komt de tweede aardig dicht bij ‘dwaas’ in de buurt. Uiteindelijk het zal het evenwel een nevenvorm van noen zijn, ja.

  3. Lútsen Bakker permalink
    15 februari 2015 12:45

    Ik heb net het Friese woord ‘eandzje’ opgezocht (eanje als nevelvorm), dat wordt gebruikt als een schaap een lam werpt. Ik zag dat het Nederlands ‘onen’ heeft, wat ik nog niet kende. Dat sluit mooi aan op het bovenstaande. Dank, heel interessant.

Trackbacks

  1. Goede Jiel! | Taaldacht
  2. Nersch | Taaldacht
  3. Finn | Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s