De namen van de bunzing

Hoewel hij niet minder sluw dan een vos is heeft de arme bunzing vooral de naam te stinken. En te stelen, want hij is de schrik van het hoenderhok zoals hij eieren kaapt en kippen de kop afbijt. Men priset an dit dier niet el dan allene sijn vel (‘men prijst dit dier enkel om zijn vel’), schreef de bekende geleerde dichter Jacob van Maerlant in de dertiende eeuw. Geringe roem voor een roofdier dat in zijn tamme verschijning—de fret—zo dienstbaar is gebleken. Is een van zijn namen wellicht gunstig?

Een bonte boel
Behalve vormen van bunzing heeft dit schepsel alleen al in de Lage Landen meerdere namen. In Vlaanderen heet hij vanouds visse en dergelijke, een woord dat wel teruggaat op Latijn vissio ‘stank’. In Nederlands Limburg wordt hij vuur genoemd, een ontlening van Latijn fūr ‘dief’. Een verkleining daarvan, Oudfrans furet, heeft bovendien geleid tot fret, thans dus de naam van de tamme verschijning van de bunzing. In Noord-Brabant, Noord-Limburg en sommige Saksische streken heet hij ten slotte illik, ulk, ulling enzovoort. Op die bijzondere benaming zullen we straks terugkomen.

Eerst verdient bunzing onze aandacht. Daarvan bestond reeds in de Middeleeuwen een rijke verscheidenheid aan vormen. We noemen bonsinc, boncsing, boesinc, businc en in een van de handschriften van Van Maerlants gedicht zelfs bonigher. Die laatste is zo sterk afwijkend dat die waarschijnlijk bij dwaling is ontstaan toen het gedicht werd overgeschreven. De vormen boesinc en businc tonen een kenmerk van de vroegere streektalen langs de Noordzee: de n tussen klinker en s werd niet gehandhaafd en verdween, waarna de voorgaande klinker gerekt werd.

Na de Middeleeuwen vinden we onder meer bonsinck, bontsinck, buntsinck, bonsen, bonghsen, bonksem, buntsem en buns. De vormen met -em zijn langs -en ontstaan uit -ing onder invloed van de b, zoals ook is gebeurd met bokkem naast bokking. De vormen met -gs- en -ks- zullen eveneens vrij jong zijn, te vergelijken met gewestelijk dangsen naast dansen. Daarentegen is alles met -ts- juist eerder ouder dan de eenvoudige -s- en dus een aanwijzing voor de herkomst van dit woord. Buns lijkt slechts één keer voor te komen, in Uyt-heemsen oorlog ofte Roomse min-triomfen (1651) van Matthijs van der Merwede, en kan daarom een verkorting zijn.

Verder naar het oosten in het Middelnederduits vinden we nog bunsik, dat eruitziet als een andere afleiding, met het verkleiningsachtervoegsel -ik, maar dat evengoed uit bunsink kan zijn ontstaan doordat er al een n in het woord aanwezig was. Zo heeft bijvoorbeeld ook Duits Honig zijn tweede n verloren. Van belang is tot slot nog Gronings bunzel, waar wel sprake is van een ander, verkleinend achtervoegsel en waardoor we alsnog reden hebben een Westgermaans *buns (en mogelijk dus ouder *bunts) aan te nemen als oorspronkelijke vorm van deze dierbenaming.

Zijn eigenaardige loop
Op welk kenmerk van het dier slaat *bun(t)s? Opvallend is de gelijkenis met het woord bunzig ‘bang, bevreesd, afkerig’, dat al enige tijd tot enkele streektalen beperkt is. Op het eerste gezicht zou het van het voorgaande afgeleid kunnen zijn. Het Woordenboek der Nederlandsche Taal stelt: “bij sommige volken is de bunzing (die tot de wezels behoort) het beeld der vreesachtigheid.” Of dat tevens voor onze voorouders gold is echter maar de vraag. Het is bovendien evengoed mogelijk dat *bun(t)s en bunzig beide zijn afgeleid van een ander woord, en dan vooreerst een werkwoord.

In dat geval ligt bonzen voor de hand, hoewel diens huidige betekenis ‘hevig kloppen, dreunen, stoten’ ons niet meteen aan de bunzing doet denken. Maar let op de evenknieën: Middelengels bunsen en Engels bounce behelzen ook ‘stuiteren’, terwijl Fries bûnzje weliswaar ‘stoten e.d.’ betekent, maar ondertussen de afleiding bûnzel voor ‘stuiter, grote knikker’ heeft. De loop van bunzingen (en fretten) gaat stuiterig en hun kenmerkende vreugdedans behelst des te meer een op-en-neer gaan.

Wat overigens opvalt aan deze Engelse en Friese evenknieën is dat ze een n tussen een klinker en een s hebben. Die zou immers anderszins in die omstandigheid verdwenen zijn, net zoals in de Nederlandse streektalen langs de Noordzee vroeger het geval was. Zo hebben bijvoorbeeld ook Engels goose en Fries goes hun n verloren, in tegenstelling tot algemeen Nederlands gans. Het geeft ons reden om voor dit werkwoord een Westgermaans *buntsōn als voorloper aan te nemen. Anders gezegd, bij een voorloper *bunsōn zouden we Engels **bouse en Fries **bûzje verwachten.

Steun voor deze aanname is het voorkomen van gewestelijk Engels bunt ‘duwen, stoten (met hoofd, hoorns of voeten); omhoogduwen’ en Westvlaams bonteren ‘botsen, terugstuiten’. Er is ook nog Westvlaams bunt ‘heuvel, hoogte, bobbel’, dat van een *bunten kan zijn afgeleid zoals Engels bump ‘bobbel’ van to bump ‘botsen’. Van belang is bovendien Westvlaams bunst, bunste ‘gebolde hoogte, knorre, kwast’. Denk immers aan de vaak gebolde rug van de bunzing. Al met al is het dus mogelijk dat *bun(t)s oftewel bunzing een vernoeming naar de gang en dans van het dier is.

Zijn vel
We kunnen de herkomst evenwel elders zoeken. Het is bekend van bijvoorbeeld vos en los dat Germaanse dierbenamingen vaak verlengd (of afgeleid) werden met een -s-. Met hetzelfde achtervoegsel werden ook voornamen verlengd, dus waarschijnlijk gaat het hier om liefkozing. Niet dat men werkelijk gesteld was op deze roofdieren, maar men poogde zulke dieren te vriend te houden als het ware, opdat kippen, eenden en ganzen niet gestolen zouden worden. Volgens het Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens werden in sommige streken tijdens Fastnacht zelfs offers gebracht aan bunzing, vos en marter, um die Hühner zu sichern.

Gezien het bestaan van dat achtervoegsel kan *bun(t)s dus evengoed bij een *bunt gevormd zijn. En dat woord kan vervolgens een en hetzelfde zijn als de voorloper van bont ‘pelswerk’. Het is immers ook in lijn met wat Jacob van Maerlant schreef: men prijst de bunzing enkel om zijn vel. Daarbij, zoals na te gaan in onder andere het Mittelhochdeutsche Wörterbuch sloeg Duits Bunt aanvankelijk op zwart en wit (of donker en licht) pelswerk en verwees de bijvoeglijke vorm bunt naar zwart en wit (of donker en licht) met betrekking tot pelswerk. Dat is net wat de bunzing kenmerkt. Denk ook aan benamingen als bonte kraai en Antwerps bonting voor zowel de bonte kraai als de ekster.

Overigens stelt het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands in navolging van eerdere naslagwerken dat bont/bunt oorspronkelijk een kloosterwoord was ter aanduiding van het zwarte stikwerk op witte kerkelijke gewaden en dat het een ontlening is van Latijn punctus ‘geprikt; gestippeld’. De daadwerkelijke overlevering wijst dit echter niet uit—de oudste verwijzingen zijn toch echt naar pelswerk—en het is in dat geval niet duidelijk waarom we niet de vorm pont/punt hebben gekregen.

Wel is het zo dat Nederlands bont en Duits bunt niet helemaal met elkaar te rijmen zijn, aangezien een Nederlandse t (op die plek) moet beantwoorden aan een Duitse z en omgekeerd een Duitse t moet beantwoorden aan een Nederlandse d. Dat geeft aan dat de twee vormen niet beide rechtstreeks uit het Westgermaans afkomstig kunnen zijn. Een van de twee (zo niet beide) moet dus ontleend zijn. Mogelijk dan is dat de Duitse vorm aan het Nederduits is ontleend, en de ware voorloper van dit woord voor zwart en wit (pelswerk) dus Westgermaans *bunt is. Wat is daarvan de verdere herkomst? Wel, misschien niets anders dan de naam van ons dier hier!

De twee besproken duidingen zijn immers als volgt te verzoenen. Van het werkwoord *buntōn ‘stoten, stuiten, stuiteren’ werd *bunt ‘bobbel; bunzing’ afgeleid. Enerzijds verschoof diens betekenis naar ‘donker en licht pelswerk (zoals van een bunzing)’, waarna het woord ook bijvoeglijk werd gebruikt. Anderzijds werd het zogenaamd liefkozend verlengd tot *bunts, met behoud van de oorspronkelijke betekenis. Dat werd bovendien bevorderd door het voorkomen van de verlenging *buntsōn naast *buntōn. Tot slot werd *bunts verlengd tot *buntsing en *buntsel, vanwaar Nederlands bunzing en Gronings bunzel.

Een andere naam
In Noord-Limburg heeft de bunzing ondertussen de naam illik, met nevenvormen als ilk en ulk, en in Noord-Brabant komt ulling voor. In Gelderland, Overijssel en Drenthe heet hij ulk en over de grens in Westfalen onder meer illerk, illekatte, illebutte, illebutten, illebuttek, ülk, üllek en üllerk. Verder naar het noorden—en mogelijk ontleend aan het Nederduits—stuiten we op Deens ilder en Zweeds iller, mogelijk met -er naar voorbeeld van odder ‘otter’ en utter ‘otter’.

Oudere verschijningen zijn oostelijk Middelnederlands ulc en ullic en Middelnederduits illeke, illek, illak, ilke, ilk, ilkem en ülke. De onmiddellijke voorlopers zijn vast te stellen als Oudnederlands en Oudsaksisch *illo, met daarbij de verkleining *illuko. De u van *illuko maakte dat de eerste i zelf ook een u of ü kon worden, getuige ulk en dergelijke.

In dezelfde tijd bestond ook Oudhoogduits illitiso (nevenvorm illintiso), de voorloper van Duits Iltis ‘bunzing’. Dat lijkt een samenstelling, maar de daarvoor gegeven verklaringen zijn tot nog toe zeer onbevredigend gebleken (zie noot). Hier volgt daarom een nieuwe duiding. Het is mogelijk dat we deze naam moeten lezen als illi(n) tīso, met illi(n) als een al dan niet verbogen bijvoeglijk naamwoord en wel een evenknie van Oudnoords illr ‘kwalijk, deerlijk’.

Ondertussen is tīso klankwettig te herleiden tot Oudgermaans *dīsō ‘spinnende, beramende’. Vergelijk daarvoor Oudgermaans *filu-dīsaz ‘veel-spinnend, veel-beramend’ als voorloper van Gotisch filudeis* in filudeisei ‘sluwheid’. Grondslag is een wortel voor ‘spinnen, draaien’ die ook te vinden is in onder meer Oudsaksisch dīsna ‘spinrokken’, Drents diezeln ‘ronddraaien, tollen’, Gelders-Overijssels disteren ‘draad op een haspel winden’ en Oostfries dîsen ‘voorovergebogen rennen, naar voren storten’.

Het zou erop neerkomen dat illi tīso letterlijk ‘kwalijke beramer’ betekent, *illo de ‘kwalijke’ en *illuko de ‘kleine kwalijke’. Het nadeel van deze duiding is dat een Westgermaanse evenknie van Oudnoords illr ‘kwalijk’ anderszins niet is overgeleverd. (Engels ill is aan het Oudnoords ontleend.) Tenzij we die mogen herkennen in Oudengels illeracu ‘oververzadiging’ en ge-illerocaþ ‘oververzadigd’. Immers, gezien het verband met rocettan ‘oprispen’ gaat het in die gevallen kennelijk om kwalijke oprispingen.

De Nederlandse taalkundige Toon Weijnen gooide het over een andere boeg. Hij verbond ill- in dit alles met Illen ‘buik’, een woord in de streektaal van Schwaben, en met Grieks ilia ‘onderlijf’. Hij voorzag dit van de stelling dat de bunzing als verschijning van de baarmoeder werd beschouwd. Bij nader inzien blijkt echter dat Illen niet ‘buik’ betekent, laat staan ‘baarmoeder’, maar ‘buil, bult, buts’, terwijl Grieks ilia mogelijk van voor-Griekse, niet-Indo-Europese herkomst is en dus beter verre te houden is. Het is ondertussen aannemelijk dat Illen oorspronkelijk ‘kwalijke plek’ betekende, dus als afleiding of verzelfstandiging van ill- ‘kwalijk, deerlijk’.

Besluit
Hij stinkt, hij steelt, hij jaagt kippen de stuipen op het lijf, tot zorg en leed van eigenaars. Zijn namen visse, vuur en illik zijn getuigen van deze beruchte eigenschappen. Maar met bunzing is het kennelijk anders. Daarmee lijkt meer zijn vorm of wijze van bewegen bedoeld te zijn: de bolle rug of de onbeholpen voortgang en gekke uitspattingen. De uitdrukking luidt weliswaar stinken als een bunzing, maar we kunnen evengoed zeggen: bonzen als een bunzing.

Noot
Volgens het Etymologische Wörterbuch des Althochdeutschen is illi(n)tiso de voortzetting van ouder *ili(n)t-wis-jo. Het eerste lid zou dan langs Oudgermaans *elind- de voortzetting kunnen zijn van Indo-Europees *h1el-ent- bij de wortel *h1el- ‘rood, bruin’. Steun daarvoor ware het bestaan van Oudiers elit ‘ree’, van *h1el-nt-ih2. Het tweede lid zou dan verwant zijn aan de voorloper van Wiesel ‘wezel’. De lange -ll- in illi(n)tiso is daarmee echter niet verklaard en daarom wordt vervolgens voorgesteld dat er sprake is van (verhaspeling met) twee andere voorgangers: *h1el-ni- bij dezelfde wortel (zoals ook bij Litouws élnis ‘hert’) en *h1elh2-ent- bij *h1elh2 ‘rondtrekken’. De ontwikkeling van Germaans -ll- uit ouder -ln- is bekend. Die van -ll- uit -lh2– wordt betwist.

Heel overtuigend is dit allemaal niet, ten eerste omdat illi(n)tiso nooit met een w is overgeleverd. Ook blijven vormen als ille (in illebutten e.d.) en illik dan overklaard. Zijn het verkorte koosvormen? Bovendien wijzen jongere vormen als elteis erop dat het tweede lid oorspronkelijk lang was, dus illi(n)tīso. Ten slotte is het bestaan van een wortel *h1el- ‘rood, bruin’ twijfelachtig. Eerder is er sprake van een wortel *h1el- ‘drijven’ als grondslag van allerlei woorden voor herten, reeën en dergelijke in verband met de trek of drijfjacht, en is *h1elh2 daar een verlenging van.

Verwijzingen

Arts, J. Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek (Velden, 2015)

Bächtold-Stäubli, H. & E. Hoffmann-Krayer, Handwörterbuch des deutschen Aberglaubens, 10 Bänden (Berlijn, 1987)

Bo, L. De, Westvlaamsch Idioticon (Gent, 1892)

Fritz, M., “Von Katzen und Griechen, Wieseln und Germanen”, in Novalis Indogermanica. Festschrift für Günter Neumann zum 80. Geburtstag (Graz, 2002), blz. 169–82

Gallée, J.H., Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect (Deventer, 1895)

Gärtner, K. e.a., Mittelhochdeutsches Wörterbuch. Band 1: a – êvrouwe (2013)

Heidermanns, F., Etymologisches Wörterbuch der germanischen Primäradjektive (Berlijn, 1993)

Holthausen, F., Altenglisches etymologisches Wörterbuch, 2. Auflage (Heidelberg, 1963)

INL, Vroegmiddelnederlands Woordenboek (webuitgave)

INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

INL, Woordenboek der Friese taal (webuitgave)

Köbler, G., Altsächsisches Wörterbuch, 3. Auflage (2000ff.)

Köbler, G., Mittelniederdeutsches Wörterbuch, 3. Auflauge (2014)

Kocks, G.H., Woordenboek van de Drentse dialecten, twee delen (Assen, 1996–2000)

Lehmann, W.P., A Gothic Etymological Dictionary (Leiden, 1986)

Lloyd, A.L. & R. Lühr, Etymologisches Wörterbuch des Althochdeutschen, Band 5: iba – luzzilo (Göttingen, 2014)

Philippa, M., e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands (webuitgave)

Pilkmann-Pohl, R., Plattdeutsches Wörterbuch des kurkölnischen Sauerlandes (Arnsberg, 1988)

Tier, V. de, H. Lien & L. Triest, “De benamingen voor de bunzing in de zuidelijk-Nederlandse dialecten: een nieuw cyberlemma”, in Woorden om te bewaren: huldeboek voor Jacques Van Keymeulen (Gent, 2018), blz. 187–98

Vaan, M. de, The Dawn of Dutch. Language contact in the Western Low Countries before 1200 (Amsterdam/Philadelphia, 2017)

Vries, J. de, Nederlands etymologisch woordenboek (Leiden, 1971)

Weijnen, A.A., Etymologisch dialectwoordenboek, 2e druk (’s Gravenhage, 2003)

Wright, J., The English Dialect Dictionary, 6 vol. (Londen, 1898-1905)

14 gedachtes over “De namen van de bunzing

  1. Dankjewel Olivier voor de geweldige duiding! Bunzing is een naam die ik al lang in mijn hoofd heb trachten te duiden. Nu ben ik weer een stuk verder! Met name de insteek van ‘bunt’ in de betekenis van oprichten lijkt me heel passend. Regelmatig heb ik hier in het zuiden van de stad Groningen (bij het Sterrenbos) het pad gekruist van een bunzing. En hetgeen mij het meest opvalt naast zijn golvende ‘stuiterende’ voortbeweging, is de manier waarop ze plots tot stilstand komen en zich dan in volle lengte oprichten om de omgeving goed af te zoeken naar gevaar of prooi. ‘Oprichter’ of ‘staander’ is dus zeker een goede verklaring.

    1. Je boft met bunzingen, zo vaak als je die te zien krijgt. (Of is het iedere keer dezelfde?) Afgelopen winter heb ik nog wel een hermelijn in wintervacht gezien: helemaal wit, op de zwarte staartpunt na. Hij kruiste mijn pad achter mijn rug, dus het was een geluk dat ik net omkeek.

      Op zich dacht ik als grondbetekenis van *bun(t)s meer aan ‘bobbel’ (en ‘stuiter’). Daarbij, gewestelijk Engels bunt heeft bij Wright de betekenissen ‘to push, butt, strike with the head, horns, or feet; to bump; to raise, lift up’ en die laatste twee heb ik vertaald als ‘oprichten’, maar gezien de zinsverbanden had ik er beter ‘omhoogduwen’ van kunnen maken. Voorbeeld: Bevis (…) told two of them to ‘bunt’ Charlie up one of the ash-trees till he could grasp a branch.

      1. De kans dat het dezelfde bunzing betrof is zeker niet uit te sluiten… het was i.i.g. telkens rondom het Sterrenbos. Prachtig wezen!
        Het is zeer toepasselijk dat *bun(t)s zowel zou kunnen verwijzen naar het stuiterende voortbewegen als ook naar het zich plots oprichten.
        Qua ‘omhoogduwen’ krijg ik meteen een beeld van spelende otters die ik ooit in het Noorderdierenpark in Emmen het een en ander zag omhoogduwen uit het water. Geen idee in hoeverre bunzings ook voorwerpen, modder of elkaar opduwen. Maar ‘bouncy’ zijn bunzings zeker!

  2. Wat een fantastische blog, Olivier!

    Ik kom uit Oost-Vlaanderen, dichtbij de grens met Vlaams-Brabant. Bij ons is de naam voor de bunzing inderdaad ‘viche’ . De Franse benaming ‘furet’ werd in de XIIIe eeuw voor het eerst in de Franse taal gesignaleerd. Ze komt van het volkslatijn ‘furritus’ uit het klassiek Latijn ‘fur’ (dief). In het Nederlands ‘fret’. Daar komt dus het aspect ‘dief’ weer naar boven. Het woord ‘fur’ bestaat ook nog in het Frans, maar heeft niets met een dief of een fret te maken., maar is afgeleid van ‘fuer”, van het lat. ‘forum’ (markt); dat wordt tegenwoordig alleen nog gebruikt in de staande uitdrukking ‘au fur et à mesure’ (naargelang, naarmate…).

    Van ‘furet’ is afgeleid de betekenis van een persoon die iets opspoort, zoekt, etc.
    In Rijsel heb je de enorme boekhandel ‘Le Furet du Nord’, hetgeen betekent ‘de snuffelaar’.

    Le Grand Robert de la langue française geeft als definitie van ‘fureter’:

    1 Techn. (chasse). Chasser* au furet. Fureter dans une garenne. — Trans. Chasser au furet dans… Fureter un terrier, une garenne.

    2 (1547). Cour. Chercher*, s’introduire partout avec curiosité dans l’espoir d’une découverte. Fureter dans une maison, un grenier. Fureter dans tous les coins (cit. 14), de tous côtés. Indiscret* qui furète dans les tiroirs. ➙ Fouiller (cit. 24), fouiner. Fureter partout à la recherche d’un objet. ➙ Farfouiller. Aimer à fureter chez les antiquaires, les libraires.

    Betekenis 2 wordt dus gebruikt voor ‘snuffelen’, ook als het indiscreet gebeurt. Ik vermoed dat ‘Le furet du Nord’ slaat op het feit dat de boekhandel zo groot is en er zoveel verborgen schatten te vinden zijn als je maar lang genoeg rondsnuffelt.

    Betekenis 1 duidt op het gebruik van het gedomesticeerde diertje dat gebruikt wordt om bij de jacht te helpen bij het opsporen van konijnen etc.

    Ik citeer Wikiwand:
    De fret (Mustela putorius furo) is eigenlijk de gedomesticeerde vorm van de bunzing en behoort tot de marterachtigen. De wetenschappelijke naam werd, als Mustela furo, in 1758 gepubliceerd door Carl Linnaeus. Zoals alle marterachtigen zijn fretten roofdieren. Over het algemeen wordt de fret gehouden als gezelschapsdier, maar er zijn ook fretten die worden gebruikt voor de jacht. Deze vorm van jagen wordt ‘fretteren’ (cfr. fureter) genoemd. De fret wordt gemiddeld 5 tot 7 jaar oud en is (inclusief de staart) 35-50 cm lang. Voor de drie kleurvarianten: zie https://www.wikiwand.com/nl/Fret_(dier)

    1. Ook in het Engels heeft men het werkwoord to ferret met fretten jagen maar ook figuurlijk ‘snuffelen’
      A ferret is ook een speurder,onderzoeker

  3. Ook mijn dank voor dit mooie stuk! Bij ‘bunteren’ moest ik ook aan het Friese woord ‘bunt’ – (zoiets als ‘stootplek’) of is dat mijn dirty mind? En is het Friese ‘murd’ even lastig te duiden als de Nederlandse naam, of is dat plain sailing? Ten slotte over de n van ‘bûnzje’: die is wel degelijk weggevallen in de zin dat hij niet wordt uitgesproken; de klinker is echter ter compensatie verlengt en genasaliseerd. Inderdaad, anders dan in ‘goes’, waar wel rekking is opgetreden, geen nasalisering, maar dan wel weer een diftongisering.

    1. Ha, Fries bunt stond in mijn aantekeningen. Wel dacht ik eerder aan ‘heuvel’ o.i.d., gezien Westvlaams bunt ‘heuvel, hoogte, bobbel’, maar wie weet. Hetzelfde begrip wordt met klink, kling aangeduid, en dat is gebeurlijk te vereenzelvigen met kling ‘hoogte, heuvel’.

      Fries murd komt net als o.a. Oudengels mearþ ‘marter’ van Oudgermaans *marþuz. Daarnaast Duits Marder ‘marter’ van *marþraz. (Dat laatste woord is ook in het Frans beland en vervolgens weer door het Nederlands ontleend als marter.) De verdere herkomst is onwis, al is er genoeg om bij aan te knopen, zoals hier.

      Je hebt uiteraard gelijk over het wegvallen van de n in bûnzje, maar het is in dat geval van latere tijd dan goes e.d., aangezien de klinker nog genasaliseerd is zoals je zegt.

  4. Beste Olivier,

    Gisteren plaatste ik een reactie. Omdat ze niet zichtbaar werd op je site , heb ik ze een tweede keer gestuurd. Geen resultaat! Wel werd meegedeeld: dit hebt u al eens gezegd.
    Vanochtend weer geprobeerd en weer werd mijn reactie niet zichtbaar. Mijn inloggegevens zijn juist. Hoe kan ik dat oplossen?

    1. Hai Roger, zo te zien waren ze niet door het spam-filter gekomen. Ik denk dat de kans op zo’n lot groter is wanneer het bericht langer dan gemiddeld is en een schakel bevat. Berichten die als zodanig worden aangemerkt door WordPress krijg ik niet te zien, dus ik zal wat vaker kijken in de map waar ze in belanden.

Laat een reactie achter op Liuwe H. Westra Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.