Herculēs in Nederland

Herculēs, schreef de bekende geschiedschrijver Tacitus tegen het jaar 100, verbleef naar verluidt ooit onder de Germanen en werd door hen nog immer als voornaamste held bezongen en zelfs als god beofferd met dieren. Niet onder die naam uiteraard, maar de Romeinen en Germanen plachten nu eenmaal elkaars goden en helden te vereenzelvigen. Bodemvondsten in de vorm van onder meer erestenen staven Tacitus’ verhaal: Nederrijnse Germanen in dienst van het Rijk vereerden Herculēs, vaak met de opmerkelijke plaatselijke bijnaam Magusanus.

Gelijkstelling
Geleerden vatten deze Germaanse Herculēs doorgaans op als *Þunaraz, de god des hemelgewelds wiens naam in onze taal inmiddels Donder luidt. De ene heeft een knots, de andere een hamer, en beide zijn de belichaming van kracht alsmede bestrijder van onzaligen. Bovendien schreef Tacitus elders dat Germaanse strijdkrachten eens voor een beslissende slag bijeen waren gekomen in een heilig woud van Herculēs. Dit kan immers beantwoorden aan Oudgermaans *Þunaras lauhaz ‘Donders bos’, de voorloper van meerdere oordnamen, zoals Thundersley en Thursley in Engeland en Donderslag (ouder Donreslo, Dunreslo) in Belgisch Limburg. Hij was echter niet de enige Germaanse god aan wien wouden gewijd waren.

De bekende Nederlandse geleerde Jan de Vries vond de overeenkomsten tussen Herculēs en Donder dan ook te oppervlakkig en algemeen. Kracht en kampen met kwade geesten kenmerkte ook andere goden, en de Gallische donder- en hamergod Taranis bijvoorbeeld werd ook niet met de Grieks-Romeinse knotsheld gelijkgesteld. Herculēs, onder meer vereerd als heer van verkeer en beschermer van trouw, verschilde bovendien meer van Donder dan hij ermee overeenkwam. De Vries dacht daarom eerder aan *Ingwaz (in onze taal Ing), de vergoddelijkte held en voorvader van de Germaanse stammen die volgens Romeinse overlevering het dichtst bij de wereldzee woonden.

Overlevering
De vroegste verschijning die we van Herculēs Magusanus kennen is van halverwege de eerste eeuw na onze jaartelling. Het gaat om een eresteen voor Magusano Herculī—hier omgekeerd en in de derde naamval—die halverwege de eerste eeuw na onze jaartelling is opgericht en uiteindelijk gevonden te Ruimel, Noord-Brabant. Verantwoordelijk was ene Flāvus, een leider der Batavī, de in de Betuwe vertoevende Germaanse stam die het Rijk diende en al vroeg geromaniseerd was geraakt.

Uit de twee eeuwen daarna zijn nog meerdere stenen e.d. voor deze god gevonden, waaronder één aan Herculī Magusano et Haevae, kennelijk zijn gade. In het Latijn was de h toen al een tijdje bezig te verdwijnen en werd hij vaak geschreven waar hij niet hoorde, dus is Haeva te duiden als een latinisatie van Oudgermaans *Aiwō ‘levenskracht, leven, levenstijd’. Dat woord is de voorloper van onder meer Oudengels ǽ ‘leven’, Westvlaams eeuw in eeuwloos ‘futloos’ en Nederlands eeuw ‘honderd jaar’. Vergelijk hoe de Romeinse Herculēs gehuwd was met Iuventūs ‘jeugd’, naar voorbeeld van de Griekse Hēraklês met zijn Hēbē ‘jeugd, levensbloei’.

Duidingen
Magusanus is moeilijk te doorgronden gebleken en oorspronkelijk niet noodzakelijkerwijs Germaans, aangezien hij immers voorkwam in een grensgebied. Geleerden als Rudolf Much hebben de naam opgevat als afleiding van Gallisch magos ‘veld’, een woord dat anderszins voorkwam in de oordnaam Noviomagos, die de Romeinen vervolgens latiniseerden tot Noviomagus en gaven aan verscheidene oorden in veroverd gebied. Eén daarvan leeft voort als Nijmegen, in de streek die destijds werd bewoond door de Batavī, die dus Magusanus vereerden. Doch bij afleiding van Gallisch magos (verbogen mages-) of Gallo-Romaans magus (verbogen mag-) zouden we veeleer Magesanus, Magonus of Maganus verwachten dan de overgeleverde vorm Magusanus.

Anderen, zoals Norbert Wagner, zien de naam als latinisatie van Oudgermaans *Magusnaz en daarmee een afleiding van een *magus-, bij dezelfde wortel als (ver)mogen en macht. De naam zou dan te begrijpen zijn als ‘de met kracht behepte’. Dat is immers ook in lijn met de voorstelling van Herculēs als belichaming van kracht. Groot bezwaar hier is evenwel dat er anderszins geen spoor is van dit *magus- en dat dit niet de bijkomstige a van Magusanus verklaart.

Aangezien de naam steevast in de derde naamval Magusano is overgeleverd, zouden we nog kunnen overwegen dat -ano een ongebruikelijke, plaatselijke (Romaans-)Germaanse naamvalsuitgang is en de eigenlijke naam *Magusō luidde in de eerste naamval. Zo meende ook Friedrich Kauffmann, die de naam vervolgens uitlegde als een zogenaamd actief deelwoord, in de betekenis ‘de gekund hebbende’ bij de voorloper van het werkwoord mogen. Doch het valt te betwijfelen of diens actief deelwoord die vorm zou hebben. Bovendien zou het betekenen dat deze held een sterveling was wiens bezigheden geheel in het verleden lagen in de voorstelling van zijn vereerders.

*Magusō is anders nog op te vatten als een vleivorm van Oudgermaans *maguz ‘jongen, zoon’. Vergelijk hiervoor bijvoorbeeld de tweede eeuwse Germaanse godinnennaam Hariasa, een latinisatie van *Harjasō bij *harjaz ‘leger; krijger’. Met een ander achtervoegsel had het Gotisch, een Oost-Germaanse taal, magula ‘zoontje’ uit ouder *magulō. Het moeten aannemen van een ongebruikelijke zo niet ongehoorde naamvalsuitgang -ano spreekt er echter niet voor.

Alsnog Gallisch?
Naast Magusano is ook één keer de vorm Maguseno op een steen gevonden en dat is voor sommige onderzoekers, met name de keltoloog Lauran Toorians, een sterke aanwijzing dat deze god oorspronkelijk Gallisch was en later door Germanen is omarmd. De naam *Magusenos bestond namelijk ook elders in de Keltische wereld, getuige het voorkomen van een jongere, klankverschoven vorm Mavohenus, die in de zesde eeuw op een steen in Wales was geschreven. In het Wels werd de oude s immers in dergelijke plekken tot een h.

*Magusenos wordt opgevat als ‘jeugdig oud’, een samenstelling van Oudkeltisch *magus ‘jongen, bediende’ (de evenknie van Oudgermaans *maguz ‘jongen, zoon’) en *senos ‘oud’. Die betekenis misstaat Herculēs inderdaad niet. Dat de naam vervolgens als godennaam in bijna alle gevallen de gelatiniseerde vorm Magusanus met a had is dan wel lastig te verklaren. Toorians stelt dat de klemtoon oorspronkelijk op de e lag, dus *Magusénos, en dat de Germanen, die gewend waren om de klemtoon op de eerste lettergreep te hebben, bij het overnemen van de naam deze e als lang opvatten. Aangezien hun eigen lange ē meer een lange ǽ was konden ze deze vervolgens spellen met a.

Toorians geeft toe dat dit niet heel overtuigend is. Bovendien moet hierbij gezegd worden dat het bestaan en de herkomst van Mavohenus evenmin zeker zijn. De daadwerkelijk overgeleverde vorm was namelijk Mavohe-, waarbij de rest met een deel van de steen was afgebroken. De volle naam is dus aangenomen op grond van een inschatting. En zelfs als deze inderdaad Mavohenus was is het niet zeker of hij ook echt de voortzetting van *Magusenos was. Ten slotte was de Welse man genaamd Mavohe- gewoon zomaar iemand. We kunnen ons afvragen of een vergoddelijkte held een (bij)naam zou hebben hebben die anderszins door gewone stervelingen gedragen werd.

Germaans
Dan is de vorm Magusenos, die dus slechts één keer voorkomt en niet als vroegst bekende, eerder afwijkend naast Magusanus dan andersom. Wel is het goed mogelijk dat Magusanus een samenstelling is en niet een afleiding, zoals in het verleden doorgaans is aangenomen. Sterker nog, hij is uitstekend te duiden als de latinisatie van een tweestammige Germaanse naam: *Magu-sanaz. Het eerste lid *maguz zij hierin alsnog ‘jongen, zoon’, terwijl het tweede lid *sanaz hore bij woordstof die weliswaar zeldzaam is, maar goed betuigd in de Germaanse talen.

Er bestond ten eerste namelijk een Oudgermaans werkwoord *sananą ‘streven’, overgeleverd als Oudfries sana ‘tegenstreven, twisten’, Fries sane in immen sane noch mane ‘iemand niet lastigvallen met onaangename verzoeken, aanmaningen enz.’, Noordfries sane ‘strijden’ en Zwitsers sane ‘verlangen’. Een verlenging overleeft nog als Fries sanikje en Nederlands zaniken. In het Oudfries bestond bovendien de afleiding san, sanne ‘twist, strijd’ (ook in sanlās ‘onbetwist; onbelangrijk’ en landsan, -sanne ‘landtwist’) met het daarvan afgeleide werkwoord sannia ‘strijden’.

Reeds in het Oudgermaans was van het oorspronkelijke werkwoord *sananą ook een bijvoeglijk naamwoord afgeleid: *sanaz ‘strevend’. Hoewel zeldzaam werd dit gebruikt in al dan niet tweestammige Germaanse namen, zoals Oudhoogduits San (in de oordnaam Sanesdorf), Trabesan en Sanaharius, Oudengels Ordsanus en Westgotisch Gomesanus. Die laatste drie zijn allen van een Latijnse uitgang voorzien. Daarnaast is een zwak verbogen *sanō ‘strevende’, nevenvorm *sannō, overgeleverd als Oudhoogduits Sano en Sanno (alsmede vrouwelijk Sana) en Fries Sane en Sanne. Ook te verbinden is ten slotte de stroomnaam *Sanjō, nu de Zenne in België.

Geheel
Het is dan nog niet helder hoe *Magusanaz in zijn geheel te begrijpen is. Een mogelijkheid is ‘jeugdige krijger’, waarmee het doet denken aan dichterlijke Oudengelse samenstellingen als magurinc en maguþegn (met rinc ‘man’ en þegn ‘krijger in dienst van een heer’). En aangezien *maguz zich in het Oudnoords klankwettig tot mǫgr ontwikkelde is de mythologische Oudnoordse naam Mǫgþrasir ook belangwekkend. Wie die god of reus was valt niet op te maken uit het verband waarin hij wordt genoemd in het verhaal Vafþrúðnismál, maar op zichzelf betekende þrasir mogelijk ‘strijder’, gezien IJslands þrasa ‘strijden’.

Rudolf Simek, geleerde op het gebied van Germaanse mythologie, vat Mǫgþrasir echter op als ‘zonen-strevend’ en net zo’n betekenis zouden we dan evengoed voor *Magusanaz kunnen overwegen. Herculēs stond er immers bekend om vele kinderen te hebben verwekt. Des te meer nog was Ing, de goddelijke held die zoals gezegd volgens Jan de Vries de ware Germaanse Herculēs was, bij uitstek een voorvader. Daarbij is ook buiten het Germaans op een dergelijke samenstelling te wijzen: Oudindisch go-ṣán(i)- ‘koeien-verwervend’ heeft als tweede lid een afleiding van de evenknie van Oudgermaans *sananą ‘streven’ hierboven, zij het met een iets verschoven betekenis.

Maar hoe zit het dan met die nevenvorm Magusenos? Aangezien die slechts één keer voorkomt kan het domweg een schrijffout zijn. Of, bijvoorbeeld als er een Gallo-Romein voor het schrijven ingehuurd was, een verwarring met Gallisch senos ‘oud’. Ten slotte is het mogelijk dat er een Oudgermaans *senaz bestond als nevenvorm van *sanaz ‘strevend’ hierboven, zoals bijvoorbeeld ook *frekaz naast *frakaz ‘gretig’. Daarop wijst ook het voorkomen van Germaanse namen als Seno, Senocus en Senobaud.

Verwijzingen

Förstemann, E., Altdeutsches namenbuch (Bonn, 1900)

Kauffmann, F., “Mythologische Zeugnisse aus römischen Inschriften. 1. Hercules Magusanus”, in Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 15 (1891), blz. 553–562

Mayrhofer, M., Etymologisches Wörterbuch des Altindoarischen, I-III (Heidelberg 1992-2001)

Richthofen, K., Altfriesisches Wörterbuch (Göttingen, 1840)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Simek, R., Lexikon der germanischen Mythologie, 3. Auflage (Stuttgart, 2006)

Staub, F. e.a., Schweizerisches Idiotikon (Frauenfeld, 1881-nu)

Tacitus, P.C., Germania, vertaald en besproken door J.B. Rives (Oxford, 2002)

Toorians, L., “Magusanus and the ‘Old Lad’: A case of Germanicised Celtic”, in North-Western European Language Evolution (NOWELE) 42 (2003), blz. 13–28

Vries, J. de, “Studiën over Germaansche mythologie”, in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Jaargang 51 (1932), blz. 277–304

Wagner, N., “Hercules Magusanus”, in Bonner Jahrbücher 177 (1977), blz. 417–22

17 gedachtes over “Herculēs in Nederland

  1. Naast Bataven vereerden de Ubiërs, Cugernen, Marsen en Tungri ook de god Magusanes (voor de komst van de Romeinen). Die woonden op de grens tussen Germanen en Kelten. Ga je verder naar het noorden dan kom je de naam bij de Germaanse stammen niet meer tegen.
    Vafþrúðnismál staat in de Poëtische Edda, maar is wel pas in de 13e eeuw opgeschreven. Geen idee of dit verhaal uit een veel oudere Indo-Europese mythologie komt of in de loop van de eeuwen via overlevering (uit het zuiden) in de Noorse mythologie is tercht gekomen. Maar dit ter zijde. Enige Keltische invloed op de verering ligt dus voorhanden. Gek genoeg zijn er naar mijn weten geen of nauwelijk voorbeelden bekend van verering bij de Kelten.
    Er zijn meer voorbeelden bekend van lokale goden en godinnen (in het RMO staan diverse votiefstenen en Judith Schuyf komt in ‘Heidense heiligdommen’ zelf op een stuk of tien).
    Ergo, je kunt de naam Magusanus verklaren vanuit het Keltisch en uit het Germaans, maar daar komen we volgens mij niet uit. Magusanus is een lokale god van stammen die langs de Rijn leefden en zijn niet altijd aan te duiden als of Germaans of Keltisch.
    Ligt een proto- Keltische of Proto- Germaanse, respectievelijk Indo-Europese verklaring/ afkomst van Magusanus niet eerder voor de hand? Van Nehalennia is dit namelijk ook al eens geopperd.

    1. Hoewel er een grensgebied was (en daarmee gegermaniseerde Kelten en gekeltiseerde Germanen), zou ik niet zo gauw zeggen dat er stammen waren die tussen Germanen en Kelten woonden, kruisbestuivingen ten spijt. Er was bijvoorbeeld geen spraakovergangsgebied (dialectcontinuüm) tussen Germaans en Keltisch. De Ubiī, Cugernī, Marsī en Tungrī zijn vanwege hun namen en beschrijvingen bij de Germanen in te delen. De Ubiī werden naar verluidt zelfs geteisterd door andere Germanen, met name de Suēbī, omdat zij (de Ubiī) hun Germaanse wortels zouden hebben verloochend ten gunste van Romeinse zeden.

      In het ruime land rechts van de Rijn valt inderdaad geen verering van Magusanus in enige vorm te ontdekken, maar daar was destijds nauwelijks schriftelijke overlevering, dus wie weet hoe ver noordelijk en oostelijk zijn verering reikte. En zoals je aangeeft, in onmiskenbaar Gallisch (of breder genomen Keltisch) gebied was hij ondertussen kennelijk onbekend. Dat spreekt tegen Keltische invloed dan wel oorsprong.

      Overigens is het opmerkelijk dat Tacitus doet alsof Hercules in heel de Germaanse wereld bekend was. Aanvankelijk zag ik dat als een veralgemening, maar hij kan anders vrij toegespitst zijn, bijvoorbeeld wanneer hij zegt dat Īsis door sommige van de Suēbī wordt vereerd of Nerthus door zeven bepaalde stammen.

      Mǫgþrasir haalde ik er alleen bij als een met Magusanus taalkundig vergelijkbare samenstelling. Ik bedoel niet te zeggen dat Mǫgþrasir en Magusanus naar hetzelfde wezen verwijzen, al is de mogelijke betekenisovereenkomst opvallend. Overigens zal Mǫgþrasir een tamelijk oude naam zijn, aangezien de dichter aanneemt dat zijn toehoorders hem kennen, terwijl hij nergens anders is overgeleverd. (Doch waarschijnlijk niet ouder dan de zesde eeuw, aangezien þrasir geen i-umlaut toont.)

      Je laatste vraag begrijp ik niet helemaal. Proto-Keltisch en Proto-Germaans worden doorgaans gebruikt als evenwoorden van onderscheidenlijk Oudkeltisch en Oudgermaans. Het Oudkeltisch raakte veel eerder vertakt dan het Oudgermaans, vandaar dat de meeste behandelingen van de naam Magusanus uitgaan van een ofwel Gallische ofwel Oudgermaanse oorsprong. Een Proto-Indo-Europese oorsprong is uit te sluiten: het zou erg lang geleden zijn en we zouden dan evenknieën van Magusanus elders in de wijde Proto-Indo-Europese wereld moeten zien.

  2. Met de stammen die Magusanus vereerden bedoel ik niet dat ze tussen Kelten en Germanen woonden. Het ging er mij om aan te geven dat deze Germaanse stammen vlak bij de Kelten woonden (grensden) en daarom er wellicht een verband was met de verering van Magusanus.
    Ook al zijn er geen aanwijzingen van verering door de Kelten, het blijft opmerkelijk dat juist de Germaanse stammen die naast de Kelten woonden Magusanus vereerden.
    Zou dit, met in het achterhoofd de verspreiding van de Germaanse talen naar het zuiden vanaf ongeveer 750 voor Chr. en de beperkte invloedsfeer van de Keltisch La Tène-cultuur, juist niet pleiten voor een overname van een locale god? Of laat ik anders formuleren, zijn de Keltische- en Germaanse oorsprong van Magusanus jonger dan 750 v. Chr.?

    1. Ah, ik begreep je verkeerd over het grensgebied.

      “Ook al zijn er geen aanwijzingen van verering door de Kelten, het blijft opmerkelijk dat juist de Germaanse stammen die naast de Kelten woonden Magusanus vereerden.”

      Voor zover bekend dan. We weten niet hoe het zat met de Germanen achter de grens-Germanen, omdat die vrijwel niets hebben opgeschreven. Voor hetzelfde geld was Magusanus als zodanig bekend tot aan de Oostzee. De schriftelijke overlevering is hier als lampen die heel toenmalig Gallië belichten en een beetje van de Germaanse wereld. Als juist daar een bepaalde verering te ontwaren valt, dan denk ik: het ware de uitloper van een voorstelling die zich toen grotendeels in het donker van de Germaanse wereld bevond.

      De naam Magusanus (of een vorm daarvan) duikt weliswaar nergens anders op in de Germaanse wereld in latere eeuwen, wanneer de schriftelijke overlevering daar eindelijk op gang is gekomen, maar het gaat hier hoe dan ook waarschijnlijk om een bijnaam, en zulks had meestal een beperktere verspreiding en levensduur. Dat maakt het ook aannemelijk dat in elk geval de naam niet gek veel ouder is dan zijn eerste verschijning, om je laatste vraag te beantwoorden.

      1. “Voor hetzelfde geld was Magusanus als zodanig bekend tot aan de Oostzee”.
        Dit is speculeren. Er zijn nergens aanwijzingen dat dit zo is.
        We hadden al eerder vastgesteld dat de Kelten niets van doen hadden met Magusanus. We weten dat Magusanus door een aantal Germaanse stammen werd vereerd in het gebied Betuwe-Tongeren-Keulen-Anrepen.
        Moeten we de mytische figuur van Magusanus niet los zien van de Germaanse naam?
        Want wat we namelijk ook weten is dat de La Tène cultuur en Germaanse cultuur ( Jastorf) niet aaneengesloten culturen waren. Er zit een hele strook tussen van IJzertijdculturen (geen idee wat voor taal die spraken) die weliswaar beïnvloedt zijn door beide culturen, maar niet toe behoren. Een mooi voorbeeld in Nederland is de Vorst van Oss, die niet Keltsch is en ook niet gezien wordt als La Tène cultuur. Zou een locale IJzertijd-god niet geassimileerd kunnen zijn (inclusief bevolking) door naar het zuiden migrerende Germaanse stammen en een eigen Germaanse naam aan zijn gegeven?
        Ook dit is speculatief, maar het zou de locale verering van Magusanus kunnen verklaren.

      2. We hebben voor die tijd een geweldige blinde vlek in het Germaanse achterland, aangezien daar nog enkele eeuwen domweg niets op steen of wat dan ook is geschreven, althans m.b.t. goden. We weten gewoon niet hoe ver de Magusanus-verering strekte en kunnen dus ook niet zeggen of ze beperkt was tot Germānia Īnferior. Daarentegen valt Keltisch Gallië gemakkelijker uit te sluiten, aangezien die (vroeger) geletterd was en we daar anders getuigenissen van Magusanus zouden moeten zijn tegengekomen.

        Verder is het geenszins zeker dat het Germaans in de Jastorfcultuur is geboren en/of vandaar verspreid. Bijvoorbeeld, Udolphs betoog dat de Urheimat verder naar het zuiden lag (met een open verbinding en vroege uitbreiding naar het westen) is vrij sterk. De waternamen van België, de oudste taalgetuigenissen ter plekke, wijzen ook op een zeer vroege, overheersende en ononderbroken aanwezigheid van het Germaans daar. Ondertussen ben ik evenmin overtuigd van de vereenzelviging van de Hallstattcultuur of later de La Tènecultuur met de bakermat van de Kelten. Ik vermoed dan ook dat het Germaans en het Keltisch ouder zijn dan meestal (op grond van extrapolaties) wordt aangenomen.

        Kan dus niet eens zeggen of er in het onderhavige gebied ooit een afzonderlijk volk tussen Kelten en Germanen heeft bestaan (al valt het uiteraard niet uit te sluiten). Mocht het hebben bestaan, dan ware het nog vele eeuwen verwijderd van de tijd dat de naam Magusanus opduikt. Ik vraag me bovendien af of een lokale god überhaupt zou zijn overgenomen door oprukkende Germanen. Al met al wordt een oorsprong van de Magusanus-verering bij een afzonderlijk volk er niet aannemelijker op.

  3. Ik vroeg me af hoe we de munten van Posthumus hierin moeten zien, stammende zo ongeveer rond 260, soms afgedrukt met Hercules Deusoniensis waarvan in Nederland ook munten worden gevonden.

    Groeten

    1. Met het Latijnse achtervoegsel -(i)ēnsis maakte men bijvoeglijke naamwoorden ter aanduiding van plek. Herculēs Deusōniēnsis betekent dus ‘Herculēs van Deusōn*’. Het gaat hier kennelijk om een voorloper van Dieze, de oude naam van een stroom in Noord-Brabant. De oordnaam Diessen gaat op dezelfde waternaam terug.

      Hoe dit zich verhoudt tot Herculēs Magusanus, een naam die twee eeuwen eerder al verschijnt, blijft echter onduidelijk. Het is mogelijk dat Postumus van Germaanse herkomst was en in die streek zijn wieg had. Ik begrijp dat er in elk geval heel wat Germaanse krijgslui onder hem dienden.

      1. Geachte meneer van Renswoude, beste Olivier,

        Hoe zou, uws inziens, *Magusanaz luiden in het Nederlands nu?

        Met vriendelijke groet,

        Maddie Suykerbuyck

      2. Beste Maddie,

        Wat mannelijk nominatief enkelvoud betreft is de uitgang *-az bij de West-Germanen reeds vroeg geheel afgesleten, i.t.t. *-uz en *-iz, die nog lang -u en -i bleven en daarna een stomme -e werden.

        Dat betekent dat een *Magusanaz op zich geleid zou hebben tot Nederlands *Magezan of zelfs sterk verkort tot *Magzen of *Machsen. Maar o.i.v. de verbogen vormen is Nederlands *Magezane en vandaar *Magezaan ook mogelijk. (Klemtoon bij al deze vormen op de eerste lettergreep.)

        Met hartelijke groet,
        Olivier

  4. “Verder is het geenszins zeker dat het Germaans in de Jastorfcultuur is geboren en/of vandaar verspreid” Ben ik met je eens. Ik betoogde eerder al in een vorige blog dat haplogroep R1b het Germaans naar Scandinavië heeft meegenomen en de Noordse bronstijd ontstond.
    De Jastorf-cultuur heeft alleen het onstaan van een Elbe-Germaanse cultuur een enorme impuls gegeven na verdwijnen van de Urnveldencultuur. Ongeveer 750 v Chr lijkt er een grote culturele leegte te zijn mbt tussen Jastorf en La Tène. De Jastorf-cultuur lijkt in dat gat te zijn gesprongen.
    Voor La Tène geldt het zelfde. De Keltische taal is veel ouder. Hoe is deze anders in Groot Brittannië en Ierland gekomen? Dat kan alleen maar door de komst van de Klokbekers zijn gebeurd. Daarna heeft geen grootschalige migratie meer plaatsgevonden.

    Oliver, wederom dank voor al je antwoorden, opmerkingen en verklaringen mbt Magusanus. Wat een fijne blog!

    1. Jij evengoed bedankt, Rudmer, voor bijdragen die helpen het hier scherp te houden. Ik denk ook dat we uiteindelijk grotendeels op één lijn zitten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.