Het nosse woud in

Ze liepen achter elkaar. De ingang naar het pad was als een boog die leidde tot een duistere tunnel, gemaakt door twee grootse bomen die samenleunden, te oud en gewurgd door veil en baardmos om meer dan een paar verzwarte bladeren te dragen. Het pad zelf was smal en wond zich in en uit tussen de stammen. Al gauw was het licht aan de poort als een klein, hel gat ver achter hen, en de stilte was zo diep dat hun voeten voort leken te bonzen terwijl alle bomen over hen leunden en luisterden.

Vertaald uit The Hobbit van J.R.R. Tolkien

De stilte in het woud of elders in het wild kan heerlijk zijn en geheel tot rust stemmen. Maar doodse stilte –als blad niet ruist noch vogel zingt– spelle onheil, als ware er kwaad in aantocht. Het is een opmerkelijke overgang die men wellicht niet even gauw in de gaten heeft. Dus toen ik alweer enige tijd geleden het eigenaardige Groningse woord nosk tegenkwam, met diens betekenis ‘(dood)stil in de natuur’, tuurde ik met zowel argwaan als verwondering en vroeg ik mij af: wat voor een stilte werd er oorspronkelijk bedoeld met dit woord? Was het wel een aangename?

Lees verder “Het nosse woud in”

En de immen ijveren voor hun honing

In de vijfde eeuwse graftombe van de heidense Hilderik, koning der Franken, vond men in de zeventiende eeuw onder meer zo’n driehonderd gulden bijen. Als geschenk wisselden deze kleine kostbaarheden vervolgens van edele handen, tot ze allen werden gestolen en omgesmolten, op een luttele twee na, thans te bezichtigen in de Bibliothèque nationale de France. Het is niet meer te achterhalen waarom ze destijds aan Hilderik zijn meegegeven, maar dat het vanouds belangrijke beestjes zijn staat vast. De bij is sinds jaar en dag het zinnebeeld van vlijt en een vlijtige ziel heet een bezige bij.

Lees verder “En de immen ijveren voor hun honing”

De kobben en kangers spinnen hun draad

De spinnen onzer tuinen zijn onlangs weer geteld voor Vroege Vogels en net als vorig jaar waren het vooral de kruisspinnen die in het oog sprongen. Bij wijze van spreken! Hier hangt voor een raam een kruisspin van koninklijk aanschijn in haar welgeweven web, wachtend op een lekker maal. Deze diertjes danken hun naam aan de gewoonte draden te spinnen. Spin, in het Oudnederlands nog spinna, betekent letterlijk ‘spinster’. Maar zij waren vroeger ook anders geheten.

Lees verder “De kobben en kangers spinnen hun draad”

Een Saksisch landsdeel

Onlangs maakte minister Plasterk van Binnenlandse Zaken bekend dat de Nederlandse overheid volhardt in haar voornemen tot de samenvoeging van Noord-Holland, Utrecht en Flevoland (al dan niet met de Noordoostpolder) tot één landsdeel, doch dat de uitvoering ervan een jaar is uitgesteld, tot 2016. De werknaam van deze onderneming luidt Noordvleugelprovincie. Wellicht dat dit landsdeel uiteindelijk dan ook Noordvleugel zal heten, maar domweg Noord-Holland lijkt een veiligere gok.

Meteen werd ook weer gefluisterd over de samenvoeging van Friesland, Groningen en Drenthe tot een landsdeel Noord-Nederland, en ongetwijfeld zal die mogelijkheid achter de schermen het meest onderzocht en nagestreefd worden. Zoals wij echter enige tijd geleden al aangaven zijn de verschillen tussen enerzijds Friesland en anderzijds Groningen en Drenthe veel groter dan menigeen in het Westen beseft of scheelt te beseffen.

Lees verder “Een Saksisch landsdeel”

Mijn en dijn

Telkens wanneer ik iemand de uitdrukking mijn en dijn hoor zeggen of zie schrijven vuurt mijn gemoed. Dijn ‘jouw’ is mij namelijk een welbemind oud woord, stammend uit een tijd dat du/dou ‘jij’ in het algemeen Nederlands nog niet door gij/jij was vervangen. De Scandinavische talen, het Duits, het Fries en ook het Gronings en het Limburgs gebruiken allemaal nog een vorm van du/dou en dijn.

Lees verder “Mijn en dijn”