Skip to content

Tsjoender

29 juni 2010

Het Fries vind ik een bijzondere taal. Uit sommige monden klinkt het wat mij betreft zeikerig en te nasaal, maar uit andere monden kan het zeer welluidend klinken; rauw en sierlijk, een aangename combinatie. Een van mijn lievelingswoorden in het Fries is tsjoender ‘tovenaar’. Het woord komt mij duister en geheimzinnig voor, heeft een boeiende herkomst, en is in klank en vorm ook kenmerkend Fries. Hoe ik dat precies bedoel zal ik hieronder uitleggen, te beginnen met wat kenmerken van het historische Fries.

Zoals velen weten is het Fries de nauwst verwante taal voor het Engels. Andersom is dit niet het geval; het Fries ligt dichter bij het Nederlands dan het Engels. Maar het Fries heeft ook overeenkomsten met de Noordgermaanse (d.w.z. Scandinavische) talen.

Een ontwikkeling die het Fries en het Engels gemeen hebben is dat de Oudgermaanse k veranderde in een ts(j) wanneer deze gevolgd werd door een i of e. Vandaar dat Fries en Engels nu respectievelijk tsjerke en church hebben, waar Nederlands kerk heeft. Of vergelijk Fries tsjeak en Engels cheek naast Nederlands kaak.

Een andere gemeenschappelijke ontwikkeling van beide talen is dat Oudgermaanse eenklanken onder bepaalde omstandigheden ‘gebroken’ zijn tot tweeklanken. Zo leidde Oudgermaans *fehtanan in het Oudfries tot fiuhta en in het Oudengels tot feohtan. Het hedendaagse Engels heeft deze tweeklank overigens niet (meer).

Daarna volgde de algemene Friese ontwikkeling dat de i in tweeklanken als iu en io in veel gevallen veranderde in een j. (Eigenlijk is de j, net als de w, een halfklinker, oftewel een klank die tussen een klinker en een medeklinker inzit.) Hierdoor is Oudfries fiuhta geworden tot Fries fjochte. Vergelijk ook Fries rjucht/rjocht naast Nederlands recht. Andere voorbeelden zijn ljocht naast licht ‘schijnsel’, djoer naast duur ‘kostbaar’, en njesk naast (Middelnederlands) nesch ‘zacht, week’.

In de Noordgermaanse talen is onder ietwat andere voorwaarden hetzelfde gebeurd. Zo is bijvoorbeeld Oudgermaans *leuhsaz ‘helder, niet donker’ tot Oudnoords lss geworden, en uiteindelijk tot Zweeds ljus.

Maar nu terug naar Fries tsjoender ‘tovenaar’. Dit is een afleiding van het werkwoord tsjoene ‘toveren’. Ik heb de relevante naslagwerken even niet bij de hand, maar ik meen te herinneren dat tsjoene een verscherping (of anders verbastering) is van tjoene, en van Oudfries tiona/tiuna ‘schaden’ komt. Dat is net als Noors tyne ‘vernietigen, doden, kwellen’ de voortzetting van Oudgermaans *teunjanan ‘schaden, tergen’. Dit werkwoord is overigens een afleiding van *teunan/*teunō ‘schade, terging, onrecht’, waaruit ook Oudnoords tjón ‘schade, verlies’, Oudengels téona ‘schade, kwetsing’ en Oudsaksisch tiono ‘kwaad’.

Overigens zou het voornoemde Oudgermaanse werkwoord *teunjanan in het Nederlands tot tuinen hebben geleid, en zou de tegenhanger van tsjoender in het Nederlands tuinder zijn. Het woord is niet verwant aan tuin ‘gaard’, maar de gelijkenis is groot en dus verwarrend. Opmerkelijk is wel hoe intuinen ‘misleid worden’ weliswaar van tuin komt, maar in betekenis doet denken aan de handelingen van de tovenaar. Een kring is gauw rond, zal ik maar zeggen.

Hoe dan ook, een tsjoender is dus eigenlijk iemand die schaadt en tergt; iemand die onrechtvaardig handelt. Uiteraard heeft het Christendom de tovenarij in haar geheel als een kwalijke zaak (of als bijgeloof) beschouwd, maar ook vóór de komst van het Christendom was men op zijn hoede voor mensen die boze geesten aanriepen en zo met kwade bedoelingen anderen zochten te misleiden en beïnvloeden, of erger.

Tink om ‘e tsjoender!

Advertenties
27 reacties leave one →
  1. 29 juni 2010 18:27

    Aan de UGent is er een prof Nederlandse letterkunde met de naam T’Sjoen. 🙂

    • Olivier van Renswoude permalink*
      30 juni 2010 12:16

      Heeft hij toevallig ook een lange witte baard? 😉

  2. Rutger permalink
    30 juni 2010 11:05

    Kerk is dus tsjerk in het Fries. Komt Tjerk daar ook vandaan?

    • Olivier van Renswoude permalink*
      30 juni 2010 12:17

      Nee, de naam Tjerk is de Friese vorm van Dirk (< Diederik).

    • Olivier van Renswoude permalink*
      30 juni 2010 13:58

      Ik had overigens een foutje gemaakt, door tsjerk te schrijven in plaats van tsjerke. Excuus!

  3. 1 juli 2010 00:09

    Beste Olivier van Renswoude,

    Ik zou graag de volgende opmerkingen willen maken:

    *de palatalisatie van de velaren is niet alleen een kenmerk van het Oudengels en het Oudfries, ook het Oudsaksisch doet hier aan mee: de Saksische kolonisten van Bohemen in de elfde eeuw interpreteerden het tweede element in de plaatsnaam Ljubici als corresponderend met Oudsaksisch Beck, ergo Lübeck, aangevend dat de velaar gepalataliseerd was in iig een van de Oudsaksische dialecten. Ook de schrijvingen van voorvokalen na velaren (net zoals in het Oudengels) in enkele manuscripttradities van de Heliand duiden hierop. Het is waarschijnlijker dat de palatalisatie en vooral de breking in het Oudengels en het Oudfries parallele maar historisch onverwante processen zijn. Het Oudfries breekt alleen maar voor gesloten lettergrepen, de meeste Oudengelse dialecten doen het ook in open lettergrepen. Je zou de parallele ontwikkelingen in het licht van de Wellentheorie kunnen zien, want het Oudsaksisch breekt immers in sommige gevallen ook klinkers (sommige onderzoekers noemen het liever labiovelar mutation of u-infection) (gehu>giuhu en zelfs gigehu>giugiuhu) onder bijna dezelfde voorwaarden. Maar een historische klankverandering verklaard vanuit de Wellentheorie is wat anders dan een historische klankverandering verklaard vanuit één proto-fase. (Dat zeg je ook niet, dat weet ik, maar toch is het de moeite van het vermelden waard)

    *Pgm *teunjan zou in het Pwgm *tionjan (eu>eo/_C a, o, e ) worden en dan in het Middel en Modernnederlands (volgens mij) tevoorschijnkomen als *tienen (Pgm* eu>Pwgm iu/_i,j,u,w; Pwgm iu>Mnl. uu>Nl ui).

    *het is een goede gewoonte een reconstructie van een adjectief zonder uitgang te geven, omdat het in het Germaans zowel een zwakke als een sterke verbuiging kon krijgen. Dus correcter zou de reconstructie *leuhsa- zijn.

    Leuk dat je je (of: u zich) met het Protogermaans bezig houdt. Als MA-student Comparative Indo-European Linguistics doe ik dat ook, maar wees bescheiden in wat je zegt. (ik laat mijn artikelen voor de verschillende mededelingenbladen en mijn blog altijd graag door onderzoekers aan mijn vakgroep nakijken).

    hartelijke groet,

    Peter Alexander Kerkhof

    • Olivier van Renswoude permalink*
      1 juli 2010 00:51

      Bedankt voor je uitgebreide reactie, Peter Alexander!

      Ik heb de correcties die je nog maakte na je eerste bericht erin verwerkt.

      Wat betreft de ontwikkeling van palatalisatie en breking: ik weet dat er in dezen verschillen zijn tussen Oudengels en Oudfries, en ik zou ook niet zo maar beweren dat de beide talen deze ontwikkelingen hebben te danken aan een gemeenschappelijke voorfase. Als ik zeg dat ze de ontwikkelingen gemeen hebben, dan bedoel ik enkel dat ze beide die ontwikkelingen kennen.

      Ik moet verder op deze weblog ook een evenwicht zien te vinden tussen wat voor de gemiddelde lezer verstaanbaar is, en wat voor mensen met diepere kennis boeiend is. In het stukje hierboven was het ook niet de bedoeling dat ik een volledige en uitputtende beschrijving van palatalisatie en breking geef. Ik wil enkel even toelichten waarom ik tsjoender een fraai woord vind.

      Wat betreft de reconstructie van Oudgermaanse vormen: ik ken de gewoonte, maar ik heb zelf nu eenmaal de onverstoorbare gewoonte om de nominatief van de sterke vorm te geven.

      Ten slotte, ik zie niet waarom *teunjanan tot *tienen zou moeten leiden. Je geeft zelf al aan dat Oudgermaans *eu onder invloed van i, j, u of w tot Westgermaans *iu leidt, en zo tot Middelnederlands uu en Nederlands ui (of uu vóór r). Zoals *þeuþjanan > duiden, zo *teunjanan > *tuinen.

      Met vriendelijke groet,

      Olivier van Renswoude

      • 1 juli 2010 01:49

        Beste Olivier,

        Wat betreft de klankontwikkeling heb je gewoon gelijk (verdorie, ik gaf zelfs de klankwet waaruit blijkt dat je gelijk hebt :P). Wat je je wel kan afvragen is of het Oudfriese tiona/tiuna daadwerkelijk teruggaat op het Pgm *teunjana of een latere formatie is bij Pwgm *tiona. (denk aan vormen zoals Mnl gediede en Nl wieden die allemaal latere formaties zijn) Het veertiende-eeuwse Oudfries zou dan naar analogie een umlaut hebben ingevoerd (niet iets ongewoons, in het oosten van het land doen ze het nog steeds). Maar ja, aangezien het Oudijslands ook een umlaut-factor laat zien, ben ik het wel gewoon met je eens! 🙂

        greetz,

        Peter

      • Olivier van Renswoude permalink*
        1 juli 2010 11:20

        Dag Peter,

        Het is soms ook zo’n gepriegel met al die umlauts en weet ik het. Je eerdere opmerking over nakijkende collega’s snijdt ook zeker hout.

        Overigens heb ik voor voor de Oudgermaanse vorm A Handbook for Germanic Etymology van Vladimir Orel gebruikt. Het boek is zeker niet volmaakt, maar tot op zekere hoogte verantwoord.

        Orel geeft als grondvorm *teunjanan, met (rechtstreeks) daaruit Oudnoords týna, Oudfries tiona/tiuna, Oudengels tínan en Oudsaksisch gi-tiunian.

        Koebler heeft dit ook. Het is uiteraard maar hun duiding, maar toch. Ik heb Boutkan en Siebinga’s Old Frisian Etymological Dictionary nu niet bij de hand.

  4. 1 juli 2010 11:36

    Beste Olivier,

    Ik dacht al dat je in Orel aan het kijken was; maar let op! het is geen bijbel! Zijn reconstructies zijn erg goed (ik ben het vrijwel altijd met hem eens, behalve bij de n-stammen), maar zijn cognaten kloppen niet altijd. Als etymoloog moet je weten dat je uitgangspunt altijd de rauwe data behoort te zijn. Als je in Koebler gaat kijken zie je dat hij de vorm /gi-tiunan/ uit Holthausen heeft en hij niet zeker is van de attestatie (er staat een vraagteken naast). Holthausen heeft wel vaker vormen aangenomen op basis van vroegere manuscriptlezingen die later fout bleken te zijn. Dus methodologisch mag je de Oudsaksische attestatie weggooien. (jammer is dat altijd :)) Boutkan heeft er volgens mij geen lemma over. (weet ik niet zeker) En als je wat wilt weten over de Indo-Europese achtergrond van bepaalde etymologien, kun je me altijd een mailtje sturen.

    greetz,

    Peter Alexander

    • Olivier van Renswoude permalink*
      1 juli 2010 11:51

      Zoals ik al zei, Orels boek is zeker niet volmaakt. 😉

      Maar wat betreft Oudsaksisch gi-tiunian: ik zie nergens bij Koebler een vraagteken. Alleen de aanduiding dat de vorm gi-tiunian een lexicale standaardisering is.

      Zie bijvoorbeeld versregel 1810 uit de Heliand:

      ne uuâg ne uuatares strôm | uuihtiu getiunean,

      Van Vredendaal heeft getiunean daar ook als ‘verwoesten’ vertaald.

    • Olivier van Renswoude permalink*
      1 juli 2010 11:56

      Overigens: wat heb je aan te merken op Orels weergave van n-stammen? Zijn reconstructie van de buigingsklinker? Hij geeft de mannelijke vormen weer als *-ōn en de vrouwelijke als *-an. Ik doe dat precies andersom, net zoals het EWN.

  5. 1 juli 2010 12:03

    sorry man, ik ben aan het slapen. Ik ben verschillende academische notaties door elkaar aan het halen. je hebt helemaal gelijk. gi-tiunean is een prachtige attestatie. Ik zeg niks meer tot ik uitgeslapen ben. 🙂

    • Olivier van Renswoude permalink*
      1 juli 2010 12:08

      Haha, geen probleem. Dat heb ik zelf vaak genoeg. Ik stel je kritische blik en je betrokkenheid in elk geval zeer op prijs.

      Overigens: nog bedankt voor je wijzen op vormen van palatalisatie in het Oudsaksisch. Daar was ik nog niet bekend mee.

  6. Peter Alexander Kerkhof permalink
    1 juli 2010 16:38

    Beste Olivier,

    Als Indo-Germanist hou je je met zoveel dingen bezig dat het op een gegeven moment gewoon gaat duizelen. Op het moment lees ik zo’n 15 talen behoorlijk actief (spreek er daarvan 6 actief), en bovenop de 15 lees ik er nog eens zes passief. Ik heb vanacht een all-nighter getrokken voor mijn MA-these over de volkstalige glossen in de leges barbarorum en ben dus zooo gaar. Leuk om te concluderen dat je goed in je literatuur zit . Voor de n-stammen raad ik je aan de disseratie van Guus Kroonen (2009)(iets met consonant-gradation?) te lezen, een mooi voorbeeld waarom je vooral het EWN toch kritisch moet gebruiken. Zeker wanneer het om het Indo-Europees gaat. Idealiter is de kritische lezer zelf in staat de Griekse, Sanskriet, Slavische en Oudierse vormen op hun merites te beoordelen. Aangezien er toch (te) weinig echte Indo-Germanisten bij het EWN betrokken zijn geweest is de Indo-Europese component van de lemmata toch soms gebaseerd op secundaire literatuur en niet op origineel empirisch onderzoek (waarbij je zo lekker de wiskunde van de historische taalwetenschap kan gebruiken). Nou, nu ga ik slapen! 🙂

    groeten,

    Peter Alexander

    • Olivier van Renswoude permalink*
      1 juli 2010 21:18

      Dat is een indrukwekkende hoeveelheid talen, Peter Alexander. Inderdaad geen wonder dat je dan zo nu en dan gaat duizelen. Ik kom bij de meeste Germaanse talen (nieuw en oud) een eind zonder woordenboeken, maar buiten die familie… Latijn en Grieks heb ik nooit afgemaakt; ik heb pas enkele jaren ná mijn eindexamen een liefde voor taal ontwikkeld. Ik ga ze zeker nog eens herbezoeken. Ook hoog op mijn lijst van te leren talen staan Oudiers en Sanskriet en onder de nieuwe talen Wels en Fins. Een brede en diepere kennis van alle zo niet de meeste Indo-Europese takken is een groot goed, in elk geval.

      Ik heb je weblog vanmiddag ook bekeken; belangwekkende dingen heb je daar geschreven. Daarover zou ik binnenkort graag nog met je van gedachten willen wisselen. Ook leuk om te zien dat je in het Oudnederlands schrijft. Ik had me ooit voorgenomen om een verantwoorde woordenlijst Oudnederlands te maken, en dan niet alleen wat is overgeleverd of is gereconstrueerd, zoals ze onlangs bij het INL hebben gedaan, maar ook (reconstructies van) woorden waarvan we met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen zeggen dat ze toen werden gebruikt. Een dergelijke woordenlijst is dan bedoeld voor wie in het Oudnederlands wil schrijven. Ik voel ook wel wat voor een ‘levend’ Oudnederlands.

      Kritisch naar het EWN ben ik zeker, maar de meeste mensen daar zijn ouder en wijzer dan ik, en voor een globale oriëntatie kun je wel op ze vertrouwen. Al heb ik het idee dat ze iets te gauw concluderen dat een woord uit een substraattaal afkomstig is. Grappig trouwens dat je de dissertatie van Guus Kroonen aanhaalt. Hij zit immers bij de ENW-ploeg. Ik zal haar lezen in elk geval.

      Groeten,

      Olivier

  7. Jitske van der Zwaag permalink
    1 september 2010 19:22

    Leuke site.

  8. Abramelin permalink
    28 maart 2011 17:20

    Hello Olivier,

    Iemand waarmee ik over het woord ‘tsjoender’ discussieerde (een Australische vrouw), kwam met een nogal ontluisterende reactie:

    “Is het niet gewoon afgeleid van het Oudfranse woord enchanteor??”

    Zie hier: http://www.etymonline.com/index.php?l=e&p=12

    • Olivier van Renswoude permalink*
      28 maart 2011 19:04

      Beste Abramelin,

      Bij mijn weten bestaat er onder taalkundigen weinig tot geen twijfel over de duiding die ik in het stuk hierboven geef. Zie bijvoorbeeld It Wurdboek fan de Fryske Taal op ynternet, verzorgd door de Fryske Akademy (niet de eerste de beste instelling). De betekenisontwikkeling is aannemelijk. En de klankontwikkeling van Oudfries tiōna ‘schaden’ naar Fries tsjoene ‘toveren’ is zoals we die verwachten. Vergelijk bijvoorbeeld hoe Oudfries tiūch ‘getuige’ zich ontwikkelde tot Fries tsjûch ‘getuige’ en hoe Oudfries bōk ‘boek’ zich ontwikkelde tot Fries boek ‘boek’.

      Het is hoe dan ook op het eerste gezicht al onwaarschijnlijk dat tsjoender van enchanteor komt. Zo ontwikkelt een oe [u.ə] zich niet zomaar uit een a [ɑ]. Daarnaast: we zouden in de Friese overlevering tussenvormen verwachten, waar bijvoorbeeld het voorste deel en- nog bewaard is gebleven, maar die zijn er voor zover ik weet niet.

  9. Abramelin permalink
    27 april 2011 12:59

    Hallo Olivier,

    Bedankt voor je uitleg.

    Ik dacht meer in de lijn van dit:

    tsjoender >> tsjndr
    enchanteor >> ntsjantr

    Maar die -n- in het begin zit mij ook wat dwars. Helaas, het leek mij een interessante mogelijkheid.

  10. Klaas J Eigenhuis permalink
    2 juni 2011 17:54

    1. Abramelin permalink
    28 maart 2011 17:20
    Hello Olivier,
    Iemand waarmee ik over het woord ‘tsjoender’ discussieerde (een Australische vrouw), kwam met een nogal ontluisterende reactie:
    “Is het niet gewoon afgeleid van het Oudfranse woord enchanteor??” Zie hier: http://www.etymonline.com/index.php?l=e&p=12

    Olivier, ik vind dit voorstel wel een interessante kant hebben. Zoals jij zelf je stuk begon, moeten we onthouden dat de Friese anlaut tsj- kan teruggaan op een oudere k- In het Oudfries kwamen ki- en tzi al naast elkaar voor [OFED215]. Ik zou dus juist hier in het geval van tsjoender niet verwachten dat je nu met een voorloper aankomt, die de anlaut t- heeft: ik verwacht de anlaut k-, geheel volgens de verwachtingen die jij zelf opgeroepen hebt. En nu gaat de ch- in Oudfrans óók terug op een oudere k-. Rey-Debove & Rey (1967) 1993 geven bij F enchanter (12e eeuw): gaat terug op Latijn incantare.
    De betekenis is wel vooral: ‘verleiden’. Dat is die van Oudfries tiona niet, OFED geeft op ”to claim” (p.410).

    Houd niet teveel vast aan het Indogermaans: dat is aan het “afbrokkelen” ! Ik stuurde je er een mail over (water).

  11. Klaas J Eigenhuis permalink
    8 juni 2011 09:39

    >> Een van mijn lievelingswoorden in het Fries is tsjoender ‘tovenaar’. Het woord komt mij duister en geheimzinnig voor, heeft een boeiende herkomst, en is in klank en vorm ook kenmerkend Fries. < 407 voegen Oudfries tiona ‘claim’ (helaas hier geen vermelding van eventueel nog meer betekenissen, en ook niet van tiona > Nieuwfries tsjoen) bij tia, dat heel veel betekenissen heeft. O.a. ook die van ‘produceren’, wat er in het Duits nog uitkomt bij zeugen ‘voortbrengen, maken’ en Blumen ziehen (> Blumenzucht). Ik denk dat we déze betekenis in het hoofd moeten houden als we het over ‘toveren’ hebben: er komt iets onverwachts tevoorschijn. Ik voel ‘toveren’ niet als ‘vernietigen, beschadigen’.
    OFED reconstrueert bij tiona : pgm *teuhnianaN, waar ik zo gauw die eerste n niet plaatsen kan. Maar ik zou dan liever pgm *teuhanaN nemen (abusievelijk met þ) en hierin de h laten syncoperen (zoals in slaan).
    On týna ‘vernietigen, doden, vergeten’ vind ik semantisch hoogst ongelukkig, ja, precies het tegengestelde van wat ‘toveren’ is! De n behoort daar tot de wortel, bij tsjoen eindigde de wortel op –h; de n is van het suffix. Hoe de klinker zich precies ontwikkeld heeft staat me ook nog niet duidelijk voor ogen, maar in ieder geval hebben we iets wat dichter bij de pgm “tweeklank” *eu staat dan bij een latere Friese breking (want in het laatste geval was geen wat ze daar noemen affrication opgetreden [Tiersma 1999, Frisian Reference Grammar, p.30])
    Met inlening vanuit het Oudfrans enchanteur is het nix geworden! Sorry voor mijn eerdere enthousiasme!
    Groet van Klaas Eigenhuis = mijn e-mail 3 juni jongstleden .110603 persoonlijk naar Olivier van Renswoude

  12. Klaas J Eigenhuis permalink
    8 juni 2011 09:42

    Na kenmerkend Fries gelieve te lezen
    Dag Olivier.
    Boutkan en Siebinga 2004, OFED 410 en 407 voegen

  13. Klaas J Eigenhuis permalink
    8 juni 2011 10:00

    Dag Abramelin,
    Dank ook voor jouw uitleg! Daaruit blijkt al, dat je de verschillen in klinker niet als grootste probleem zag. Natuurlijk, er moest een plausibel verhaal voor komen, maar misschien hadden we zoiets wel kunnen opstellen; uiteindelijk lauten Latijn cāno ‘geluid voortbrengen’ en Cicōnia “Ooievaar’ óók ā : ō ab. Voor die n had ik een eenvoudige maar doeltreffende oplossing: dat eerste stukje en- zou er gewoon afgevallen kunnen zijn. Aferesis (ook gespeld aphaeresis; EWN noemt de term niet) heet dat, en het is een prettig verschijnsel om ook enige anlautende p- ’s in N woorden als pet, pon en Poon ‘een (wel gevangen) Zeevissoort’ eenvoudig te verklaren. Mijn grootste probleem bleek, dat ik het inlenen nergens wist te plaatsen, niet in de tijd, en op geen enkele plaats. Hierbij moet dan wel verteld, dat ik van Oudfranse en Oudfries literatuur bijzonder weinig afweet, om niet te bekennen: niks.

  14. Klaas J Eigenhuis permalink
    8 juni 2011 10:10

    En dus luidt het te reconstrueren “heemwoord” niet tuinder, en ook niet tiender, maar tuiger, en voor de toverheks: tuigster. Akke-tsjoenster, weet je wie of wat dat is?

Trackbacks

  1. Faam « Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s