Skip to content

Sjwa

24 augustus 2011

Om ongemakkelijke misverstanden direct in de kiem te smoren: sjwa beduidt hier niet de manier waarop leipe matties elkaar na een paar tjonkels in de hood begroeten, noch mijn favoriete couscousgerecht bij de plaatselijke Marokkaan. Het gaat om een klank die we gebruiken als we even niets te zeggen weten (uh) maar ook in tal van eenlettergrepige woorden (te, de, me, je, ze, etc.) en voor-/achtervoegsels (ge-, –en, –je, etc.). Van alle klinkers kost het produceren van een sjwa wel het minste moeite; een normaal gebouwd mens hoeft slecht zijn mond ontspannen te openen, de stembanden wat te laten trillen, en uit te ademen.

Door zijn moeiteloze uitspraak is de sjwa reeds lange tijd bezig met een geruisloze opmars in onze taal. Middels een proces dat taalkundigen wel ‘verdoffing’ noemen, vlakken we steeds meer klinkers af: zo zal niemand meer een ij-klank horen in heerlijk, en ook de o-klank in een woord als konijn dreigt te verdwijnen. Van een woord als vogels weten we niet eens meer dat het ooit met drie volwaardige klinkers uitgesproken en geschreven werd: vogala. Het woord ‘afvlakking’ is overigens niet geheel zonder bedoeling gekozen, aangezien ik een zeker verband vermoed met onze geografische èn culturele neiging om alles terug te brengen tot zeeniveau. Een binnen de taalkunde meer gerespecteerde theorie is dat de verspreiding van de sjwa het gevolg is van een ‘Wet van de Minste Weerstand,’ die in mijn minder wetenschappelijke geest reeds lang te boek staat als: luiheid.

Nu is de opkomst van de sjwa vanuit communicatief oogpunt geenszins een probleem; zij is immers korter en efficiënter dan alle andere klinkers. Er zijn echter ook mensen voor wie taal niet slechts een middel is, die enig gevoel hebben voor haar muzikale klankschoonheid en de klankkleur van cellar door weten te onderscheiden van kelderdeur, of kunnen genieten van de rijke klinkermelodie van een ‘nel  mezzo del cammin di nostra vita’ of ‘ah, distinctly I remember it was in the bleak December, and each separate dying ember wrought its ghost upon the floor’. Helaas is de serieuze studie van de – met een ‘mooi’ woord – fonesthetiek nooit echt van de grond gekomen. Vooralsnog blijft het veelal bij persoonlijke opvattingen, zoals Tolkiens voorliefde voor cellar door en Ernest Dowsons claim dat de ‘v’ de schoonste klank van het Engels is (en Poe’s ‘the viol, the violet and the vine’ de meest welluidende dichtregel).

Zou ik een aanzet geven tot een objectievere studie van welluidendheid, dan zou de sjwa mijn ideale beginpunt zijn, aangezien ik nimmer iemand een lofzang heb horen afsteken over deze klank. Het woord komt van het Hebreeuws voor leegte en het lijkt me geen toeval dat een fijnproever als Tolkien haar doelbewust vermeed in zijn zelf gesmeden elventalen, door een trema te gebruiken waar een ‘e’ eventueel verdoft zou worden; in talen die hij bij uitstek eufonisch vond, zoals het Spaans en het Fins, schittert de sjwa door afwezigheid. Mijn eerste stelregel der welluidendheid zou dan ook luiden: de sjwa is de minst welluidende, de meest grijze, nietszeggende klinker. Verheffen we ons tot een breder historisch gezichtspunt, dan zien we met de toenemende verdoffing door de eeuwen heen langzaam de kleur wegtrekken uit onze taal – als uit een schilderij dat staat te verstoffen op een vergeten zolder.

Nu hoeven we ons uiteraard niet neer te leggen bij deze ontwikkeling. Zo kunnen we ons geërfde kunstwerk op zolder voor even vergeten en, naar Tolkiens voorbeeld, een nieuwe taal schilderen waarin we niet communicatieve efficiëntie, maar uitdrukkingskracht en klankschoonheid tot uitgangspunt nemen. Maar hoezeer we ons gevoel voor welluidendheid ook versterken en verfijnen door een dergelijke oefening, het mooiste is toch als we de taal die we iedere dag gebruiken iets van haar rijke klankkleur terug mogen geven. Alleen als we weer gevoel krijgen voor de muziek van onze woorden, zowel in poëzie als in het dagelijks gebruik, kunnen we verdere sjwa-verdoffing tegengaan. En wellicht zien we dan, van onder de dikke stoflaag die de jaren over onze woorden neersneeuwden, de oorspronkelijke schoonheid en kracht van onze taal weer tevoorschijn komen.

Noot: een bijzonder leesbaar en belangwekkend artikel over welluidende Engelse woorden is hier te vinden. En deze schakel voert naar een meer wetenschappelijke bespreking van verdoffing en aanverwante verschijnselen.
Advertenties
6 reacties leave one →
  1. Klaas J Eigenhuis permalink
    24 augustus 2011 14:08

    Sja …

  2. Dwelm Elpendier permalink
    24 augustus 2011 14:24

    Ik vind “heerlijk” niet schoner klinken dan “heerlek”, evenmin vind ik bv. “zolijk” mooier dan “zulk”. De afslijting van de -a- en -o-klanken vind ik daarentegen wel een spijtige zaak. Zonder de opkomst van de sjwa zouden overigens de naamvallen niet afgesleten zijn, zouden we nog ingewikkeldere werkwoordsvervoegingen gebruiken (werkan = infinitief, wij werkon; zij werkun(t)) en zouden onze verkleinwoorden op -kijn eindigen. Ons onpersoonlijke “men” zou voorts veel krachtiger klinken als “man”, zoals in het Duits.

    Langs de andere kant heeft de sjwa onze taal de kracht gegeven om dingen naar believen al dan niet te benadrukken:
    de of die
    je of jij, je of jou(w), me of mij, ze of zij, we of wij, ge of gij
    m’n of mijn, h’r of haar, z’n of zijn
    her of hier, der of daar

    Misschien een idee om het Oudnederlandse “him” opnieuw in te voeren, als de benadrukte versie van het huidige “hem”

    Is het eigenlijk geweten waarom het Nederlands zoveel meer sjwa’s heeft opgestapeld over de jaren dan andere Germaanse talen? En waarom is de wet van de minste weerstand niet van toepassing op de moeilijke “harde g” in Noord-Nederland? (men zegge maar eens “gegeerd” met een harde -g)

    • 24 augustus 2011 16:04

      Dank voor je reactie, waaruit blijkt dat het niet onproblematisch is een taal geheel op haar welluidendheid te beoordelen. Wat ‘heerlijk’ en ‘zolijk’ betreft ben ik het overigens met je eens; de ij is ook niet mijn favoriete klinker, zeker niet in onbeklemtoonde lettergrepen. Op je vragen moet ik vooralsnog het antwoord schuldig blijven, maar wellicht weet iemand anders hier meer vanaf.

  3. Olivier van Renswoude permalink*
    24 augustus 2011 20:02

    “Maar hoezeer we ons gevoel voor welluidendheid ook versterken en verfijnen door een dergelijke oefening, het mooiste is toch als we de taal die we iedere dag gebruiken iets van haar rijke klankkleur terug mogen geven.”

    Geheel mee eens! Maar ik zit me af te vragen hoe we dit doen zonder als gekken over te komen. We zullen op de een of andere wijze hier en daar volle klinkers onze taal binnen moeten smokkelen, tenzij we enkel verdere verdoffing/afvlakking willen voorkomen.

    Overigens, hier zijn nog twee oude stukken over de stomme e:
    Van kluwens en stomheid
    Die stomme e gevee

    • 24 augustus 2011 20:25

      Ik zal nog eens de groeiende archieven induiken, want die twee stukken had ik gemist (door op sjwa te zoeken). En tegen dat obstakel liep ik in gedachten ook al aan. Bij het voordragen van poëzie is men wel wat gewend, maar in het dagelijks gebruik ben ik inderdaad bang dat de toehoorder onze afkomst of geestelijke gesteldheid in twijfel zal trekken. Een als één en het als hèt gaat nog wel, maar verder…

      Maar eigenlijk denk ik ook niet individuele taalgebruikers werkelijk invloed kunnen hebben op uitspraakontwikkelingen, behalve door het zelf ontwikkelen en kweken (en dan bij een enkeling) van meer aandacht voor taal en klank. Wat dat betreft begrijp ik Tolkiens keuze wel, ook al vind ik het Engels in veel opzichten een welluidender taal dan het Nederlands.

Trackbacks

  1. Aranmánoth « Taaldacht

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s