Skip to content

Aranmánoth

12 oktober 2011

Er zijn woorden wier klank en aanschijn mij terstond doen dromen over een land waar metaal en wielen schaars zijn, en plastic en beton niets minder dan het werk van kwade geesten. Ja, het is alsof welluidendheid en geheimzinnigheid niet van deze wereld zijn.

Aranmánoth is niet de naam van een roemrijke burcht in een mythisch en woest land waar koningen om hebben gestreden. Noch is het een duistere, bloed-verzegelde toverspreuk in een gewijde taal uit een heidens verleden, of hoe een vermaard en krachtig strijdros hiet in een groot half-verloren heldendicht. Nee, het is evenmin de naam van een scheerse whisky uit de Schotse Hooglanden.

Aranmánoth is hoe men in de vroege middeleeuwen van de Lage Landen ook wel de maand augustus noemde. Het betekende in het Oudnederlands letterlijk ‘oogstmaand’. Het verband tussen deze maand en de oogst is een vanzelfsprekende – oogstmaand zelf is ook een andere naam voor augustus. Bovendien is het woord oogst zelf een verbastering van augustus. Het eerste lid, aran ‘oogst’, is inheems en vinden we terug in Middelnederlands arne, arn ‘oogst’, naast het werkwoord arnen, arenen, aernen, aren ‘oogsten, inzamelen’. De beide leden zijn opgenomen in de lijst van vergeten woorden, in de vorm aarn en aarnen.

Aranmánoth is verrukkelijk ondof: vrij van de kwelling die wij sjwa of stomme e noemen – in diens twee onbeklemtoonde lettergrepen vinden wij vólle klinkers. Het bevat de klanken r, n, m en th, die verdacht vaak aanwezig zijn in welluidende woorden, zo leert mij de ervaring. Bovendien zorgt een lichte botsing tussen n en m ervoor dat het woord niet te zoet is, niet té gemakkelijk van de tong rolt. Het woord is mij een genot. En dat terwijl ik eigenlijk helemaal niet houd van maandnamen die maand bevatten.

~

Kennelijk was ik niet de enige die Aranmánoth bijzonder vond, want het is ook de titel van een Spaans boek. Gelijkende woorden zijn marathon, mits door een Engelsman uitgesproken, en Aranrúth, de naam van het zwaard van Thingol, koning van Doriath, in de verhalen van J.R.R. Tolkien – een samenstelling van aran ‘koning’ en rûth ‘toorn’ in de elventaal Sindarijn.
Advertenties
25 reacties leave one →
  1. Klaas J Eigenhuis permalink
    13 oktober 2011 15:43

    asan-s 8, got., st. F. (i): nhd. Sommer, Erntezeit, Ernte; ne. harvest time, summertime, harvest (N.); ÜG.: gr. qerismÒj, qšroj; ÜE.: lat. estas, messis; Q.: Bi (340-380);
    Etymologie germ. *asani-, *asaniz, st. F. (i), Ernte, Sommer; idg. *esen-, *osen-, *esn-, *osn-, Sb., Erntezeit, Sommer, Ernte, Pokorny 343, Lehmann A206;

    343 es-en-, os-en- IE
    summer, harvest time

    Bibel : Akk. Sg. asan Mat 9,38 CA; Luk 10,2 CA; Gen. Sg. asanais Mat 9,38 CA; Luk 10,2 CA; Nom. Sg. asans Mat 9,37 CA; Luk 10,2 CA; Mrk 4,29 CA; Mrk 13,28
    Aranmánoth is verrukkelijk ondof: vrij van de kwelling die wij sjwa of stomme e noemen – in diens twee onbeklemtoonde lettergrepen vinden wij vólle klinkers. (einde citaat Olivier)
    Ja, die volle klinkers zien we in het Gotische woord en in de Protogermaanse reco ook. Maar de “ouwe Indogermanen” (ik denk dan altijd aan lui met een veer op hun hoofd) die zouden toch misschien wel heldere klinkers uitgesproken hebben, maar geen lange en/of korte a(a)- klanken. En waar zou de klemtoon in het Indogermaans gelegen hebben? Ik verwacht op de korte e en op de korte o, maar in dat geval valt de klemtoon pal vóór de s, en dan zou Verner niet mogen opgaan! Immers, Verner (die de r in arne zou moeten geven) gaat alleen op “wenn der indogermanische Akzent nicht unmittelbar vorherging”.

  2. Paul J. Marcus permalink
    13 oktober 2011 19:24

    Ten eerste: Het probleem van het naast elkaar voorkomen van verschillende Verner-varianten is al in 1896 door Streitberg in zijn Urgermanische Grammatik op blz. 130-132 aan de orde gesteld: “Da in der uridg. Deklination innerhalb desselben Paradigmas häufig wechselt, so müssten sich auf germanischem Sprachgebiet je nach der Stellung des Worttons in einem Teil der Kasus stimmlose, in einem andern Teil stimmhafte Spirante zeigen. Ein solcher Wechsel ist nicht mehr überliefert. Doch sind durch Ausgleich mehrfach Doppelparadigmen zustande gekommen, deren eines die stimmlose, das andere die stimmhafte Spirans durch alle Kasus durchgeführt hat.” De oplossing geldt nog steeds als verklaring voor het naast elkaar bestaan van woorden waarvan het ene de stemloze Verner-variant vertoont en de andere de stemhebbende. Zo zien we Engels “hare” naast Ndl. “haas”; Gotisch “auso” naast Ndl. “oor” en, Streitberg geeft als voorbeeld ook het paar Got. “asans” naast Oudhoogduits “aran”.
    Ten tweede: De klemtoon lag al in het PIE niet meer automatisch op de e/o: zie Beekes blz. 166 onderaan: 3. e-phase stressed e (o) ; unstressed 0, o, e. Een stemhebbende Vernervariant kan dus heel goed direct volgen op een PIE e of o.

    Paul J. Marcus

  3. Paul J. Marcus permalink
    13 oktober 2011 19:26

    3. e-phase stressed e (o) ; unstressed 0, o, e. Bij het verzenden van de reactie is de 0 (= nul) in een kleine o omgezet. Lees dus: 3. e-phase stressed e (o) ; unstressed zero, o, e.

  4. Klaas J Eigenhuis permalink
    14 oktober 2011 12:51

    Wat vooral belangwekkend is, is de ouderdom van de heldere, door Olivier zo prettig bevondene a’s !! En dat geldt ook voor de eveneens met name genoemde r-klank in het woord aran. Is die als gevolg van rotacisme na de Wet van Verner ontstaan, of was het woord een oude r/n-stam (*osar/osan), wat Muller 1933 suggereert, i.v. οπωρα ‘tijd na het θερος van de opkomst van Sirius tot het ondergaan der Pleiaden’ ! Klaas Eigenhuis

  5. Paul J. Marcus permalink
    14 oktober 2011 16:53

    Interessante observatie: lees echter Beekes 1995, blz. 134: de -s- is in het Griekse woord klaarblijkelijk verdwenen met compensatierekking van de o (dus *os-r- > oo-r-). De -r van de stam komt in de Germaanse vormen niet voor. Als de r-stam wel in de Germaanse vormen voorkwam, zou ik OHD **arar verwachten. We zien dat de -z- van *az-noo in het Oudnoords tot onn ‘werk, loon’ aanleiding gaf. Het is daarom volstrekt duidelijk dat de -r- van OHD aran via de z uit de s voortkwam. De Germaanse vormen met ar- zijn dus het gevolg van Verner. Omdat de r-vormen alleen in het Grieks te vinden zijn, kunnen ze een Griekse innovatie zijn.
    De a’s zijn Germaans:Oudnoords onn uit Germaans *az-noo uit *as-noo’ uit PIE *H2es-ne’H2.

    Paul J. Marcus

  6. Klaas J Eigenhuis permalink
    14 oktober 2011 18:47

    Prachtig, Oudnoords önn (met o met gespiegelde cedille; deze letter is in het Noordse etym. woordenboek helemaal achteraan te zoeken) ‘oogst; 2. moeite, werk’ [AEW p.687-688] gerelateerd aan ohd aran, arnôt ‘oogst’ – lijkt erg op hrönn/Hrönn ‘golf/dochter van AEgir) gerelateerd aan *Raarne, wat we laatst tot op zekere hoogte bespraken! Oudijslands (Oudnoords) sn of zn naar nn versus Wet van Verner i.c.m. rotatisme, s naar z naar r.
    Het grote verschil is evenwel, dat Paul ons een pie-reco aan de hand doet; bij Hrönn/Raarne waren we niet zo ver gekomen! De s moest daar nog verklaard worden, en de laatste vraag die was blijven hangen was: zat die s dan in het verwant genoemde Gr krênê ?
    Ik neem aan, dat Paul de pie-reco heeft bedacht uit de gegeven idg reco uit Pokorny en andere werken, in een van mijn vorige mails terug te vinden. Daarbij moeten wel buitengermaanse woorden betrokken zijn geweest, en inderdaad vind je die in de verscheidene etymologische woordenboeken, maar nu niet hier. Het woord dat niet te missen is, is Oudslavisch jeseni, het origineelst bewaard in Bulgaars écen ‘herfst’, en zie hieronder citaat uit Vasmer. Gr ôra ‘mooiste tijd van het jaar (let op de superlatief, waarmee we ook nog niet verder zijn gekomen, maar misschien zit ie ook in het woord herfst en dat is aan de orde!) is hier nu niet bij betrokken, evenmin als het toch ook danig intrigerende Latijn aes-tās ‘zomer; zomerlucht, zomerhitte’.
    Laten we ons even concentreren op de verplichte aanvangsconsonant, door Paul bepaald op h2. Komen we daarmee uit op OCS jeseni, Beekes p.142 ?
    Search within this database
    WORD: “осень” | Query method: Match substring
    \usr\local\share\starling\morpho\vasmer\vasmer
    WORD: о́сень
    GENERAL: ж., род. п. о́сени, диал. е́сень, ряз., укр. о́сiнь, род. п. о́сени, др.-русск. осень, сербск.-цслав. ıесень φθινοπωρον, болг. есента́, сербохорв. jе̏се̑н, до̏ jесени, словен. jesȇn, чеш. jeseň, слвц. jeseň, польск.[Pools] jesień; см. Долобко, ZfslPh 3, 131.
    ORIGIN: Родственно др.-прусск. assanis “осень”, гот. аsаns ж. “жатва”, д.-в.-н. аrаn, аrn “урожай” (Траутман, ВSW 71; Арr. Sprd. 304; Мейе, Ét. 432; Педерсен, IF 5, 44; Розвадовский, RS 7, 19; Торп 22). Далее сближают с греч. ὀπώρᾱ “конец лета, жатва” из *ор᾽ + оsаrā “после жатвы”; см. В. Шульце, Qu. ер. 475; Э. Гофман, KZ 59, 132; Гофман, Gr. Wb. 236. Сюда же есене́сь “прошлой осенью”, с.-в.-р., вост.-русск., осеня́сь со стар. вин. ед. от сь (см. сей), др.-русск. осеньсь, болг. есене́с, сербохорв. jесѐнас, словен. jesȇnǝs — то же (Долобко, там же; Соболевский, РФВ 71, 15; Брюкнер, KZ 45, 291).
    TRUBACHEV: [Маловероятно сближение с хетт. zenn- “кончать” у Бенвениста (ВSL 50, 1954, 29 и сл.) и тем более — с венг. ősz “осень” у Махека (Еtуm. slovn. 176), которое совершенно абсурдно, поскольку венг. слово восходит к совсем отличной праформе. — Т.]
    PAGES: 3,158
    ?

  7. Paul J. Marcus permalink
    14 oktober 2011 20:10

    Klaas,

    De reconstructie die ik gebruikte, haal ik uit Kroonen 2011, blz. 48. Nu haal je een voor de onderhavige discussie totaal irrelevant detail uit mijn reactie naar voren en gaat die te lijf met een dikke brij van Russische etymologie. Heel leuk, maar, om jou te citeren, dat was de vraag niet! Jouw vraag was, om even bij de les te blijven, “is de -r- van OHD aran het gevolg van Verner of is het de stamuitgang van een oude r-stam”. Met andere woorden, is de -r- van aran verhuisd van de auslaut naar de inlaut van het woord? Want dat laat je de -r- doen als je zegt dat OHD aran de r uit de stamuitgang heeft. En daaruit maak ik op dat je klaarblijkelijk niet weet waar de stam-uitgang van de door jou aangehaalde reconstructie *osar/osan zit. Dat rechtzetten lijkt me nuttiger dan de hele santekraam van Vasmer uit te spitten. Want dat is de discussie. Jij stelt dat de -r- niet door de Wet van Verner maar door een oude -r- in de stamuitgang zou zijn veroorzaakt. De rest is irrelevant. Welnu: de -r- in aran is NIET de stamuitgang. Dat is de n. Dus is de r afkomstig van de -s-. Hij wisselt dan ook in de verschillende “Doppelparadigmen” met de -s-.

    Paul J. Marcus

  8. Paul J. Marcus permalink
    14 oktober 2011 21:22

    “греч. ὀπώρᾱ “конец лета, жатва” из *ор᾽ + оsаrā” (Vasmer, in Eigenhuis, 14-10-2011) Kijk, dat komt nu dichtbij de door mij veronderstelde ontwikkeling van Grieks “-oor-” uit “-os-r-“, zoals uit Beekes blz.134 volgt. Alleen die a voor de -r- was mij niet bekend. Maar het is hier wel heel duidelijk dat ook volgens Vasmer de -s- hier gesyncopeerd is in het Grieks. Het is die -s- die in het Germaans nog voorkomt en die in een aantal gevallen door de Wet van Verner in een -z- veranderde. De vorm Oudnoords onn kan niet uit -rn- ontstaan zijn, wel uit zn/Rn (Noreen 1903). Dat duidt ondubbelzinnig op Verner en -s-. De -r- in оsаrā is de stamuitgang van het woord. De -r- vinden we op die plaats niet terug in OHD aran of Gotisch asans. Het feit dat de woorden in het Germaans inmiddels andere stammen hebben aangenomen, doet niets af aan het feit dat de oude stamuitgang *-n- nog steeds deel uitmaakt van de paradigmata van de Germaanse vormen. Een -r- is helemaal niet te vinden in de s-varianten van de “Doppelparadigmen”. Dat moet te denken geven, als je wilt volhouden dat de -r- in aran die r-nevenstam zou weerspiegelen. Bovendien, als de -r- van aran de stamuitgang zou zijn, dan zou de s ook de stamuitgang moeten zijn. Dan is er geen sprake meer van een n/r-stam, maar van een r/s-stam. En dan: waar is de rest van de woordstam gebleven als de hele stam as/ar zou zijn? Die rest komt er met een korte a wel erg bekaaid vanaf.

    Paul J. Marcus

  9. Klaas J Eigenhuis permalink
    16 oktober 2011 12:51

    Heel leuk, maar, om jou te citeren, dat was de vraag niet! Jouw vraag was, om even bij de les te blijven, “is de -r- van OHD aran het gevolg van Verner of is het de stamuitgang van een oude r-stam”. (einde citaat Paul)
    Hoi Paul. Beste lezer van Taaldacht,
    Ik had niet de intentie om wat dan ook in jouw reactie “te lijf te gaan”, want, ik treed liever niet in discussie, of debat, of in enige redetwist. En dat had ik dan ook al meteen bij mijn eerste woord laten weten: “Prachtig” ! Jij dacht natuurlijk: “Aan zo’n compliment van Klaas zal wel een luchtje kleven, let op, hij gaat mij proberen “te lijf te gaan”. Dus Paul, zie het citaat uit Vasmer, ook slechts een bijlage overigens, in een ander licht.
    Ik wist natuurlijk niet, dat de “reconstructie die ik gebruikte, haal ik uit Kroonen 2011, blz. 48”, want dat had je er niet bij vermeld. Maar dat laat natuurlijk de vraag onverlet, of die h2es- in Kroonens reconstructie wel juist is. Je hoeft hier wat mij betreft niet verder op in te gaan hoor, dan krijg je weer zo gauw een redetwist. Anderzijds snap je zelf wel wat eventueel de consequenties van een foute pie-reco zijn.
    Dus Paul, goede vrienden als we nu aan het worden zijn, en respect hebbend voor wat wij uit de diverse boeken peuren plus wat we daarmee aan eigen denkwerk ondernemen (de meerwaarde zal ik maar zeggen), ik ga mijn eigen denkrichting nu vervolgen en bied de lezer aan wat ik aan etymologie van ons woord herfst boven water gehaald heb. Ik had er nog September uit de Vier letzte Lieder van Richard Strauß bij willen voegen, maar ik kreeg geen positieve reacties (nog) op mijn muzikale illustraties, dus ik ben bang dat ook dat niet gewaardeerd wordt.

    Herfstkraa Herfstkrauw Volksnamen voor de Bonte Kraai  in Schinnen, Oirsbeek en Welten resp. in Ulestraten (L) [WLD], een regio van ons land waar de soort de laatste decennia zeldzaam is geworden [ANV 1987 p.490-91].
    Etymologie herfst < mnl herfst, hervest, heerfst, herest, herft, erft, herust, heruft, herfste 'herfst'; herfstmaent 'September' [MH]; fries hjerst; by 't hjerst, hjerstmis 'in de herfst' [Visser] < ofri herfst [vDE; n.o. in OFED]; os hervist; D Herbst < mhd herbst, herbest "herbst, ernte, weinernte; september, oktober"; herbestmânôt, herbestmânet "herbstmonat" [Lexer] < ohd herbist; E harvest "(season for) reaping and gathering-in of grain or other products; corn-crop; season's yield of any natural product" < me hervest < oe haerfest [COD; WNCD]; zweeds höst, deens høst, noors, ijslands haust < on haust < "germ *harbusta- (b-gestreept)", zou verwant zijn met on harfr 'eg' en harpa 'harp; grote korenzeef; soort Mossel' [AEW]; pgm *harbista, *harbusta 'oogsttijd, tijd waarin met plukt' en zo semantische verbinding naar Lat carpere 'plukken' en Gr karpós 'veldvrucht, boomvrucht' [EWN]. Muller hanteerde nog de idg wortel karp- 'afsnijden', maar die vorm, met idg *a, voldoet niet meer, en zou op zijn minst vervangen moeten worden door *pie *kh2erp- of, om pgm *harb[i/u]sta "binnenboord te houden", *pie kh2erbh-. Deze vormen hebben echter "een ongewone structuur" en "het is daarom niet uitgesloten … dat dit een substraatwoord is" [EWN-2 2005 i.v. haag, 3e alinea]. De verwantschap tussen alle genoemde woorden kan dan goed (blijvend) aangenomen worden; zij berust dan op verwantschap in de voor-pie taalfase. Ook de i : u ablaut in het suffix kan zo beter verklaard worden. Het suffix is wel een superlatief-suffix genoemd, waarvoor zie Hengst  in WND. De auslaut-variatie (on harpa) kan ook bij substraat passen; mogelijk komt dan ook het ww. rapen (adstraat) in beeld, een typische bezigheid om aan oogst te komen. De ingweoonse r-metathese zou in dit geval een onverwachte kant opgegaan zijn. Klaas J Eigenhuis

    • Paul J. Marcus permalink
      23 oktober 2011 09:23

      Uit het feit dat de heer Eigenhuis zijn idee niet wil verdedigen, maak ik op dat hij het met mij eens is, dat de -r- in OHD aran niets te maken kan hebben met zijn eerdere opvatting dat deze afkomstig zou zijn van de uitgang van een oude r/n-stam. Hij is het dus met mij eens dat die -r- voortkomt uit de Wet van Verner. De relevantie in dezen van het herfst-hengstverhaal ontgaat mij.

      Paul J. Marcus

  10. Klaas J Eigenhuis permalink
    23 oktober 2011 10:00

    Wat vooral belangwekkend is, is de ouderdom van de heldere, door Olivier zo prettig bevondene a’s !! En dat geldt ook voor de eveneens met name genoemde r-klank in het woord aran. Is die als gevolg van rotacisme na de Wet van Verner ontstaan, of was het woord een oude r/n-stam (*osar/osan), wat Muller 1933 suggereert, (citaat van mijzelf, enige volle manen geleden)
    Ik verwees naar Muller voorál, omdat Muller kennelijk de Wet van Verner niet “rond kon krijgen” (en daarom naar een alternatief greep); bij dat “niet rond krijgen” kan er maar één ding moeilijk liggen: de plaats van de klemtoon in de pie-reco (toen nog idg reco).
    Voor mij was die Wet van Verner hier eigenlijk “welkom”, want als ik zie dat er ergens de Wet van Verner van toepassing is, dan denk ik al meteen: dan zal het woord in kwestie wel adstraat wezen. Dáárbij passen ook die heldere (speciaal aangehaalde) a’s : bij de substraattaal.
    Klaas J Eigenhuis

    • Paul J. Marcus permalink
      23 oktober 2011 16:20

      Citaat Eigenhuis 23 oktober 2011, 10:00: “Voor mij was die Wet van Verner hier eigenlijk “welkom”, want als ik zie dat er ergens de Wet van Verner van toepassing is, dan denk ik al meteen: dan zal het woord in kwestie wel adstraat wezen.”

      Antwoord: Dat is volstrekt onjuist. De Wet van Verner is een interne, Germaanse klankwet. Adstraat is bijvoorbeeld een woord als ‘schoonbroer’, of het gebruik van ‘van’ door Vlamingen in plaats van ‘om’. Daarbij fungeert het Frans als adstraat voor het Vlaams. Als men denkt bij Verner “dat zal wel adstraat wezen”, begrijpt men niks van historische taalkunde.

      Citaat Eigenhuis 14 oktober 2011, 12:51: “… was het woord een oude r/n-stam (*osar/osan), wat Muller 1933 suggereert, i.v. οπωρα ‘tijd na het θερος van de opkomst van Sirius tot het ondergaan der Pleiaden’”

      Citaat Eigenhuis 23 oktober 2011, 10:00: “Ik verwees naar Muller voorál, omdat Muller kennelijk de Wet van Verner niet “rond kon krijgen” (en daarom naar een alternatief greep); bij dat “niet rond krijgen” kan er maar één ding moeilijk liggen: de plaats van de klemtoon in de pie-reco (toen nog idg reco).”

      Antwoord: Als ik het goed begrijp, geeft Muller een oude r/n-stam als reconstructie voor het Griekse woord οπωρα, dat we kunnen ontleden als οπ-ωρα, waarbij ωρα het deel is, dat overeenkomt met OHD aran. We kunnen aan het OHD voorbeeld zien dat de a- voor de -r- kort is. De omega in het Griekse woord komt niet rechtstreeks voort uit de door Muller veronderstelde Indogermaanse o-. De omega is het gevolg van syncope van de -s-, zie Beekes blz. 134. Muller zal voor het Griekse woord helemaal niet gezocht hebben naar een manier om “de Wet van Verner “rond” te “krijgen”. De Wet van Verner is nl. een interne, Germaanse klankwet. De rho van οπωρα is de door Muller gesignaleerde stamuitgang van die oude r/n-stam. Die rho heeft niets te maken met de r/s in aran/asan.

      Verder gaat de heer Eigenhuis voorbij aan de oppositie Gotisch asans : OHD aran, die duidelijk maakt dat in de Gotische vorm de klemtoon direct voor de s moet hebben gelegen en in de Oudhoogduitse vorm niet. Dit wordt toegeschreven aan van oorsprong paradigmatische klemtoonwisselingen, waarbij in het Gotisch de ene en in het OHD de andere vorm gegeneraliseerd is. Ook hieruit volgt dat de opmerkingen over het niet rond kunnen krijgen van Verner door Muller volkomen de plank misslaan. De klemtoon lag immers niet vast in het PIE paradigma.

  11. Klaas J Eigenhuis permalink
    23 oktober 2011 12:59

    Uit M Schönfeld, Historische Grammatica van het Nederlands:
    In ’t got. bestaan er twee (athematische werkwoorden): im en wiljau, in ’t wgm. bovendien doen, gaan, staan. ’t Zijn dus alle veelgebruikte w.w., bij welke immers de anomale vormen minder gemakkelijk door analogie-werking verdrongen worden. De persoonsuitgangen zijn dezelfde als bij de thematische w.w., behalve in ’t praes. indic. sg. 1: idg. -mi = lt. -m (sum); ogm. -m: got. im (< oergerm. *ezmi < idg. *es-mi); mnl. ic bem (in de eerste plaats wvla.) en, met dialectisch verschil, ben; naast bim, bin (§ 78); nndl. ik ben. In jongere tijd en nog dialectisch vindt men ook: ic doen, gaen, staen, en zelfs ic sien e.a.; hier heeft men, althans voor een groot deel van het taalgebied, veeleer aan invloed van geïnverteerde vormen te denken (doe-n-ic, sie-n-ic). (einde citaat)

    Als S. stelt, dat oergerm *ezmi (met z) uit idg *es-mi voorvloeide, dan is kennelijk de Wet van Verner hier van toepassing (daar wijst die z op). Elders schrijft S. (§ 78) dat de e in ic bem ‘ik ben’ en de i in D du bist ‘jij bent’ een kwestie is van klemtoon. Die klemtoon, denk ik dan, kon verschillend vallen, en daarbij zou dan ook de Wet van Verner kunnen passen (in er ist ‘hij is’ viel de klemtoon dan (kennelijk) op de eerste lettergreep, en daar waar een z en/of r optreedt, valt de klemtoon elders). Wat volgens mij het nagaan waard is (er zijn er vast onder jullie die het weten) is
    a waar nu de b- van bem en bist vandaan komt
    b waarom de z in oergermaans *ezmi niet in een r overgegaan is. Klaas J Eigenhuis 111023

  12. Paul J. Marcus permalink
    23 oktober 2011 19:23

    Op vraag b. Waarom is de z van een hypothetisch PGM *ezmi niet in een r overgegaan. Als er inderdaad een -z- is geweest, zoals Streitberg 1896 waarschijnlijk achtte, dan is die al in het Proto-Germaans geassimileerd met de m. Die -z- is in dat geval echter niet toe te schrijven aan de Wet van Verner, want de klemtoon viel op de eerste lettergreep, blijkens de klemtoon van Skr. asmi.

    Vraag a.: zie EWN4 onder ‘zijn’. Ook volgens Streitberg 1896 is er sprake van contaminatie met een ander werkwoord met een eendere betekenis, geattesteerd in de Oudengelse vorm beo ‘ik ben’, naast eom ‘ik ben’ en de gecontamineerde vorm beom ‘ik ben’.

  13. Klaas J Eigenhuis permalink
    24 oktober 2011 09:48

    Dank Paul. Maar de sprong van oe beo en ic bem (met een m nota bene) naar pie *bhueh2 : bhuoh2 : bhuh2 vind ik wel erg groot. Moeten we niet eerst eens een protogermaanse reco maken?! En hoe kom ik vanuit de ablauts in de gegeven pie-vormen op de e in ben en de i in bin??Boutkan en Siebinga 2005 melden i.v. Oudfries buwa ‘to build, to found’ de reco bhh2u-, waartoe ze ook Oudfries bam ‘tree, stick, cudgel’ rekenen (p.32 en 66). Ook vanuit díe reco kom ik niet op bem en/of bin, maar de auteurs van OFED zijn daar zelf ook helemaal niet op uit!! Net alsof zij de connectie met ‘bouwen’ niet zien zitten! Nog een vraag voor de goede orde: moet bem etc als een athematisch werkwoord opgevat worden? Klaas J Eigenhuis

  14. Klaas J Eigenhuis permalink
    25 oktober 2011 14:40

    De verwijzingen in EWN moet je altijd trouw opvolgen, dan word je steeds wijzer. Voor de onder zijn [EWN-4 p.667] sub b) genoemde pie-reco moet je, helemaal onderaan het artikel, je licht maar eens gaan opsteken bij het lemma > BOUWEN. Goed, doen wij! EWN-1 p.365 geeft met grote stelligheid, dat bij bouwen past : de pie-reco bheuH ‘groeien, worden, zijn, wonen’. Maar hoe zat het nou ook weer met de ety van boom, boon en boos? Bij boos [EWN-1 p.355 staat de reco pgm *bausu-, *bausia- ‘zwellen’ – ‘Zwellen’ is een vorm van ‘groeien’ nietwaar, dus zal hierbij ook dan wel de pie-reco passen? Maar de PIE-reco staat NIET genoemd, dat is wel gek …Dan eens i.v. boon gekeken, EWN-1 p.354 … Nou volgens één hypothese past bij dit voedsel de pie reco *b(h)eu- ‘zwellen’ . Aha, daar is ie dus weer! En ja, sematisch klopt het prachtig, de boon ‘groeit’ door te ‘zwellen’; zodoende hoeft dus zelfs niet aan de very-existentie van het ding getwijfeld te worden; en de boon zal bij zichzelf denken: “Ik ben, dus ik besta”. Kat in ’t bakkie! Maar nu is er opeens een formeel probleempje, hier, bij die boon, opeens!! “Het bestaan van pie. *bheu- wordt tegenwoordig echter door indo-europeïsten in twijfel getrokken.” – Nou, het is me wat moois! Klaas J Eigenhuis 111025

  15. Paul J. Marcus permalink
    25 oktober 2011 15:29

    Kortlandt brengt boon en boom speculatief in verband met een reco PIE *bheH2u-, waarbij de laryngaal H met de -u- de labiovleaar -ghw- op moet leveren die zich tot een tweede -bh- ontwikkelde: *bhabh- ‘boon’ en *bhabh- ‘boom’: deze reco moet ‘groeien’ betekenen. Deze ontwikkeling moet in een tak van het PIE hebben voorgedaan die zich vroeg afsplitste en een westelijke Indo-Europese substraattaal vormde. (Kortlandt, Labials, Velars, and Labiovelars in Germanic). De PIE reco bij bouwen is *bheuH- en niet *bheu-.
    Als je de nultrap neemt van *bheuH- dan krijg je *bhuH- dat weer sterk overeenkomt zoniet identiek is met de wortels die EWN4 noemt voor ‘ben’ bij ‘zijn’. Het onder ‘bouwen’ in EWN1 genoemde Sanskrit woord bhavati heeft als onverbogen vorm (wortel) bhu (met lange u; uit PIE bhuH-), de 2de conjugatie waartoe dit woord hoort, maakt de verbogen vormen door guna en toevoeging van de themavocaal -a: bhuu wordt bhava-, het Indo-Iraans wijkt af van de andere IE talen door daar ook nog eens de persoonsuitgang van de athematische werkwoorden achter te plakken, zodat je bhav-a-ti krijgt. De consonantische u (=v) is verkort. Dit lijkt me ook de enige manier om OE beo uit een wortel bhueH2- te verkrijgen: de nultrap + guna in de andere sleuf.
    De vormen bim etc. zijn athematisch, de vorm beo is thematisch (dit in antwoord op de vraag van Eigenhuis van 24 oktober 2011).
    We zitten dus met een aantal verschillende maar samenhangende PIE reconstructies die ‘groeien, worden, wonen, bouwen, zijn’ betekenen. Ja, de IE linguistiek is een levende wetenschap. Het laatste woord is daarin voorlopig nog niet gezegd.

    Paul J. Marcus

  16. Klaas J Eigenhuis permalink
    25 oktober 2011 15:57

    De vormen bim etc. zijn athematisch, de vorm beo is thematisch (dit in antwoord op de vraag van Eigenhuis van 24 oktober 2011). Dank Paul! Bim = thematisch, maar kennelijk niet bij pie *bhueh2 (die EWN noemt sub b)); immers EWN-4 p.667 (als ze gelijk hebben) grijpt voor het stukje –im (in bim en in gotisch im) naar “deze wortel” (linker kolom, 12e regel van onderen). Uit het zinsverband blijkt, dat met “deze wortel” de onder a) genoemde *h1es- bedoeld is. Klaas J Eigenhuis

  17. Klaas J Eigenhuis permalink
    25 oktober 2011 16:06

    Bim = a-thematisch (correctie)
    Tiesema 1965 noemde die athematischen Verben ook wel: de mi-Verben: Das Kennzeichen der athematische Verben ist die Endung -mi im Indogermanischen für die 1. Person Einzahl Präsens Indikativ.
    Maar het is een zeldzaam fenomeen in de Germaanse dialecten: Diese alte Endung hat sich schriftsprachlich NUR erhalten in der Form ich bin aus ahd bim (en kennelijk dus ook in het oudengelse equivalent).

  18. Klaas J Eigenhuis permalink
    25 oktober 2011 16:26

    Kortlandt brengt boon en boom speculatief in verband met een reco PIE *bheH2u-, waarbij de laryngaal H met de -u- de labiovleaar -ghw- op moet leveren die zich tot een tweede -bh- ontwikkelde: *bhabh- ‘boon’ en *bhabh- ‘boom’: deze reco moet ‘groeien’ betekenen. Deze ontwikkeling moet in een tak van het PIE hebben voorgedaan die zich vroeg afsplitste en een westelijke Indo-Europese substraattaal vormde. (Kortlandt, Labials, Velars, and Labiovelars in Germanic). (einde citaat) Dus ook Kortland gaat uit van een “vroege” ontwikkeling, zij het dat hij het zelf (?) “speculatief” noemt.

  19. Klaas J Eigenhuis permalink
    25 oktober 2011 17:05

    Als je de nultrap neemt van *bheuH- dan krijg je *bhuH- dat weer sterk overeenkomt zoniet identiek [ik kies voor: sterk overeenkomt KJE] is met de wortels die EWN4 noemt voor ‘ben’ bij ‘zijn’. (einde citaat). “Voor ‘ben’..” kun je dus ook zó invullen: “als je de nultrap … *bhuH [neemt] … voor [athematisch] ‘bem’ …”
    Maar nu het volgende probleem: het athematische, “mi-Verbum”, mhd stân = N staan zou zijn primair lange aa te danken hebben aan de rekkingstrap pie *ê, die in de “static inflection” optreedt. Naast deze rekkingstrap staat ablautend de “full grade” (de voltrap); voor een nultrap is in deze vervoeging (declinatie, inflection) geen plaats. Is *bhuH dan een mi-Verb, dat, gezien de veronderstelde nultrap, de static inflection NIET volgt ? Klaas J Eigenhuis

    • Paul J. Marcus permalink
      25 oktober 2011 19:57

      Nee, *bhuH- is thematisch! -im is athematisch: *asmi. In het Sanskrit is er geen ablaut in het paradigma van bhu: alle verbogen vormen krijgen guna. Bovendien blijft de klemtoon op de wortel liggen.

      Paul J. Marcus

      • Paul J. Marcus permalink
        25 oktober 2011 21:45

        Een kleine correctie: de afwezigheid van ablaut en vaste klemtoon op de wortel in de thematische werkwoorden slaat op de ablaut in de beklemtoonde presensstammen van bhu = bhav-. In het perfectum is er wel ablaut: wortel bhu : bhavati : ba-bhu-v-a. Daarin verschillen de thematische werkwoorden van de athematische: de athematische hebben wel ablaut en klemtoonverschuiving in de presensstammen. Dat bedoelt Beekes ook met zijn opmerkingen: hij bespreekt deze twee verbuigingen in de paragrafen, getiteld The Present. We moeten dus oppassen dat we deze opmerking,”The thematic inflection had no ablaut” (Beekes blz. 235), niet toepassen op andere werkwoordstijden.

        Paul J. Marcus

  20. Klaas J Eigenhuis permalink
    25 oktober 2011 17:51

    Voor mij was die Wet van Verner hier eigenlijk “welkom”, want als ik zie dat er ergens de Wet van Verner van toepassing is, dan denk ik al meteen: dan zal het woord in kwestie wel adstraat wezen. Dáárbij passen ook die heldere (speciaal aangehaalde) a’s : bij de substraattaal.(einde citaat)
    Het “voorbeeld” van Grieks οπωρα was weinig geslaagd, zoals ik het geheel met Paul eens ben. Een ander voorbeeld daarom: het sterke werkwoord hangen! Mijn slotconclusie is en andere dan die welke men in EWN en in OFED trok: het werkwoord in kwestie is non-pie en pré-pie. Hangen heeft die heerlijk heldere a (stel je voor, dat dat ooit een doffe pie *o was, ik moet niet aan de dofgorgelklokkende sounds van de gehangene denken 😉 en anders heeft haak (dat wél verwant is, contra andere meningen) wel iets puur Germaans. Maar waar kwam ik Verner tegen, zoal ? Bij zwelgen, vangen, mhd brëhen, bij tijgen, vliegen, vriezen, spiën/spugen, kortom, bij heel wat bezigheden uit de Oudtijd. Klaas Eigenhuis 111025

  21. Paul J. Marcus permalink
    25 oktober 2011 22:01

    “Wet van Verner… dan denk ik al meteen: dan zal het woord in kwestie wel adstraat wezen.” (Eigenhuis, 25 oktober 2011). Dit is, met alle respect, echt kletskoek. Hier wordt een totaal onbegrip geëtaleerd voor de Wet van Verner en de wijze waarop deze ontdekt en bewezen is. Het is typerend voor het tautologische denken van de heer Eigenhuis. De door E. aangevoerde woorden zijn, voor zover ik ze in de gauwigheid heb bekeken, vrijwel allemaal van een goede PIE etymologie voorzien. De Wet van Verner is overigens niet Pre-PIE maar Post-PIE! Het is een van de processen waarmee het Germaans zich uit het PIE heeft ontwikkeld. Een woord als spuwen is bijvoorbeeld PIE! De door E. aangevoerde vorm spugen is van Vroeg-Nieuwnederlandse oorsprong. Er is geen enkele reden om te veronderstellen dat deze w/g-wisseling teruggaat op een antieke taalfase of op een substraat. Zelfs Verner heeft met die -g- niks te maken.

    Paul J. Marcus

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s