Skip to content

Zonne

1 november 2017

Ontzagwekkend als de verschijning mag zijn, de zon lijkt pas vrij laat als een goddelijke geest te zijn beschouwd in de menselijke geschiedenis, en dan vooral in Eurazië en Egypte. Vaak ging het om een bescheiden rol, maar in menig geval werd hiermee de oorspronkelijke oppergod, Vader Hemel, naar de achtergrond verdrongen. Bekende voorbeelden zijn Ra, die door sommige farao’s als hoogste god werd beschouwd, en Amaterasu, de Japanse zonnegodin die tot op de dag van vandaag als stammoeder van de keizerlijke familie wordt vereerd. Hoewel de zon ook bij Indo-Europese volkeren dikwijls als bezield werd gezien, moeten de oorspronkelijke Indo-Europeanen er anders naar hebben gekeken. Voor hun was de zon, hoewel van godsdienstig belang, eerder een ding dan een oergeest.

De oude Germanen hadden twee gangbare woorden voor de zon, *sōel- en *sunnōn-, mogelijk ontstaan uit de verbuiging van één en hetzelfde woord (waarover straks meer). Van het eerste komen de Oost- en Noordgermaanse vormen, zoals Gotisch sauil en Oudnoords sól. Van het tweede komen de Westgermaanse vormen, zoals Oudhoogduits sunna en uiteraard ons eigen zon, maar ook Oudnoords sunna.

In de Germaanse mythologie, voor zover die is overgeleverd, komt de zon nauwelijks voor. De noordelijke overlevering vertelt dat Sól en Máni de kinderen van ene Mundilfari zijn en dat ze door wolven worden opgejaagd in de hemel. We horen ook dat de zon uiteindelijk door de monsterlijke wolf Fenrir zal worden aangevallen, maar dat ze vlak daarvoor een dochter baart die haar opvolgt.

De zuidelijke overlevering is vanwege de vroegere kerstening nog kariger, met slechts een glimp, al lijkt de zon daar wel meer in de hoedanigheid van een heuse godin te verschijnen. Het gaat om een enkel tiende eeuws Oudhoogduits gedicht, de zogenaamde tweede Merseburger Toverspreuk, waarin kort verteld wordt hoe een veulen, mogelijk dat van de god Wuodan, zijn voet verwondt en hoe deze vervolgens ter genezing wordt bezongen door zowel Wuodan als Sunna en haar zusters Sinhtgunt, Frija en Volla.

Een onbezield ding
Oudgermaans *sōel- is de rechtstreekse voortzetting van het oorspronkelijke, Proto-Indo-Europese woord voor de zon, dat iets als *seh2uel- moet hebben geluid, met *h2 als een g-achtige klank die in de meeste dochtertalen al was verdwenen. Zoals in een van de oudste dochtertalen, het ooit in Anatolië gesproken Hettitisch, maakte men in het Proto-Indo-Europees waarschijnlijk niet taalkundig onderscheid in geslacht, maar tussen bezield en onbezield, dus tussen levende wezens en dingen. Tot die laatste klasse behoorde ook *seh2uel- ‘zon’.

Toen de taalkundige geslachten waren ontwikkeld in de meeste dochtertalen leefden woorden voor onbezielde dingen in beginsel voort als onzijdige woorden, zoals in het geval van Oudindisch súvar, svàr (genitief sūras) ‘zon, zonneschijn’. Daar was in de vorm van Sūrya evenwel een mannelijke naam van afgeleid voor de personificatie van de zon. Hēlios, zoals de Grieken zowel de zon als de zonnegod noemden, is eveneens een mannelijke afleiding van het oorspronkelijke woord. In de Slavische talen, zoals bij Russisch sólnce, is het woord ook uitgebreid met een achtervoegsel, maar is de oude, onbezielde voorstelling bewaard gebleven in het onzijdige geslacht. Andere voortzettingen van *seh2uel- zijn doorgaans mannelijk of vrouwelijk van geslacht geworden, zoals Latijn sōl, Litouws sáulė en Oudiers súil.

Het wiel achter rossen
Gezien vorm en baan is het weinig verrassend dat de zon geregeld een wiel werd genoemd in de verschillende Indo-Europese overleveringen. Zo hadden beroemde Griekse dichters als Aiskhúlos en Euripídēs het menigmaal over hēlíou kúklos ‘wiel der zon’, zingen de liederen van de Oudindische Ṛg-vedá van het cakrám ‘wiel’ van de zon dan wel de zonnegod en bevat de Oudijslandse letterkunde beschrijvingen als sunno hvél ‘zonnewiel’ en fagrahvél ‘mooi wiel’. In het Oudiers, waar het oorspronkelijke woord voor de zon was vervangen door grían (genitief gréine), werd soms gesproken van roth gréine ‘rad der zon’.

Omdat de zon slechts één dag nodig heeft voor het doorkruisen van de hemel was het duidelijk voor de Indo-Europeanen dat dit met hoge snelheid gebeurde en ontstond de dichterlijke omschrijving van het hemellichaam dat door paarden werd voortgetrokken. In de Oudindische Ṛg-vedá is het een enkel paard dat Etasá ‘Vlug’ heet en in de Oudijslandse Edda zijn het twee paarden genaamd Árvakr ‘Vroeg-Wakker’ en Alsviðr ‘Al-Snel’. Omgekeerd was bij de oude Perzen ‘snelle rossen bezittend’ een bijnaam voor de zon.

Het waren dan ook de Indo-Europeanen of hun rechtstreekse voorouders die rond 4000 voor Christus waarschijnlijk de temmers van het paard waren, op het westereinde van de Steppe. Een kleine tweeduizend jaar later, toen ze zich dankzij hun paarden in bijna alle richtingen hadden kunnen verspreiden, vond een oostwaartse groep het gespaakte wiel uit en vervolgens de strijdwagen. Deze baanbrekende vernieuwing ging als een golf door de Indo-Europese wereld en daarbuiten en leidde ook tot de voorstelling van de zon in (of als) een strijdwagen. Afbeeldingen van dergelijke zonnewagens zijn onder meer in Zweedse rotstekeningen gevonden en ruim een eeuw geleden werd een 3400 jaar oud bronzen beeld ervan in Denemarken uit het veen getrokken (zie afbeelding). Zoals Willem Bilderdijk omtrent 1790 dichtte in Natuurloop:

De zonnekar voleind zijn baan
In ‘t westelijke meir,
Maar spoedt, langs ongeziene paân,
Naar ‘t oostlijk eind van d’oceaan,
Zijne eerste standplaats, weêr.
‘t Houdt al een eindloos ommezwinden,
En zoekt zijn’ aanvang weêr te vinden.

Het oog
Onder Indo-Europese volkeren bestond nog een andere, vanzelfsprekende voorstelling: de zon als het alziende, hemelse oog. Zo is de zonnegod volgens de oude Indiërs urucákṣas- ‘wijdziend’, víśvacakṣas- ‘alziend’, nṛcákṣas ‘mannenziend’ en híraṇyākṣa- ‘goud-ogig’. Als het oog van de god van het recht (meestal Mitra-Varuṇa, maar oorspronkelijk de oppergod Dyáus Pitā) ziet de zon wat recht is onder ‘stervelingen en krommen’. Bij Griekse dichters heette de zon of zonnegod onder meer pan(t)óptēs ‘alziend’, khrusōpós ‘goud-ogig’ en theōn skopòs ēdè kaì andrōn ‘waarnemer van goden en mensen’, en heeft de zon beschrijvingen als ‘ooglid van de gulden dag’, ‘dit heilige oog van de lamp’ en ‘het onvermoeibare oog van de lucht’. Ook bij de Germanen ware deze gedachte gangbaar. Over de zevende eeuwse Franken werd gezegd dat zij, hoewel reeds gekerstend, nog bij de zon hun eden zwoeren, net zoals bijvoorbeeld Griekse helden van weleer.

Het omgekeerde kwam ook voor. In de Oudijslandse dichtkunst zijn ogen eens omschreven als ennis sólir ‘zonnen des voorhoofds’ en in het Oudiers was het oorspronkelijke woord voor de zon zelfs het gewone woord voor het oog geworden: súil. Het nieuwe woord voor de zon werd daar grían (genitief gréine), dat overigens verwant is aan Middelnederlands griekinge ‘dageraad’ en met afwijkende beginklank ook Nederlands krieken (van de dag).

Van het Oudiers stamt ook de Schots-Gaelische taal, en daarin is in de negentiende eeuw een bijzondere lofzang voor de zon opgeschreven uit de monden van twee stokoude mannen op verschillende eilanden van de Buiten-Hebriden. Hierbij moet wel gezegd worden dat het werk waaruit we het kennen omstreden is: het gaat om de verzameling van de folklorist Alexander Carmichael, die ervan verdacht werd zichzelf aardig wat letterkundige vrijheid te hebben verleend. Niettemin, een zang als deze komt buitengewoon Indo-Europees over en kan ertoe geleid hebben dat het oorspronkelijke woord voor de zon uiteindelijk ‘oog’ ging betekenen bij de oude Ieren en Schotten.

Sùil Dhé mhóir,
Sùil Dhé na glòir,
Sùil Rìgh nan slògh,
Sùil Rìgh nam beò,
Dòrtadh oirnne
gach òil agus ial,
Dòrtadh oirnne
gu fòill agus gu fial.
Glòir dhuit fhéin,
a ghréin an àigh.
Glòir dhuit fhéin, a ghréin,
a ghnùis Dhé nan dùl.
Oog van de grote God
Oog van de God van glorie
Oog van de Koning der menigten
Oog van de Koning der levenden
Gietend over ons
te allen tijde,
Gietend over ons
zacht en gul.
Glorie aan u,
gij zalige zon.
Glorie aan u, gij zon,
gelaat van de God des levens.

Vader Hemel
Om het belang van deze zang verder te begrijpen moeten we kijken naar de oorspronkelijke oppergod van de Indo-Europeanen. Zijn naam luidde *Diēus ‘Hemel, God’, vaak in de vaste verbinding *Diēus ph2tēr ‘Vader Hemel, Vader God’. Rechtstreekse voortzettingen hiervan zijn onder meer Oudindisch Dyáus Pitā, Grieks Zeús patēr en Latijn Jūpiter, wiens genitief Jovis de toevoeging ‘vader’ ontbeert. Een vroege afleiding dan wel oude nevenvorm van *Diēus was *déiuos ‘god, hemels wezen’. In de dochtertalen ontwikkelde dit zich enerzijds tot een woord voor een god in het algemeen, zoals Latijn deus en Oudgermaans *tīwaz, en werd of bleef het anderzijds alsnog de naam van Vader Hemel, zoals Litouws Diẽvas en Oudgermaans *Tīwaz.

Welnu, van *déiuos komt ook Oudiers día, dat oorspronkelijk een algemeen woord voor ‘god’ was, maar mogelijk tevens de naam was van Vader Hemel in het bijzonder, en in ieder geval na de kerstening zijn bijbelse betekenis kreeg. In de hier genoemde zang vinden we het in de verbogen en verzachte vorm Dhé. Het lijkt er dan sterk op dat de verbinding súil Dhé ‘oog van God’ een overblijfsel is van de voorchristelijke, Keltische en dus Indo-Europese wereldbeschouwing, waarin de zon het oog in de hemel ware, oftewel het oog van Vader Hemel. Ter vergelijking, volgens de laat-Romeinse geleerde Macrobius stond de zon in de oudheid bekend als Jovis oculus ‘oog van Jūpiter’, oftewel ‘oog van (Vader) Hemel’.

Te meer, het kenmerk ‘groot’ dat in deze Schots-Gaelische zang van God is gezegd kan van Indo-Europese oorsprong zijn. Geheel evenredig wordt immers in de Oudindische Ṛg-vedá van Dyáus Pitā gezegd dat hij máh ‘groot’ is en heet Zeús bij de vroege Griekse dichters ook wel mégas ‘groot’. Dit was niet een toenaam die zomaar en gemakkelijk aan goden werd gegeven. Zo was mégas bij de oude Grieken verder enkel voorbehouden aan Ouranós, de nieuwe personificatie van de hemel (of anders de inheemse, pre-Indo-Europese hemelgod van het land).

De vernoeming van de zon
De meeste voorbeelden die hierboven zijn gegeven komen uit het onmisbare overzichtswerk Indo-European Poetry and Myth van de in 2015 overleden Britse geleerde Martin West. Samenvattend opperde hij dat *seh2uel-, het Indo-Europese woord voor de zon, eigenlijk ‘lamp’ betekende, en dat de zon dus werd gezien als de lamp van *Diēus ph2tēr ‘Vader Hemel’. Hoewel dit op zich mogelijk is, aangezien de zon in menige oude overlevering een lamp heet, is het geen dwingende duiding.

West wees echter ook op de mogelijke vereenzelviging van *seh2uel- met het woord si(h)wal in het Luwisch, een van de oudste dochtertalen van het Proto-Indo-Europees. De betekenis hiervan is onduidelijk, maar uit het zinsverband blijkt in elk geval dat het op een soort metalen voorwerp sloeg. Bovendien, zo is het opgevat, lijkt het iets met schijnen te maken te hebben. Een lamp dus misschien. De wortelkundige H.C. Melchert heeft deze lezing van si(h)wal echter verworpen en gesteld dat het naar een soort mes moet hebben verwezen, waarmee het onwaarschijnlijk wordt dat het om hetzelfde woord als *seh2uel- gaat.

Lamp of niet, het blijft het uiteraard te verwachten dat *seh2uel- is afgeleid van een wortel die ‘branden’ of ‘schijnen’ betekent. Het lastige is alleen dat geen van de bekende wortels met een dergelijke betekenis een vorm heeft die bij het woord past. Bovendien is het de vraag of het woord te ontleden is als *seh2-uel- bij een wortel *seh2 of als *seh2u-el bij een wortel *seh2u-. In dat laatste geval is er echter een antwoord mogelijk, zo zal hier nu betoogd worden.

Wat het licht doet
Kijken we namelijk naar het Hettitisch, zoals gezegd een van de oudste dochtertalen van het Proto-Indo-Europees, dan komen we twee belangwekkende, onderling verwante woorden tegen: ishuwai ‘verstrooien, gieten, werpen’ en suhhai ‘verstrooien’. Het tweede heeft kennelijke evenknieën in Grieks húei ‘het regent’ en Tochaars B suwaṃ ‘het regent’ en mogelijk een Nederlandse (zie noot 1).

Volgens de Nederlandse wortelkundige Alwin Kloekhorst, een gezag op het gebied van het Hettitisch, wijzen de twee woorden onderscheidenlijk op de wortels *sh2u- en *suh2. Het zijn onbeklemtoonde vormen van een wortel waarvan de beklemtoonde vorm onbekend is. Het grote, gezaghebbende Lexikon der Indogermanischen Verben oppert *sh2eu- dan wel *seuh2, doch om niet al te dwingende redenen. We kunnen dan ook evengoed uitgaan van *sueh2 of *seh2u-. De laatste vorm is te verkiezen, omdat het dan ten grondslag kan liggen aan zowel Hettitisch sēhur/sēhun ‘urine’, een woord dat anders een behoorlijke duiding moet ontberen, als ons *seh2uel- ‘zon’.

Een wortel met een kennelijke betekenis als ‘gieten’, ‘werpen’ en ‘verstrooien’ lijkt op het eerste gezicht bedoeld voor water, maar in menige taal wordt (zon)licht vaak met dezelfde termen beschreven. Bedenk hoe we in het Nederlands spreken van een zonovergoten land, van het werpen van licht op iets en het verstrooien van lichtstralen door wolken en over andere oppervlakten. Het Engels heeft vergelijkbare uitdrukkingen als to cast light ‘licht werpen’ en scattered light ‘verstrooid licht’. En in de hierboven behandelde Schots-Gaelische zang heet de zon dòrtadh te zijn, letterlijk ‘gietend, regenend’. Bedenk ten slotte hoe een woord als stralen voor zowel licht als water wordt gebruikt. Sterker nog, het regent zonnestralen volgens het bekende liedje.

Zonne
Dan rest nog de vraag hoe het zit met Oudgermaans *sunnōn en vandaar ons eigen zon. We weten dat het oorspronkelijke, Proto-Indo-Europese woord *seh2uel- werd verbogen met een *n. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld de genitief een vorm als *sh2unós had. Doorgaans zijn sprekers geneigd om zo’n ongelijke verbuiging gelijk te trekken. In de meeste dochtertalen gebeurde dat ten gunste van de nominatief met zijn *l, zoals in Latijn sōl en Oudgermaans *sōel-, maar de gedachte is dat er in de ontwikkeling naar het Oudgermaans ook een tweede vorm ontstond, op grond van de verbogen vormen met hun *n. Dat wil zeggen, onder sommige sprekers veranderde de oorspronkelijke genitief van *sh2unós naar *sh2unnós onder invloed van menig ander woord dat een genitief met lange *nn had. Op grond hiervan werd (na het klankwettige verlies van de *h2) ten slotte een nieuwe nominatief gemaakt: Oudgermaans *sunnōn.

Hoewel deze beschrijving van de ontwikkeling van *sunnōn wordt onderschreven door menig wortelkundige, waaronder Guus Kroonen in zijn betrekkelijk nieuwe Etymological Dictionary of Proto-Germanic, is zeker niet iedereen in het vak het ermee eens. Er zitten wat haken en ogen aan en we kunnen ons bij voorbaat afvragen of er niet sprake is van inmenging van een geheel ander woord met een geheel eigen herkomst, ooit ontstaan in het stafrijm van Germaanse dichters. Vergelijk hoe in de Oudindische Ṛg-vedá de zonnegod behalve Sūrya ook Savitṛ heet (soms beschouwd als de namen van twee verschillende zonnegoden). Die tweede naam betekent ‘Aandrijver’ en komt van een geheel andere wortel, te weten *sueh1 ‘aandrijven, in beweging brengen of houden’.

Laat nu net die wortel eens heel belangwekkend zijn voor onze verdere vorsing. Als werkwoord werd diens tegenwoordige tijd oorspronkelijk aangegeven met een ingevoegde neusklank, te weten *sunh1, zoals in Avestisch hunāitī ‘hij/zij/het draagt over’ (met h- klankwettig uit *s-). Het is mogelijk dat van dit *sunh1 vervolgens met het achtervoegsel *-uo- een woord als *sunh1uo- ‘aandrijvend’ werd afgeleid. Dit zou zich vervolgens klankwettig ontwikkelen tot Oudgermaans *sunna-, met als vrouwelijke, sterk verbogen vorm *Sunnōn- ‘de Aandrijvende’ als naam voor de zonnegodin, dus evenredig aan Savitṛ ‘Aandrijver’ als (bij)naam voor de zonnegod in de Oudindische overlevering.

Dit wordt aannemelijker gemaakt door het bestaan van een mannelijke Germaanse voornaam die is overgeleverd als Oudfrankisch Sunno, Oudhoogduits Sunno en Oudengels Sunna. Deze moest vooralsnog een behoorlijke duiding ontberen, maar is bij dezen eveneens te begrijpen als ‘de Aandrijvende’. (Er zijn andere Germaanse namen met net zo’n betekenis, zoals Oudnederlands Ako, Oudengels Aca.) De aannemelijkheid is verder vergroot doordat de wortel *sueh1 zowel met als zonder neusklank anderszins al rijkelijk voorkomt in het Germaans (zie noot 2).

Besluit
Samenvattend kunnen we zeggen dat de oorspronkelijke Indo-Europeanen op de Steppe de zon zagen als iets dat geen levend wezen op zich was. Zij zagen het *seh2uel-, of in goed Nederlands het zoel, als het stralende oog van Vader Hemel, hij die voortdurend de kosmische orde beschikt en de Aarde bevrucht met zijn regen. Maar zij hadden ook de voorstelling van de zon als een wiel, en naarmate paarden belangrijker werden in hun leven en vooral toen de strijdwagen zijn intrede deed, werd de zon voorgesteld alsof voortgetrokken door snelle paarden. Mogelijk ontstond in deze latere tijd, onder de rechtstreekse voorouders van de Germanen, bovendien het beeld van een godin die de paarden ment en zo de zon aandrijft.

Noot 1
De wortel *seh2u- ‘gieten, werpen, verstrooien’ die voor *seh2uel- ‘zon’ wordt vermoed kan ook nog schuilen in enkele zeldzame werkwoorden in de Lage Landen, die samen mogelijk één en hetzelfde woord zijn. De eerste twee komen beide slechts eenmaal voor, met een niet geheel duidelijke betekenis, en kunnen dus verschrijvingen zijn.

Het gaat ten eerste om soyen in de 14e eeuwse Brabantse zin doen quam daer een haghel fel met groter druust soyende sere (‘toen kwam daar een felle hagel met grote vaart, hard soyende’), ten tweede om soijen in de 16e eeuwse Zeeuwse zin desen eijer corf moet ick nae u ooren soijen (‘deze eierkorf moet ik naar uw oren soijen’) en ten derde om zuien, dat in de 19e eeuw met zekerheid is opgeschreven in de betekenis ‘wateren’ bij Hasselt te Belgisch-Limburg.

Onzeker is ten slotte het toebehoren van Ravensteins zeujen ‘uitzaaien’, dat in elk geval wel een ander woord is dan zaejen ‘zaaien’ en te begrijpen is als ‘verstrooien’. Verder is het overwegen waard dat zoei, zouw, een Zuid-Nederlands woord voor ‘goot, afwatering’ en ‘gier’, bij deze wortel hoort.

Noot 2
De wortel *sueh1 ‘aandrijven, in beweging brengen of houden’ schuilt onder meer in Oudgermaans *swējan- (Nederlands zwaaien, Engels to sway ‘heen en weer bewegen’), *sujan- (verouderd/gewestelijk Nederlands zuien ‘ophitsen, van honden’, naast ‘schommelen, wiegen, in slaap sussen’), *swaina- (o.a. Oudnoords sveinn ‘herdersjongen’, Middelnederlands sween ‘id.’) en *sūslō-, *sūsilō- (Oudnoords sýsl ‘bedrijvigheid, werk, arbeid’, Oudengels súsl ‘ontbering’).

Van de vorm met ingevoegde neusklank komen waarschijnlijk Oudgermaans *sunda- (Oudnoords sond ‘vaart, nauwe doorgang’, vgl. Nederlands dreef, drift ‘waterstroming’ bij drijven), *sunda-, *swinþa- (o.a. Nederlands gezond, gezwind, eig. dus ‘gedreven, krachtig enz.’), en de groep van Oudfrankisch sunista ‘troep paarden, koeien e.d.’, Oudengels sunor ‘zwijnentroep’ en Oudhoogduits swanur ‘id.’

Verlengd met een tandklank is er bovendien nog Oudgermaans *swinþan- of *swindan- (verouderd Nederlands zwinden ‘zich drijvend op de luchtstroom voortbewegen’, Gronings swinnen, swienen ‘zwerven’, met verlies van d zoals in binnen, bienen ‘binden’). Bedenk ook hoe Bilderdijk in het hierboven aangehaalde gedicht spreekt van het ommezwinden van de zonnekar. Verdere verwanten zijn onder meer verouderd Nederlands zwindelen ‘zweven, duizelen, heen en weer gaan enz.’, Gronings swindeln ‘heen en weer lopen’ en swantjen, swaantjen ‘zwerven’, gewestelijk Engels to swaunder, swander ‘duizelig zijn’, Antwerps zwenteren, zwenselen ‘slenteren, doelloos gaan, traag wandelen’ en zwanselen ‘doen zwalpen, sterk heen en weer bewegen’ en ten slotte nog Middelnederlands versundelen ‘duizelig zijn’ en Oudnoords sundla ‘duizelig zijn’.

Beelden
Zonsondergang door David van der Mark. Enige rechten voorbehouden. Zonnewagen door Nationalmuseet. Enige rechten voorbehouden.

Verwijzingen

Carmichael, A., Carmina Gadelica: Hymns and Incantations, Volume III (Edinburgh, 1940)

Eliade, M., Patterns in Comparative Religion (New York, 1958)

INL, Middelnederlandsch Woordenboek (webuitgave)

INL, Woordenboek der Nederlandsche Taal (webuitgave)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Mayrhofer, M., Etymologisches Wörterbuch des Altindoarischen, I-III (Heidelberg 1992-2001)

Melchert, H.C, Cuneiform Luvian Lexicon (1993)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Simek, R., Lexikon der germanischen Mythologie, 3. Auflage (Stuttgart, 2006)

West, M.L., Indo-European Poetry and Myth (Oxford, 2007)

Wodtko, D. e.a., Nomina im Indogermanischen Lexikon (Heidelberg, 2008)

Advertenties
8 reacties leave one →
  1. Liuwe H. Westra permalink
    1 november 2017 16:38

    Dank, heer Olivier, voor deze mooie bespiegelingen. Kun je ook nog iets met het Friese ‘soeie’ (‘slingeren’ / ‘zachtjes waaien’) en ‘saaie’ (‘neerstrijken’, ‘neergooien’)?

    • Olivier van Renswoude permalink*
      3 november 2017 12:55

      Eens even zien…

      Fries soeie hoort wel bij de wortel die in ik noot 2 noem, en dan ofwel als evenknie van zuien ‘wiegen e.d’ (< *sujan- < *suh1-eh1), ofwel als een verwante vorm met klinkerwisseling (< *swōjan- < *suoh1-eie-) o.i.d.

      Fries saaie vind ik lastiger te beoordelen. Het heeft een verscheidenheid aan betekenissen en er lijken twee woorden in te zijn samengevallen. In de meeste gevallen gaat het om de evenknie van Gronings soaien (zie saai).

      In de betekenis ‘neerstrijken, neergooien’ kan het langs een tussenbetekenis ‘strooien’ teruggaan op Oudgermaans *sēan- (vanwaar ook Nederlands zaaien). Maar denkbaar is evengoed een ontwikkeling als Fries saaie < Oudfries *sāia < Oudgermaans *sajjan- < Proto-Indo-Europees *soh2u-éie-, als intensief bij de bovengenoemde wortel *seh2u- ‘gieten, werpen, strooien’. Of anders Fries saaie < Oudfries *sāia < Oudgermaans *saujan- < Proto-Indo-Europees *souh2-éie- bij dezelfde wortel, maar met een nieuwe o-trap op grond van de nultrap die we in het Hettitisch vinden.

      • Liuwe H. Westra permalink
        3 november 2017 13:28

        Dank, Olivier, opnieuw voor de verheldering! Wel is het zo dat het Friese ‘saaie’ geen echte betekenisoverlap heeft met het Nederlandse zaaien. Wel een pragmatische, natuurlijk, maar de twee werkwoorden ‘siedzje’ (‘zaaien’) en ‘saaie’ (‘neersmijten’) worden doorgaans goed uit elkaar gehouden.

      • Olivier van Renswoude permalink*
        3 november 2017 14:44

        Geen dank! En nee precies. Had mijn eerste antwoord al even aangepast, omdat ik het onduidelijk verwoord had.

  2. Luc Vanbrabant permalink
    2 november 2017 14:37

    Dank voor het leesplezier.
    West-Vlaanderen heeft het nog altijd over de (vrouwelijke) ‘zunne’. Latijn (of Frans) maakt dat we haar ook bestempelen als Laura of Lorke. Als er zonnestralen door de wolken piepen tot op de grond, spreken we van ‘zunnebjin’ (zonnebenen).
    Kan ‘zwin’ hier ook aan zijn verwant? Ik denk aan het Zwin bij Knokke. Een beek of waterloop kreeg in West-Vlaanderen dikwijls de naam Swin, Swen, Swene, Swein, Swencken, Sweincken en Zwincken.
    Zwinkelen betekent bij ons weg en weer bewegen, evenals ‘swatelen’: swatelt ne keer de dweil in ’t water.
    Swanselen betekent doen zwalpen. Als je bij ons een volle kop koffie draagt, moet je proberen niet te ‘swanselen’ of je gaat de koffie ‘sturten’ (morsen).

    • Olivier van Renswoude permalink*
      3 november 2017 12:56

      Westvlaams zunne bevat net als Gronings, Drents zunne en Fries sinne een aanwijzing. De afwijkende klinker lijkt namelijk te komen door i-umlaut (invloed van een *i in de volgende lettergreep). Aannemelijk zo niet waarschijnlijk is dan dat dit gebeurd is in een oude genitief *sunniniz, maar dat is dan wel een mannelijke of onzijdige verbuiging. En inderdaad, het Oudsaksisch en het Oudhoogduits hadden ook de mannelijke vorm sunno, al was deze veel zeldzamer dan de vrouwelijke sunna. In beide gevallen is mijn duiding van ‘de Aandrijvende’ mogelijk.

      Maar onzijdig kan ook en dat zou bijdragen aan de gangbare duiding dat *sunn- is ontsproten aan de verbuiging van *seh2uel-, het oorspronkelijke woord voor de zon.

      Wat zwin ‘geul, beek, waterloop’ betreft, ik heb het nog overwogen en het is mogelijk, maar verband met het oude woord zwijnen ‘verdwijnen’ lijkt mij evengoed mogelijk.

  3. Walter permalink
    3 november 2017 20:58

    In het Fransvlaams bestaat er een woord ‘zole,zeule’ en dat zou wielploeg betekenen. In het Mdnl vinden we ‘sole’ voor zware wielploeg.Is afgeleid van latijn ‘sulcare’ voegen trekken.Van een indogermaanse wortel die ‘trekken’ betekent.Ik zie hier een verband tussen zon en wiel, alsook dat de zon wordt voortgetrokken.

    • Luc Vanbrabant permalink
      6 november 2017 13:45

      In West-Vlaanderen bestaan ‘zole’ en ‘zeule’ ook; de twee talen zijn trouwens toch dezelfde. De woorden zijn verwant aan het Engelse ‘sule’. Zolen betekent met een zole het land ploegen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s