De een zoals de ander

Door scheiding komt verscheidenheid: een wordt een en ander en vandaar de vele zaken en wezens die er zijn—met verschillen en gelijkenissen. Zulk is de tauw, de ondoorgrondelijke schikking des bestaans. Door scheiding zijn ook tegenhangers, tweelingen en andere evenbeelden mogelijk, een waarheid die vervat zij in enkele oude, onderling verwante woorden en namen, waaronder Latijn geminus, Oudnoords Ymir en Fries Jimme.

Wezens in tweevoud
Wij beginnen in het zogenaamde Proto-Indo-Europees, dat ruim vijfduizend jaar geleden verspreid werd—waarschijnlijk vanuit het Europese einde van de Grote Steppe—als voorloper van de meeste talen die thans van IJsland tot India gesproken worden.

In die voorouderlijke spraak moet het woord voor ‘tweeling’ e.d. een vorm als *(H)iemh1 gehad hebben (met *H voor nader vast te stellen keelklank, zie noot). Hiertoe te herleiden zijn namelijk Oudindisch yamáḥ ‘tweeling, een van een stel’ en met achtervoegsel Oudiers emon ‘tweeling’ en Latijn geminus ‘tweeling’, bijvoeglijk ‘tweeling-; tweevoudig, tweestaltig’.

Dat het Oudierse woord een *i- ontbeert is geen bezwaar, want in die taal viel die klank (vóór klinkers) aan het begin van woorden stelselmatig af. Dat het Latijnse woord met een g- begint is daarentegen wel onverwacht maar kan gekomen zijn onder invloed van een onverwant woord met vergelijkbare betekenis, zoals germānus ‘dezelfde ouders hebbend; broederlijk, zusterlijk’ of genus ‘geboorte’.

Naast *(H)iemh1 bestond, met inslikking van de *e door verlegging van klemtoon, ook de afleiding *(H)imh1-ió-s. Daarvan komt Lets jùmis ‘stel, tweevoudige vrucht, tweevoudige aar’ en (langs Oudgermaans *jumijaz) waarschijnlijk ook Oudnoords Ymir, de naam van het oerwezen van wiens opgedeelde lichaam de goden de wereld scheppen volgens de oude heidense overlevering.

Steun voor die laatste verbinding is dat tweeduizend jaar geleden elders in de Germaanse wereld een oerwezen met de naam Tuisto werd bezongen volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus. Die wordt immers algemeen begrepen als een verlatijnsing van *Twistō met een betekenis als ‘tweevoudige’.

Verdere gelijkenis
Het is geleerden reeds vroeg opgevallen dat er een andere groep woorden bestaat die in vorm en betekenis zeer op de bovengenoemde lijkt. Dan hebben we het over *h2eimh1 en nevenvorm *h2imh1 (zie noot) als voorlopers van Latijn aemulus ‘strevend gelijk te zijn, wedijverend’, imāgō ‘beeld, evenbeeld’ en imitārī ‘nabootsen, evenaren’, alsmede Hettitisch ḫimmaš ‘nabootsing’. (Het Hettitisch is een taal die ooit werd gesproken in wat nu Turkije is.)

Horen ze bij elkaar dan is de ene dus nader vast te stellen als *h2iemh1-, *h2imh1, terwijl de andere *h2eimh1-, *h2imh1 blijft. Bij een van beide zit de *e dus “op de verkeerde plek.” Dat zien we echter wel vaker bij onderling verwante woorden in het Indo-Europees. Zo’n afwijking kon gebeuren doordat op grond van de onbeklemtoonde vorm, in dit geval *h2imh1, een nieuwe volle beklemtoonde vorm werd gemaakt. De vraag is dan welke de oorspronkelijke was, *h2iemh1 of *h2eimh1.

Diepere betekenis
Met die eerste valt weinig te beginnen, geen verband met andere woorden te leggen. Die tweede is echter zeer goed te duiden als afleiding van—of samenstelling met—de reeds bekende wortel *h2ei- ‘delen, (toe)bedelen’. Die is als werkwoord voortgezet door Tochaars B ai- ‘geven; nemen’ en Grieks aínumai ‘nemen’, dat wil zeggen ‘(zichzelf) toebedelen’. Enkele bekende afleidingen zijn Oskisch aeti- ‘deel’ en Grieks diaitáō ‘onderscheiden, scheidsrechter zijn’. Overigens maakt dat laatste woord het aannemelijk dat de diepere betekenis van de wortel ‘scheiden’ was.

Dan mogen we stellen dat hierbij ook het woord *h2eimh1hoorde met de eigenlijke betekenis ‘deel’, die maar een kleine stap nodig had om te verschuiven naar ‘gelijk deel, deel van een stel, tegenhanger’, en uiteindelijk in de dochtertalen verscheen in de zin van ‘tweeling’ en ‘evenbeeld, gelijke(nis)’.

Als dat klopt is *-mh1 uiteraard gauw te begrijpen als achtervoegsel (of stapeling van twee achtervoegsels *-m- en *-h1). Het is echter ook mogelijk—aantrekkelijker zelfs—dat we hier te maken hebben met de onbeklemtoonde vorm van een wortel op zich: *meh1. Die is anderszins overgeleverd in de betekenissen ‘meten’ en ‘toebedelen’. Vergelijk daarvoor hoe Engels to mete, de evenknie van Nederlands meten, thans vooral wordt gebruikt in de zin van ‘toebedelen’. Dat ligt niet ver van ‘delen’ of ‘scheiden’.

In het Fries is de dalende tweeklank /i.ə/, gespeld als ie, vaak versprongen naar een stijgende tweeklank /jɪ/, gespeld als ie of ji. Zo is van stien ‘steen’ het meervoud stiennen, spreek uit /stjɪnən/.

Andere Germaanse verwanten
Klankwettig zou *h2eimh1 zich in het Oudgermaans hebben ontwikkeld tot *aim- en dat is heel belangwekkend. In die taal bestond namelijk de anders onverklaarde naam *Aimō als kennelijke voorloper van Oudhoogduits Aimo, Gronings Aime en Fries Ieme en Jimme (zie kader).

Een verlengde verwant *Aimeljaz moet bovendien voorafgegaan zijn aan Oudengels Ǽmele, Gronings Aimel en Fries Jimmel en Jimmele. Een volledige evenknie daarvan ware de Latijnse (geslachts)naam Aemilius. De betekenis zal in deze gevallen wel zoiets als ‘evenbeeld’ geweest zijn, van vader of moeder welteverstaan.

Vanuit de oudere betekenis ‘(gelijk) deel’ en door verkleining tot ‘deeltje’ kunnen we ten slotte nog denken aan een woord met een zeer beperkte verspreiding: Gronings aimelke ‘klein stukje’ en Oostfries îmel(ke), îmer(ke) en êmer(ke) ‘klein beetje’.

Besluit
Te scheppen is te scheiden, van eenheid naar tweeheid tot veelheid in schitterende verscheidenheid. Maar de delen die door scheiding komen kunnen ook op elkaar lijken, hetzij afgemeten, hetzij door de werking van het wild volgens de tauw, de ondoorgrondelijke schikking des bestaans. Van gelijke delen naar tweelingen en andere evenbeelden is het geen grote stap. En zo is een reeks woorden en namen, waaronder Latijn geminus, eindelijk te begrijpen.

Noot
Dat de keelklank op het eind een *h1 was is vast te stellen door de i van Latijn geminus. De lange m van Hettitisch ḫimmaš is daarmee te verzoenen (vgl. de klankontwikkeling van mimm- ‘afwijzen’ uit *mi-mh1). Ondertussen wijst de ā van Latijn imāgō niet noodzakelijkerwijs op een *h2, in weerwil van Michiel de Vaan. Er was in het Latijn immers een achtervoegsel *-āgō in gebruik.
Verwijzingen

Beekes, R., Etymological Dictionary of Greek (Leiden, 2010)

Doornkaat Koolman, J. ten., Wörterbuch der ostfriesischen Sprache. I-III (Norden, 1879-1884)

Förstemann, E., Altdeutsches namenbuch (Bonn, 1900)

Kroonen, G., Etymological Dictionary of Proto-Germanic (Leiden, 2013)

Laan, K. ter, Nieuw Groninger woordenboek, tweede druk (Groningen, 1989)

Matasović, R., Etymological Dictionary of Proto-Celtic (Leiden, 2009)

Mills, A.D., A Dictionary of British Place-Names (Oxford, 2003)

Rix, H. e.a., Lexikon der indogermanischen Verben, 2. Auflage (Wiesbaden, 2001)

Searle, W.G., Onomasticon Anglo-Saxonicum (Cambridge, 1897)

Vaan, M. de, Etymological Dictionary of Latin and the other Italic Languages (Leiden, 2008)

Winkler, J., Friesche Naamlijst (Leeuwarden, 1898)

Wodtko, D. e.a., Nomina im Indogermanischen Lexikon (Heidelberg, 2008)

Een gedachte over “De een zoals de ander

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.