Het kenmerk van kranen

Rank en zwierig beweegt de kraanvogel zich door Middenaarde, al wadend door waterig land en welbevlogen ter lucht, met onmiskenbare klanken en een dans als zulk een schouwspel dat men er vroeger voorbeeld aan nam. Grote wijsheid is hem toegedicht, en sluwheid evenzeer. Maar zijn eigenlijke naam kraan is hij jammerlijk kwijtgeraakt aan de levenloze dingen die naar hem vernoemd zijn. Hij moet het nu al jaren met de overbodige samenstelling kraanvogel doen.

Lees verder “Het kenmerk van kranen”

Die bliksemse ekster

Het dierenrijk telt de nodige donderstenen, en eksters met hun bevallige verenkleed behoren daar stellig toe. Ze zijn nieuwsgierig op het drieste af, vormen jeugdbendes, pesten katten, kletsen zonder einde, doen soms stemmen na en worden al eeuwen gezien als dieven van alles glimmend en kostbaar. Hoewel dat laatste waarschijnlijk onterecht is stelen ze wel voedsel, ook van boeren en ook eieren uit de nesten van andere vogels. Een middeleeuws gezegde was dan ook de ekster een ei nemen (dan wel de ekster haar ei ontstelen), wat neerkomt op ‘de dief bestelen’. Tegenwoordig luidt het eenvoudiger stelen als een ekster. En het is die eigenschap die wellicht ook in hun naam besloten ligt.

Lees verder “Die bliksemse ekster”

Roet, maskers en geesten

Maskers, ze worden sinds mensenheugenis om verschillende redenen gedragen: van de struikrovers die tijdens hun bezigheden niet herkend wilden worden tot de edele krijgers die met een uitdrukkingsloos kunstgelaat hun gezicht beschermden en hun vijanden op het slagveld de stuipen op het lijf joegen. Maskers hebben algauw een vrij demonisch opzicht –zo betekent Latijn larva zowel ‘masker’ als ‘spook’– en men kan er zo de doden mee vertolken, of boze geesten. Hiervoor was een oude en eenvoudige wijze van maskering het zwart smeren van het gezicht met roet. Het is dan ook geen toeval dat de woorden mascara en masker zoveel op elkaar lijken.

Lees verder “Roet, maskers en geesten”

De stapels die reuzen wrochten

Gestaag was de regen, steil de wandeling, in dit koele woudland vol beken en vallen en ranke sparren. Er klonk een spel van ruisend water en kwelende vogels die zich bezigden in de vroege lente. En toch leek het stil, zij het door vrede of voorbode. Na een uur of wat kwamen we uit bij een opener oord, mijn makker en ik. Een mist hing daar dik over de mossige rotsenbodem en het pad leidde verder opwaarts langs struiken en berken en ander jong loof. Al na enige stappen vonden we hetgeen we voor gekomen waren. De eerste stapel van geweldige stenen doemde op door de sluier. Hadden we een zonderling gezang gehoord, zacht en helder als uit een ander rijk, het had ons niet verbaasd. Maar het bleef stil en ik vroeg me af wat het volk hier in vroegere eeuwen over deze stapels dacht en had gehoord. En waarom men besloten had hen Käste te noemen.

Lees verder “De stapels die reuzen wrochten”

Gelijk een boom

Al hun kracht en pracht ten spijt, er is iets droefs aan het stille, gedragen bestaan van bomen. Ze hebben alles maar te harden, van rot en dorheid tot storm en strengheid, en zijn ten slotte weerloos als de bijlen komen bijten en de zagen komen rijten. De meesten met een kroon van bladeren zijn gedoemd die ieder jaar te verliezen, zij het waardig in weelde van kleuren. Hoe roerig het ook achter hun basten mag zijn, waar hun sappen vloeien, ze lijken maar lijdzaam te leven. Bomen treuren, is met enig recht te zeggen, en een treurend mens is als een boom gestemd.

Lees verder “Gelijk een boom”

Takken

Al is het een van de grovere grepen uit onze grote woordenschat, takkewijf spreekt toch wel tot de verbeelding. Ik stel mij zo voor: een kraakstemmig, krom bosvrouwtje dat heel de dag hout sprokkelt en al porrende met takken nieuwsgierige kinderen van haar gammele, mosbedekte huisje verjaagt en dan zuchtend en steunend de stenen paadjes weer hemelt met haar heksenbezem.

Wijf is al een weinig gunstige benaming, hoewel het ooit het gewone woord voor ‘vrouw’ was, maar het toevoegen van takke- maakt het des te vinniger. Het is ook te vinden in bijvoorbeeld takkemens en takkeweer en aldus zo goed als een voorvoegsel, vergelijkbaar met pokke- en grover spul. Van Dale stelt dat het een verbastering is van Frans attaque ‘aanval, beroerte’, maar dat valt te betwijfelen.

Lees verder “Takken”

Laat u niet goken

Weinig dieren zijn zo doortrapt als de koekoek. De vrouwtjes, vaak met hulp van de mannetjes, leggen ongezien hun eieren in de nesten van andere (soorten) vogels. Hun jongen komen eerder uit het ei dan die van de ‘pleegouders’ en ze groeien ook nog eens sneller. Vervolgens eisen ze de meeste aandacht om zich goed vol te laten stoppen. De meeste koekoeksjongen volgen bovendien de aangeboren neiging om de echte eieren of jongen uit het nest te werken. Het is allemaal zeer listig en gemeen en het is dan ook geen toeval dat de oudere naam van de koekoek, gook, verwant is aan woorden voor verberging en bedrog.

Lees verder “Laat u niet goken”

O dennenboom

Wie een kerstboom in huis haalt kiest meestal voor een fijnspar. Deze kaarsrechte naaldboom wordt al meer dan een eeuw gekweekt in de Lage Landen, maar is van nature beperkt tot de koudere en hogere delen van het Avondland, waaronder Noorwegen, Zweden, Rusland en de Alpen. Het is enkel in de ruimste zin van het woord een den of dennenboom: wel lid van de famílie der dennen, niet van het kleinere geslácht der dennen, dat we vooral kennen van de inheemse, vaak kromme grove den.

Nu wil het dat de naam fijnspar vrij jong is en als samenstelling bovendien wat kleurloos. En dat terwijl onze oosterburen het duizenden jaren oude Fichte gebruiken. Gelukkig bestaat er vanouds een Nederlandse evenknie die wij zo weer op kunnen pikken: vucht. Dit woord duikt in de zestiende eeuw voor het eerst op in Nederlandse geschriften.

Lees verder “O dennenboom”

Òl nak

Also available in English.

Schapen worden al een tijdje gehouden in de Lage Landen. Het oudste ras van West-Europa, het ranke Drents heideschaap, kwam hier al zesduizend jaar geleden voor, genoegzaam grazend en blatend. Het is echter opmerkelijk dat ons woord voor dit wollebeest niet zo heel oud lijkt te zijn: schaap moet tamelijk laat zijn gevormd bij schaven dan wel scheppen. Het oorspronkelijke woord is ooi, maar dat verwijst sinds vele eeuwen enkel naar het wijfje. Ondertussen is er in het uiterste noorden van ons vasteland, het Hogeland van Groningen, nog een eigenaardig woord voor het schaap te vinden: nak. En dat zou wel eens heel oud kunnen zijn.

Lees verder “Òl nak”

Eeuwen leven de uwen

Het zijn misschien wel de meest bijzondere bomen van het Avondland, met een belangrijke rol in het wereldbeeld van onze Germaanse voorouders. Ze kunnen duizend jaar oud worden, waarschijnlijk nog veel ouder, hebben het vermogen zich op geweldige wijze te hernieuwen, zijn zeer giftig en bieden het beste hout voor handbogen. Om die laatste reden werden ze in de Late Middeleeuwen op zo’n grote schaal gekapt dat ze nu nog steeds een zeldzame verschijning in het wild zijn. Zozeer verdwenen ze in de Lage Landen uit beeld en bewustzijn, dat ook hun inheemse naam verloren ging en wij hen nu vooral kennen onder de afstandelijke, Latijnse naam taxus, terwijl ze verlaagd zijn tot heggestruik. Het is de hoogste tijd om deze boom in ere te herstellen en de naam te gebruiken die onze voorouders ervoor hadden. Dat is uw. Lees verder “Eeuwen leven de uwen”

Een verschijning die schrik wekt

“Spoken bestaan niet!” Dat krijgen ieder jaar talloze bange, bibberende kinderen van hun ouders te horen. En dat moeten ook volwassenen zichzelf nog wel eens verzekeren, wanneer zij in het nijpende duister sluipen naar hun slaapvertrek. Velen hebben wel eens wat gezien of verhalen van anderen gehoord. Hoe een twijfel kan knagen! Huist hier een boze geest? Is daar een gestorvene blijven steken tussen hemel en aarde? Wat denk ik nu eigenlijk te zien? Dat ongewisse ligt ook besloten in het woord spook, dat vroeger de ruimere betekenis ‘buitengewone verschijning’ hadde, vaak maar niet altijd huiveringwekkend.

Lees verder “Een verschijning die schrik wekt”